De kredietcrisis is een keerpunt in de geschiedenis zoals 1789, de beide wereldoorlogen en de Val van de Muur dat ook waren. Onze wereld zal nooit meer zo zijn als die was voor 2008. Natuurlijk zal ook veel hetzelfde blijven – daarover geen misverstand. Maar wat hetzelfde blijft, is niet van belang meer. Wat voor en na 2008 gemeen hebben, kan geen kompas voor ons wezen in de tijd die ons te wachten staat. Zo gaat dat nu eenmaal met keerpunten in de geschiedenis. We moeten nu onbevangen het nieuwe onder ogen zien, als we de toekomst niet blind en onvoorbereid in willen gaan. Niets is pijnlijker en moeilijker dan dat. Pijnlijk, omdat het afscheid van een oude wereld nooit meevalt. Vooral nu. Wie zal niet terugverlangen naar de ongekende welvaart, de relatieve rust en zekerheid van voor 2008? En toen de vraag of de vader van Maxima bij ‘het huwelijk’ aanwezig mocht zijn nog ons grootste politieke probleem kon wezen. Moeilijk, omdat niemand in de toekomst kan zien. En toch moeten we dat proberen om niet al meteen verstrikt te raken in de eerste de beste val die de toekomst voor ons openzet. Ėén zo’n val is de misvatting dat de kredietcrisis louter een economisch probleem is en dat we dus goed naar economen moeten luisteren om het op te lossen. Er is een heleboel mis met dat idee. In de eerste plaats, we zijn een beetje uit het oog verloren dat er voor nare problemen lang niet altijd een oplossing is. We weten allemaal nog net dat ziekte en dood zowel akelig als onvermijdelijk zijn. Er werd nog nooit een remedie tegen doodgaan ontdekt. Maar zodra het om sociale, economische en politieke problemen gaat, denken we altijd dat daar dan ook een oplossing voor moet bestaan. En dat we die ook zullen vinden, als we er maar diep en lang genoeg over peinzen. Niet dus. Ook de economie heeft zijn plagen die onvermijdelijk zijn en die we maar hebben te ondergaan, net zoals het doodgaan. In de tweede plaats is het sowieso vreemd om nu het heil van de economen te verwachten. Tenslotte zijn het juist de economen geweest die met hun theorieën over de onfeilbaarheid van de markt, over de zegeningen van de hebzucht en over onbeperkte economische groei etc. alle rampen over ons afriepen. Wie nu bij de econoom te rade gaat voor hoe we onze toekomst vorm moeten geven, kan je vergelijken met iemand die aan dezelfde beleggingsadviseur die de helft van zijn vermogen zoekmaakte vraagt hoe hij die weer terug kan krijgen. De kans is groot dat hij dan de helft die hem nog restte ook nog kwijt zal raken. De economen zijn niet de oplossing van onze huidige problemen, maar zelf een deel daarvan. Bedenk verder dat de ‘officiële’ economie de kredietcrisis helemaal niet aan heeft zien komen. Wat zouden we zeggen van de wetenschap van de astronomie als die de botsing tussen de aarde en een grote meteoriet niet zou kunnen voorspellen? Waarom blijven we de economie dan wel serieus nemen? Opvallend genoeg waren het ook geen geleerde economen, maar mensen uit de praktijk zoals Warren Buffet, Max Otte of Willem Middelkoop en Rien Kamer, die al jaren geleden voorvoelden dat er iets heel ergs zat aan te komen. Die hebben nog steeds veel beter in de gaten wat er aan de hand is dan de ‘officiële’ economie. Economen lukt het maar niet om greep te krijgen op de ware omvang van de crisis en men holt daar steeds achter de feiten aan. De alsmaar verkeerde inschattingen van het CPB spreken hier boekdelen. Dat wil niet zeggen dat men nu alle adviezen van economen naast zich neer zou moeten leggen. Maar wel dat men die steeds met het grootste wantrouwen moet bezien. En vervolgens dat van die adviezen nooit meer te verwachten valt dan symptoombestrijding. Oorzaak is dat de economie, anders dan ‘echte’ wetenschappen als de natuur- of scheikunde, steeds werkt met vereenvoudigingen van de werkelijkheid. Allerlei historische, culturele psychologische, sociologische, institutionele en politieke factoren worden daardoor in de economie welbewust niet, of onvoldoende verdisconteerd. Wanneer een crisis uitbreekt die ook die andere factoren ‘triggert’, dan is de ‘wetenschap’ van de economie hulpeloos en eerder een bron van nieuwe inschattingsfouten dan van betrouwbare inzichten. Dat is ook waarom de economie - anders dan die even naïeve als gevaarlijke neoliberale sufferds van de VVD nog steeds willen - nooit de plaats van de politiek in kan en mag nemen. We moeten de fout van de VVD vermijden om de politiek te reduceren tot het slaafje van de economie. Juist dat heeft de kredietcrisis mogelijk gemaakt. Het blinde vertrouwen op de economische rationaliteit bracht ons op de rand van de afgrond. De politiek vertegenwoordigt een hogere waarde en belang dan de economie. Anders dan de econoom kan de politicus zich nooit excuseren met het argument dat een bepaalde factor niet in zijn systeem zat. Zoals Greenspan onlangs onbekommerd verklaarde dat hij jammer genoeg eventjes iets over het hoofd gezien had en na die mededeling weer rustig naar huis kon gaan. Natuurlijk maken ook politici inschattingsfouten. Maar zij weten heel goed dat ze verloren zijn zodra ze de complexiteit van de werkelijkheid onderschatten. Vereenvoudiging van de werkelijkheid is de grootste zonde in de politiek. Anders dan de econoom zal de politicus daarom altijd proberen om zoveel mogelijk het totaaloverzicht te behouden over die baaierd van factoren die onze sociaal-politieke werkelijkheid bepaalt. Dat heeft de politicus gemeen met de historicus. Niet het discours van de economie, maar dat van de politiek en van de geschiedenis biedt daarom de beste mogelijkheden om zicht te krijgen op onze toekomst en op de vraag hoe we daarmee om zullen moeten gaan. Veel grote staatslieden uit verleden en heden hadden affiniteit met de geschiedbeoefening. Denk aan een Caesar, Frederik de Grote, Napoleon, Churchill of Kennedy. Van een groot staatsman met een achtergrond in de economie heb ik nog nooit gehoord. Willen we komen tot een inzicht in de betekenis op langere termijn van de kredietcrisis, dan zullen we dus het discours van de economie moeten verruilen voor dat van de politiek en van de politieke geschiedenis. Laten we dan maar eens beginnen met het elementaire gegeven dat de representatieve democratie het framework is waarbinnen het politieke spel gespeeld wordt. Dat begrip ‘representatieve democratie’ werd voor het eerst gebruikt in mei 1778 door de Amerikaan Alexander Hamilton in een brief aan de gouverneur van Vermont. In de tien tot twintig jaar daarna vond het begrip algemeen ingang in het politieke discours in de jonge Verenigde Staten en in Europa. Maar dat ging niet vanzelf. Want velen vonden het een raar en zelfs onjuist begrip. Zij zeiden dat die zogenaamde representatieve democratie eigenlijk helemaal geen democratie is, maar een electieve aristocratie. Hoewel die het begrip zelf nog niet hanteerde, had Rousseau daar ook al op gewezen. En ja, hoe je het ook wendt of keert: die critici van het begrip ‘representatieve democratie’ hadden eigenlijk gelijk. In ons soort staat ligt de macht niet bij het volk, maar bij door het volk gekozen leiders. Die bepalen uiteindelijk wat er gebeurt. Het begrip ‘electieve aristocratie’ is daarom juister dan dat van de ‘representatieve democratie’. Maar omdat aan het einde van de 18de eeuw iedereen de mond vol had van de volkssoevereiniteit, had men meer aardigheid aan het begrip ‘representatieve democratie’ dan aan dat juistere begrip van de ‘electieve aristocratie’. En zo werd dat onmogelijke begrip van de representatieve democratie gangbaar tot op de huidige dag. Nu kennen we allemaal Shakespeare’s ‘what’s in a name? That which we call a rose/By any other name would smell just as sweet’. Dus waarom zouden we ons druk maken over dit soort van terminologische muggezifterijen? Maar dat is toch te kort door de bocht. Want die terminologie kan verrassend verhelderend zijn. Aristoteles wees er al op dat de monarchie, de aristocratie en de democratie ieder hun onappetijtelijke tegenhanger hebben. Van de monarchie is dat de despotie, van de aristocratie de oligarchie en van de democratie de ochlocratie (regering door de straat). Kortom, monarchie, aristocratie en democratie ontaarden allemaal op hun eigen specifieke manier. En als je een politiek systeem juist benoemt, weet je ook wat voor vervalsverschijnselen erbij horen. Voor ons politieke systeem - dat dus een variant is van de aristocratie! – is dat niet ‘de regering door de straat’ (hebben we inderdaad nooit gehad), maar de oligarchie. Dit wil zeggen de situatie dat een clubje mensen goed voor zichzelf zorgt ten koste van de rest. En inderdaad, dat is een verhelderend inzicht, want de rampen van de kredietcrisis passen uitstekend in het model van de oligarchie. Oligarchisering is de diepere politieke bodem onder de kredietcrisis. En zodra we dat erkennen hebben we ook de gids voor de wereld van na 2008 waar we op zoek naar zijn. Denk daartoe aan de afschaffing in 1999 onder Clinton van de uit 1933 daterende Glass-Steagall wet. Die wet probeerde de lessen te trekken uit 1929. De bedoeling was om spaarders te beschermen tegen banken die failliet gaan wanneer die meer uitgeleend hadden dan op basis van hun vermogen verantwoord was. Kortom, het probleem waaruit zowel in 1929 als in 2008 de meeste narigheid voortkwam. Anders gezegd, deze wet erkende dat het een publiek belang was om met regelgeving te komen voor de geldschepping door de banken. En door die wet weer af te schaffen, vertrouwde men dat publieke belang weer toe aan de banken. Het publieke belang van de geldschepping werd dus in private handen gelegd. Terwijl dat toch een heel wezenlijk publiek belang is en dat bij uitstek aan publieke controle onderworpen hoort te zijn. Welnu, dit is oligarchisering in de meest zuivere vorm. Een publiek belang wordt overgedragen aan een kleine groep (bankiers) en die daar voortaan naar eigen goedvinden mee om kan springen. Nu weten we hoe heel verkeerd dat was – maar ja, berouw komt na zonde. De Staat gaf uit handen waarover alleen beslist had mogen worden in het publieke debat en in de discussie tussen regering en parlement. In ditzelfde licht moeten we ook de privatiserings- en verzelfstandigingsmanie van de laatste vijftien tot twintig jaar bezien. Denk aan de verzelfstandiging van de gezondheidszorg, van de thuiszorg, van woningcorporaties, van de Nationale Spoorwegen, aan de Onafhankelijke Post en Telecommunicatie Autoriteit, aan de Autoriteit Financiële Markten, de Pensioen- en Verzekeringskamer, het Commissariaat voor de Media, etc. Ook daar is de grootste gemene deler het verkwanselen van publieke bevoegdheden aan een onoverzichtelijk leger van nieuwe private potentaatjes, die aan niemand en niets buiten hun eigen geweten verantwoording verschuldigd zijn voor wat zij met die publieke bevoegdheden uitvoeren. En in beide gevallen was het resultaat hetzelfde. Zowel in de bankwereld als in die geprivatiseerde organisaties zagen de graaiers al snel hun kans schoon en al gauw voerden hebzucht en wanbeheer de boventoon. Wat de bankwereld betreft, denk aan Jeroen Smits De Prooi en waarin hij toont wat er zich de laatste tien jaren bij de ABN/AMRO en bij Fortis heeft afgespeeld. Het is een démasqué. En voor wat betreft die geprivatiseerde organisaties, denk aan wat we nu weer in de krant lezen over de thuiszorg. Of aan een directeur van de Autoriteit Financiële Markten die jaarlijks met 700.000 euro naar huis gaat. Vaak zijn het voormalige politici die dit soort van excessief hoog betalende banen in de semi-publieke sector in de wacht weet te slepen. Nog twijfels aan die oligarchisering? Aldus werd ons kostbaarste collectieve bezit – ons soevereine recht om zelf te mogen beslissen over de zaken die men overdroeg aan geprivatiseerde en verzelfstandigde organen - ontnomen zonder dat ons iets gevraagd werd. Dat moeten we omgedaan maken in de wereld van na 2008. Wat dat betreft is die gedeeltelijke nationalisering van de banken zo slecht nog niet. Met geldschepping is een publiek belang gemoeid. En publieke bevoegdheden mogen alleen in het bezit zijn van publieke instanties die ten allen tijde verplicht kunnen worden om publiekelijk verantwoording af te leggen van hoe zij die bevoegdheden gebruikten. Alleen op deze manier kunnen we oligarchische zelfzucht weer ombuigen richting het beste wat een electieve aristocratie te bieden heeft, alleen zo kunnen we een herhaling van de kredietcrisis voorkomen. Dat betekent in de praktijk twee dingen. Allereerst moet we grondig opruiming houden in de hybride wildgroei tussen staat en samenleving, dit wil zeggen in de zogenaamde publiek-private sector. Hoe minder daar van overblijft, hoe beter het is. Steeds zal men zich moeten afvragen of een bepaalde activiteit in het publieke dan wel het private domein thuishoort, en die hoort vervolgens integraal overgeheveld te worden naar haar eigenlijke thuisbasis. De beslissing daarover zal niet altijd makkelijk zijn, alleen het publieke debat kan hierover uitsluitsel geven en weinig staat hier van tevoren vast. Behalve dan dat die grens tussen publiek en privaat niet scherp genoeg getrokken kan worden. Wat uiteraard een nauwe en vruchtbare samenwerking tussen beide sferen, tussen publiek en privaat, in het geheel niet uitsluit. Zoals ook de nauwe samenwerking tussen Jan en Piet helemaal niet betekent dat we dan niet meer zouden weten wie Jan en wie Piet is. In de tweede plaats herinnert een strikte scheiding tussen publiek en privaat ons eraan dat publiek (of algemeen) belang en privaat (of eigen-)belang lang niet altijd samenvallen, zoals de neoliberalen ons wilden doen geloven met hun ‘greed is good’ ideologie. Eerst dan is er weer ruimte voor het besef dat we soms het publieke belang boven het eigenbelang moeten stellen. Zoals John Kennedy het indertijd compact formuleerde: ‘vraag niet wat Uw land voor U kan doen, maar wat U voor Uw land kan doen’. Die instelling staat in de politieke filosofie bekend als het zogenaamde ‘republicanisme’: dit wil zeggen bij onze politieke keuzes moeten we ons ook laten leiden door het publieke belang is (‘respublica’ betekent ‘het publieke belang’). Dat zal leiden tot een sterkere en meer gezaghebbende staat dan die wij nu hebben. Er wordt dan immers door de burger veel meer geïnvesteerd in de Staat, als de belichaming van het publieke belang, dan nu het geval is. Dat is niet zonder gevaar. We weten uit de geschiedenis dat sterke staten soms verschrikkelijk ontsporen. Iedere stap die we in deze richting zetten moet daarom gepaard gaan met garanties voor de optimale kwaliteit van ons openbaar bestuur. In de praktijk betekent dat dat we altijd de absolute zekerheid moeten hebben dat publieke bevoegdheden corresponderen met de verplichting tot het publiekelijk afleggen van verantwoording over het gebruik van die bevoegdheden. Geen bevoegdheden zonder verantwoordelijkheden, en geen verantwoordelijkheden zonder bevoegdheden. Dat is de alfa en omega voor alle goed bestuur. Een laatste overpeinzing. Er zit ook een goede kant aan de kredietcrisis en aan de sterkere Staat die daar onvermijdelijk uit voort zal komen. Want we zullen die sterkere Staat in de loop van deze eeuw hard nodig hebben voor de nog veel grotere problemen waar toekomstige milieurampen ons voor zullen plaatsen. Waarbij ik er vanuit ga dat het niet realistisch is te verwachten dat men er in slaagt om de CO2 uitstoot tijdig tot een aanvaardbaar peil terug te dringen. Geen pijnlijker vertoon van onmacht dan de internationale onderhandelingen daarover. De kredietcrisis is al heel erg, maar die is peanuts in vergelijking met wat we dan over ons heen zullen krijgen. Wanneer maar een fractie uitkomt van wat ons in het vooruitzicht gesteld wordt in boeken als het recente en uiterst schokkende Zes Graden van Mark Lynas (door de Royal Society bekroond als het beste wetenschapsboek van 2008), dan leven we over honderd jaar op een veel onvriendelijker planeet dan die we nu kennen. Aanpassing aan die nieuwe en zoveel moeilijker omstandigheden zal een enorme inspanning vereisen. En zonder een sterke Staat die we kunnen en willen vertrouwen staan ons daarbij chaos, oorlog en burgeroorlog te wachten. Wanneer we onze democratieën niet snel op orde brengen, dan gaan we met een lek sloepje de stormen van de toekomst in. Hoe erg de kredietcrisis ook is en nog worden zal, we hebben daarom reden om er toch ook een beetje blij mee te zijn. Want we staan nu weer met beide benen op de grond. En dat zullen we in deze eeuw nog heel hard nodig hebben!
Frank Ankersmit Linksmailto:f.r.ankersmit@rug.nl |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|