Liberalen en socialisten tegenover de toekomst

essay vrijdag 12 maart 2004

Frank Ankersmit

De beide VVD staatssecretarissen Melanie Schultz van Haegen en Mark Rutte bepleitten onlangs een opening van de VVD richting D66 en PvdA. Dat heeft de nodige ophef binnen die beide partijen veroorzaakt. Het voorstel van een fusie van VVD en D66 verdient evenwel lof en instemming – jammer daarom dat D66 de tekenen des tijds nog niet verstaat en de stap niet zetten wil. Want onder de huidige omstandigheden is het naast elkaar bestaan van twee liberale partijen een overbodige luxe. Het leidt slechts tot tot ijle academische discussies over de verschillen tussen links- en recht liberalisme waar niemand buiten die twee partijen zelf behoefte aan heeft. Uit het inzicht dat VVD en D66 elkaar eerder complementeren dan dat zij conflicteren zou een nieuwe liberale partij kunnen ontstaan – LIB-2004, zeg maar – die sterker en groter zijn zal dan de som van de beide partijen afzonderlijk. Hierover kan men dus kort zijn.

Maar dat ligt anders met een opening richting PvdA. Op het eerste gezicht valt ook voor samenwerking met de PvdA veel te zeggen. Verloopt die samenwerking vaak al niet perfect op lokaal niveau? Schudde de PvdA niet met Kok een tien jaar geleden haar ideologische veren af? En is ook Wouter Bos niet het tegendeel van een ideologische scherpslijper? Meer nog, is Paars er niet het bewijs van dat de oude barrières tussen VVD en PvdA definitief geslecht werden? Kortom, ligt een door pragmatisme ingegeven samenwerking van VVD en PvdA niet geheel in het verlengde van de ontwikkelingen van de afgelopen tien jaar? En vooral, zou die niet juist het vereiste maatschappelijke draagvlak kunnen bieden voor de moeilijke beslissingen die ons in de nabije toekomst wachten?

Daar zit veel waars in. Maar er zijn ook wezenlijke verschillen tussen beide partijen en die een onaanvaardbare hypotheek leggen op samenwerking onder de nu bestaande omstandigheden. Vroeger zou men die verschillen uitgedrukt hebben in termen van ideologische verschillen. Maar het is waar: met ideologie kom je tegenwoordig niet ver meer mee. Toch weten we allemaal heel goed dat er een mentaliteitsverschil bestaat tussen beide partijen. Maar waaruit bestaat dat precies en hoe stellen we het vast, als we ons daarbij niet meer op ideologie verlaten kunnen? Dat is een vraag waar veel kiezers tegenwoordig mee worstelen - en soms ook die beide partijen zelf.

Ik zal hieronder betogen dat PvdA en VVD zich op wezenlijk verschillende manieren verhouden tot de toekomst. En dat niet zozeer in inhoudelijke zin, alswel in de zin van de portie toekomst die men aan kan. Tot voor kort had de PvdA hier de beste papieren, terwijl de VVD aan politieke kortademigheid leed. Maar nu zijn de verhoudingen omgekeerd. Nu ziet de PvdA zich opgesloten binnen het korte termijn perspectief, terwijl de VVD open staat voor de langere termijn. Daar ligt het echte verschil tussen beiden; en ik wil hieronder uitleggen hoe dat zo gekomen is.

Als sociaal-democratische partij put de PvdA uit het rijke erfgoed van het socialisme. Het socialisme wilde vooral op basis van een alternatieve, socialistische maatschappij-visie een alternatief bieden voor de sociaal onaanvaardbare consequenties van het kapitalisme. Dat alternatief kon bereikt worden via een revolutie – zo zag Marx het. Maar ook langs wegen van geleidelijkheid – en dat was waar men uiteindelijk voor koos in West-Europa. Dat niet-revolutionaire socialisme noemt men ‘sociaal-democratie’. Maar die wegen van geleidelijk moesten dan wel in de goede richting gaan. Vandaar dat ook de sociaal-democratie vast bleef houden aan dat idee van een alternatief voor de bestaande maatschappelijke orde. Want zonder dat idee, hoe vaag en hoe onbestemd ook, is de socialist even hulpeloos als een zeeman die midden op zee zijn kompas over boord gezet heeft.

Welnu, een van de belangrijkste eigenaardigheden van onze huidige postmoderne maatschappijen is dat die geen ruimte meer laten voor alternatieve maatschappij-visies. Niemand zag dat beter dan Herbert Marcuse, de nu geheel vergeten neo-Marxistische goeroe van de revolutionaire bewegingen van eind jaren ’60. In zijn One dimensional man van 1964 betoogde Marcuse dat de ramp van het liberale kapitalisme was dat die de geschiedenis als het ware had stilgezet. Wij leven, zo zei hij, in een ‘één-dimensionale’ wereld leven omdat alternatieven voor het liberaal-kapitalisme niet langer voorstelbaar zijn. De twee-dimensionaliteit van een wereld waarin een alternatief voor het bestaande nog een reële optie was, werd aldus verruild voor één-dimensionaliteit waar die optie niet meer bestaat. Vandaar ook de titel van Marcuses boek. De geschiedenis is nu niet langer de slingerbeweging van de ene maatschappelijke orde naar het alternatief ervan, maar het alsmaar rechtuit doorwandelen op één en hetzelfde pad dat we eenmaal, en voorgoed, zijn ingeslagen. We zijn daarmee de gevangenen geworden van een zich voortaan eindeloos continuerende fase in de geschiedenis van de mensheid. Dat gaf Marcuse het gevoel van een soort historische claustrofobie en vandaar zijn wanhopige oproep tot een revolutionaire breuk met de loodzware ketens van het liberaal-kapitalisme.

Exact dezelfde analyse van onze hedendaagse wereld van na ‘1989’ bood Francis Fukuyama in zijn veel-besproken The end of history and the last man van 1992. Ook hij zei dat er geen echte alternatieven meer zijn voor de bestaande liberaal-kapitalistische orde. Dat bedoelde hij met zijn notie van ‘het einde van de geschiedenis’ en zijn stelling “‘that liberal democracy may constitute ‘the end point of mankind’s ideological evolution’ and ‘the final form of human government’. As such it constitutes ‘the end of history’. That is, while earlier forms of government were characterized by grave defects and irrationalities that led to their eventual collapse, liberal democracy is arguably free from such fundamental internal contradictions’”. Daar ligt dus het cruciale gegeven: vroegere maatschappijen kenden altijd interne spanningen – ‘contradicties’, zoals Marx zou zeggen – waaraan die maatschappijen vroeger of later altijd bezweken en waardoor er iets geheel anders voor in de plaats kwam. Zo groef het feodalisme zijn eigen graf door feodale rechten het karakter te geven van financiele transacties. En zo ‘produceerde’ de 19e eeuwse bourgeoisie eigener beweging het industriele proletariaat dat een eeuw later haar grafdelver zou zijn.

Maar, zo zegt Fukuyama, de nu bestaande liberaal-kapitalistische orde is vrij van dat soort van interne ‘contradicties’: het is een systeem dat geheel consistent is met zichzelf. Een systeem zonder losse draadjes, zogezegd. Het is daarom het eerste politieke systeem in de geschiedenis van de mensheid dat niet langer zijn eigen ondergang organiseert. Alle feilen in dat systeem – en niemand beweert dat die er niet zouden zijn! – kan je pas op een constructieve manier tegemoet treden als je eerst begint met de logica van die liberaal-kapitalistische orde te onderschrijven. Doe je dat niet, dan maak je alleen maar rommel. Er is daarom nog maar één weg naar de toekomst en naar een zinvolle verbetering van onze samenlevingen. En dat is die van een voortdurend sleutelen aan het liberaal-kapitalisme om het steeds in een optimale conditie te houden. Voor alternatieve ideeën is geen ruimte meer. In een woord: ‘the big idea is that there are no big ideas’. Dat is dus precies hetzelfde als wat Marcuse ook al betoogd had. Het enige verschil is dat Fukuyama met vreugde verwelkomde wat Marcuse nu juist met zoveel afschuw en weerzin van zich wierp.

In feite werd dit alles honderdvijftig jaar geleden al beweerd door de meest subtiele analyticus van de democratie ooit, Alexis de Tocqueville (1805 – 1859). Want in het tweede deel van zijn De la Démocratie en Amérique van 1839 had ook hij al gezegd dat de liberale democratie het eigenaardig vermogen bezit om alle alternatieven voor zichzelf de verstikkingsdood te laten sterven. Dat was nog nooit vertoond in de geschiedenis van de mensheid. In die zin is dat meest revolutionaire politieke systeem van de liberale democratie paradoxalerwijs tegelijkertijd de hoogste vorm van conservatisme – en waarmee dan ook de oude pendelbeweging tussen revolutie en conservatisme werd stilgezet. Daarom is conservatisme nu ook een even oninteressant politiek begrip geworden als het begrip revolutie: beide behoren tot een politiek vocabulair dat we met de vestiging van de democratie achter ons hebben gelaten. Die begrippen verloren hun zin en betekenis omdat de democratie beiden in zich verenigt en de democraat daarom niet meer voor de één en tegen de ander kiezen kan. De conservatieven van de Burke-Stichting, die zich zo graag op Tocqueville beroepen, zouden daar nog eens goed over na moeten denken.

Maar Tocqueville zag ook iets wat Marcuse en van Fukuayama niet zagen. Men heeft Fukuyama sinds de publicatie van zijn boek vaak lastig gevallen met het bezwaar dat er toch nog heel wat geschiedenis mogelijk bleek sinds ‘1989’. Denk aan twee Golfoorlogen, ’11 september’, de oorlog tegen het terrorisme, de economische boom en bust sinds de jaren ’90. Dat is toch allemaal niet niks? Hoezo, daarom, ‘het einde van de geschiedenis’? Fukuyama wist daar nooit een echt bevredigend antwoord op te geven.

Tocqueville heeft daar wel een antwoord op. Het was Tocqueville’s volstrekt originele inzicht dat met de komst van de liberale democratie de geschiedenis het karakter zou krijgen van de variatie. Zoals Beethovens Diabelli-variaties of Bachs Goldberg-variationen variaties zijn op steeds een en hetzelfde thema, zo heeft onze sociaal-politieke geschiedenis het karakter gekregen van een eindeloze reeks van variaties op steeds datzelfde thema van het liberale kapitalisme. Het kan best zijn dat die variaties onderling soms dramatisch van elkaar verschillen maar het ‘thema’, de basis dus, blijft steeds dezelfde. De geschiedenis is nu niet langer een symfonie die zich van een aarzelend begin spoedt naar het allegro van het einde, maar een thema met een niet eindigende reeks van variaties op eenzelfde thema. Op die manier wist Tocqueville de paradox op te lossen dat er enerzijds nog heel wat geschiedenis zijn kan, terwijl anderzijds alles in wezen hetzelfde blijft. Zoals verwoord in het bekende ‘plus que ça change, ça reste la même chose’.

Tegen de achergrond van deze bespiegelingen is het een en ander te zeggen over hoe socialisten en liberalen zich verhouden ten opzichte van de toekomst. Doorslaggevend is daarbij of er al of geen overeenstemming is tussen historische logica enerzijds en politieke logica anderzijds. Zo had het liberalisme geen greep op de toekomst toen de historische logica van de twee-dimensionaliteit domineerde. En inderdaad: in die nog twee-dimensionale strijd tussen kapitaal en arbeid in de 20e eeuw stonden de liberalen steeds met de rug naar de toekomst. Hun politieke gevecht was altijd een achterhoede-gevecht en liberalen konden zich slechts staande houden voor zover zij bereid waren socialistische programmapunten over te nemen. Zij stonden voor de keuze van ofwel min of meer socialist te worden, ofwel op te houden te bestaan. Zij waren altijd hopeloos verdeeld over de mate waarin zij concessies aan het socialisme zouden doen. Zo trok het socialisme recentelijk het liberalisme nog uiteen in het rechts-liberalisme van de VVD en het links-liberalisme van D66. Het socialisme kon daarentegen in die nog twee-dimensionale maatschappelijke werkelijkheid voor zichzelf het gelijk van de geschiedenis opeisen en volhouden te handelen ‘in opdracht van de toekomst’.

Maar als Marcuse, Fukuyama en Tocqueville gelijk hebben, dan zijn de bordjes nu verhangen. Nu moeten de socialisten opereren binnen een historische en maatschappelijke logica die hen vijandig gezind is. Zij zien zich daarom nu geconfronteerd met hetzelfde wrede dilemma waar het liberalisme in de 20e eeuw mee worstelde. Nu staat het socialisme voor de keuze van ofwel ophouden te bestaan, ofwel liberaal te worden. Nu wordt het socialisme uiteengetrokken tussen zichzelf en de standpunten van de politieke tegenstander.

Voor het socialisme staan daarom nu drie opties open. In de eerste plaats heb je degenen die gewoon weigeren om voor die één-dimensionaliteit te capituleren en die nog steeds wijdse visies ontwikkelen als die van ‘spreiding van macht, inkomen en kennis’ (Den Uyl), van de multiculturele samenleving, van de middenschool of het studiehuis (Pronk, Van Kemenade en Wallage). Maar voor die heroïsche houding bestaat weinig sympathie meer omdat iedereen nu wel inziet dat die alleen maar tot maatschappelijke ontwrichting leidt. Maatschappij-hervorming is geen optie meer. Helemaal aan het andere eind van het socialistische spectrum zijn er degenen die bereid zijn om heel wat liberaal water in de socialistische wijn te doen (Kok en Wouter Bos) en daar soms zover in gaan dat zij eigenlijk alleen nog maar in naam socialist zijn.

Het verschil tussen de Nederlandse PvdA en de Duitse SPD is dat die groep van verkapte liberalen in de PvdA veel sterker is dan in de Duitse zuster-partij. En in de Engelse Labour partij hebben die verkapte liberalen het heft zelfs helemaal in handen genomen. Je hebt een hele goede microscoop nodig om aan de Labour-partij van Tony Blair nog iets typisch socialistisch te ontwaren – afgezien dan van de loze retoriek van Anthony Giddens’ zogenaamde ’Derde Weg’ tussen socialisme en liberalisme. Die dramatische verschillen tussen SPD, PvdA en Labour tonen op zich al voldoende hoezeer het socialisme van zijn oude ankers is losgeslagen en uiteindelijk terechtkomt waar de liberale passaatwind het blazen wil.

Maar keren we terug naar Nederland. Het meest interessant is hier de groep die tussen die uitersten van oude maatschappij-hervormers en verkapte liberalen inzit en die bepalend is voor de politieke opstelling van het hedendaagse socialisme. Men respecteert hier het gegeven in een één-dimensionale samenleving te leven, maar is desondanks niet bereid om de herinnering aan de twee-dimensionaliteit van het socialisme helemaal op te geven omdat dit neer zou komen op een voorbehoudsloze aanvaarding van het liberalisme – hetgeen een juiste constatering is. Dat werkt in de praktijk als volgt uit. Indien geconfronteerd met de noodzaak van wezenlijke politieke ingrepen zal deze soort van socialist, in overeenstemming met de erfenis van zijn ‘twee-dimensionale’ politieke denken, in eerste instantie denken aan alternatieven voor het bestaande. Om dan even later tegen die onverbiddelijke, maar ook door hem gerespecteerde één-dimensionaliteit van onze politieke orde aan te lopen. Het resultaat is tweeërlei.

In de eerste plaats, de ergernis over deze beperking op zijn politieke handelingsvrijheid zal zich bij deze soort socialist licht vertalen in een morele kritiek op die door de één-dimensionaliteit gedicteerde grenzen. Dat leidt tot een ‘politiek van de morele verontwaardiging’. Denk bijvoorbeeld aan het de laatste tijd vaak geuite verwijt aan de zittende coalitie dat die haar ‘sociale gezicht’ zou hebben verloren. Liberalen zullen dan tegenwerpen dat dit in linkse kringen altijd zo populaire ‘sociale gezicht’ argument wel het meest laffe argument is in onze hedendaagse politieke retorica. Want een ieder die zich realiseert welk een beslag de staatsschuld legt op de publieke middelen, hoe de kosten van verzorgingsstaat en volksgezondheid de pan uitrijzen, die ziet op welke rampen de Duitse SPD aankoerst, die moet zich tevens realiseren hoe asociaal die politiek van de morele verontwaardiging zijn kan. Dat is niets ander dan het egoïsme van onze generatie die de kosten van eigen welbevinden steeds zo gaarne deponeert op het bordje van onze kinderen en kleinkinderen. Vanuit het lange termijn perspectief is dat ogenschijnlijk moreel zo verantwoorde ‘sociale gezicht’ argument dus uiterst immoreel. Moreel besef vereist juist dat iedere generatie bereid is om de eigen broek op te houden. Wellicht beoogt het CDA dat ook met die notie van het ‘rentmeesterschap’.

In de tweede plaats, de socialist die de twee-dimensionaliteit koppelt aan de erkenning in een één-dimensionale wereld te leven zal merken dat de marge die de één-dimensionale wereld aan twee-dimensionaliteit laat heel klein is. Daar ligt heel de tragiek van het hedendaagse socialisme. Want de toekomstvisies van het socialisme conflicteren van nature met de logica van de één-dimensionale wereld. Daar waren die visies sinds de dagen van Marx natuurlijk ook gewoon voor bedoeld: uit dat conflict zou immers een andere en betere orde voort moeten komen. En in een nog twee-dimensionale wereld lag in dit conflict inderdaad ook de belofte voor de toekomst. Maar hoe één-dimensionaler onze wereld wordt, des te beperkter wordt het perspectief dat de socialist op de toekomst heef. Kortom, wat in een twee-dimensionale wereld het breekijzer was om de deur naar de toekomst te open te breken, is tegenwoordig juist het slot op diezelfde deur naar de toekomst.

En inderdaad, over de opstelling van het socialisme inzake alle grote vraagstukken die onze toekomst bepalen zullen (zoals de overheidsuitgaven, de herstructurering van de verzorgingsstaat, de integratie-thematiek, veiligheid of Europa), kan men twee dingen zeggen. In de eerste plaats dat het socialisme de ernst van die vraagstukken stukken altijd pas veel later onderkende dan de liberalen. En in de tweede plaats dat de socialistische aanpak ervan altijd eerder het karakter had van een noodverband dan van een echte oplossing. En dat is niet omdat socialisten dommer zouden zijn dan liberalen (wat zeker niet zo is) of over minder politieke moed zouden beschikken (wat misschien wel een beetje zo is). Maar toch vooral omdat de blikrichting van de socialist haaks staat op het pad dat de geschiedenis heeft ingeslagen. Het schoolvoorbeeld is hier de Rotterdamse PvdA in de jaren voor Fortuijn: door hun vaste vertrouwen op multiculturalisme als alternatief voor de oude autochthone samenleving hadden de socialisten eenvoudigweg niet in de gaten dat zich hier onder hun eigen ogen een ongekende sociale catastrofe ontwikkelde. En men hoeft Cohens weinig ambitieuze ‘de boel bij elkaar houden’ maar te contrasteren met het optreden van mevr. Hirsi Ali en met de recente VVD-nota over het immigratiebeleid om in te zien wie hier het antwoord zoekt in termen van noodverbanden, dan wel in die van echte, toekomstgerichte oplossingen.

Aldus viel het zo hechte bouwwerk van de sociaal-democratie uiteen in 1) een slinkend groepje van oude maatschappijhervormers, 2) een groeiende groep van verkapte liberalen en 3) een grote middenmoot die verstrikt raakte in het uitzichtsloze wiskundige probleem van de verzoening van één- met twee-dimensionaliteit. En er is geen toekomstbeeld of superieur politiek principe in termen waarvan het conflict tussen die drie groeperingen beslecht zou kunnen worden. Men kan daarom wel enig begrip opbrengen voor Wouter Bos’ recente verzuchting dat opheffing van de PvdA te overwegen valt. Want er is niets dat deze drie groeperingen nog bindt behalve een gemeenschappelijk verleden.

Het toekomstperspectief van het liberalisme is daarentegen vrij van de belemmeringen waamee het socialisme worstelt. Want in de één-dimensionale samenleving van Marcuse/Fukuyama/Tocqueville is het niet de socialist, maar de liberaal die vrijelijk tussen heden en toekomst heen en weer kan pendelen. Nu is het de liberaal die het lange-termijn perspectief voor zich op kan eisen en die, meer nog, vooral vanuit dat lange-termijn perspectief zijn politieke keuzes maken zal. Het liberalisme heeft er geen probleem mee om het bestaande Tocquevilliaans te variëren en om te onderzoeken welke varianten de beste structurele mogelijkheden bieden om bestaande structurele problemen aan te vatten. Het doet dat door de extrapolatie vanuit het bestaande; en zijn toekomstbeeld strekt zich daarom zo wijd uit als de extrapolatie het dragen kan.

Aanvaarding van de grenzen van de één-dimensionaliteit betekent daarom ook in het geheel geen stilstand of een koppig vasthouden aan het bestaande. Integendeel, het betekent dat men bereid is om alle variabelen in de bestaande orde daarin op alle denkbare manieren te variëren met het oog op de beste uitkomst. Of, om Lampedusa’s befaamde uitspraak te citeren, ‘dat men bereid is alles te veranderen opdat alles hetzelfde blijft’. Denk aan bijvoorbeeld aan de veranderingen die computer en informatie-technologie sinds 1980 bewerkten op vrijwel alle terreinen van onze existentie. Qua omvang doen die veranderingen nauwelijks onder voor de sociale revolutie die het socialisme honderd jaar bewerkte. Maar dit was een merkwaardig stille revolutie, een revolutie op kousevoeten, zonder leuzen, zonder barricades en zonder hooggestemde beloftes van een alternatieve maatschappij. Dit is het type van verandering die men met het liberalisme in verband moet brengen. Ingrijpend en niets en niemand ontziend, maar desondanks steeds gebonden aan de logica van de één-dimensionaliteit. Het is systeem-gebonden verandering, om het plechtig uit te drukken. En wie zich deze politieke logica met de liberaal eigen weet te maken, die kan veel verder en dieper in de toekomst blikken dan de ‘dwarse’ blik van het socialisme ooit toelaat. Dat is er de reden van waarom de toekomst nu de bruid is van het liberalisme en niet langer van het socialisme.

En er is nog een andere reden waarom het socialisme nu veel meer onthand staat tegenover de toekomst dan het liberalisme. In navolging van Niklas Luhmann heeft de Duitse filosoof Dietrich Bäcker er op gewezen dat de hedendaagse Staat een wezenlijk andere positie in onze samenlevingen inneemt dan tot voor enkele decennia het geval was. Vroeger stond de Staat boven de samenleving en kon zij vormgeven aan de samenleving vanuit die verheven positie. Dat is nu anders geworden: de Staat is nu hooguit een primus inter pares in zijn verhouding tot de wereld van wetenschap, economie, financieel verkeer etc. Meer in het bijzonder, terwijl de Staat vroeger op allerlei maatschappelijke terreinen richtinggevend kon zijn, moet hij nu alle zeilen bijzetten om te beginnen te begrijpen wat er op die terreinen überhaupt speelt. En zelfs dat lukt nu lang niet altijd meer. Bäcker verbindt hier de fascinerende conclusie aan dat de hedendaagse Staat van nature tot vertraging geneigd zal zijn en dat politiek vooral het karakter zal hebben van een aanpassing aan wat buiten de politiek gebeurt. Hadden Staat en politiek vroeger de blik op de toekomst gericht en waren zij de producenten van onze collectieve toekomst, dan hangen zij nu zoveel mogelijk aan de rem. En voor zover die blik toch nog op de toekomst is gericht, is dat de blik van iemand die hijgend aanholt achter een trein die langzamerhand uit het zicht verdwijnt.

Welnu, iedereen weet dat het socialisme van nature étatistisch is en bij voorkeur vanuit de Staat naar de samenleving kijkt, terwijl het liberalisme voor het omgekeerde opteert. Vanzelfsprekend doen beiden beide tegelijkertijd – dat kan nu een keer niet anders in de politiek - maar dit accent-verschil is er toch wel. Daaruit volgt dat het socialisme dat de wereld bij voorkeur beziet vanuit het standpunt van de Staat zich gemakkelijker dan de liberalen zal laten besmetten door die relatieve ‘achterlijkheid’ die de hedendaagse Staat eigen is. De toekomstvisies van de sociaal-democratie zullen zich daarom vooral concentreren rond de begrippen ‘afremmen’ en ‘inhalen’ – het zullen daarom toekomstvisies zijn die paradoxalerwijs staan met de rug naar de toekomst.

Het liberalisme kan daarentegen nu wel de toekomst wel onder ogen zien omdat zijn blik daarop niet langer door de twee-dimensionaliteit (of de herinnering daaraan) bekort wordt. Het kiest zijn standpunt in de samenleving, in de wereld van markt en van de ‘civil society’ en identificeert zich daarom met de krachten die onze collectieve toekomst zullen bepalen. Het ervaart die wereld als ‘eigen’ en niet als iets ‘wezensvreemds’, of als iets dat je automatisch zou moeten wantrouwen. Dat betekent overigens in het geheel niet dat je wat in wereld van markt en ‘civil society’ gebeurt voorbehoudsloos in de Staat zou moeten introduceren. Er is niets mis met de leuze ‘meer markt’, maar wel met het idee dat de Staat volgens de principes van de markt zou moeten functioneren. Want dat is onzin en er bestaat geen politieke theorie om het te rechtvaardigen. Daarom, ofwel men verkleint de Staat, ofwel men kent hem ruime bevoegdheden toe. Men kan kiezen voor het een, of voor het ander. Maar die middenweg van ruime bevoegdheden voor de Staat die vervolgens in handen worden gelegd van private organisaties, is onbegaanbaar. Dat zou een terugkeer betekenen naar de meest heilloze bestuurlijke praktijken van het Ancien Régime en waarvan de burger onveranderlijk het weerloze slachtoffer zijn zal.

Ik kom tot een conclusie. Er zijn geen interessante ideologische verschillen meer tussen PvdA en VVD. Maar dat betekent niet zo vreselijk veel – hooguit dat ideologie er nu niet meer toe doet. En dat wisten we al langer. Maar in de plaats van de ideologie is iets anders gekomen. Beslissend is nu de vraag hoever men in de toekomst door wil/kan dringen. Toekomst, tijd en tempo zijn onze belangrijkste politieke begrippen geworden. Onze samenleving heeft haast en een politieke stroming die daarmee niet uit de voeten kan, marginaliseert zichzelf automatisch. Dan staat inderdaad de korte termijn visie van het socialisme haaks op de lange-termijn visie en die variatie-plus-extrapolatie optie van het liberalisme. In de omgang met tijd en toekomst ligt daarom het even belangrijke, als doorslaggevende verschil tussen socialisme en liberalisme. En meer in het algemeen: wanneer wij onze hedendaagse politieke partijen zinvol met elkaar willen vergelijken, dan moeten we niet langer letten op ideologische verschillen, maar op waar zij zich ergens bevinden op het continuum tussen korte- en lange termijn perspectief. Dat is het enige dat er werkelijk toe doet; de rest (zoals die ‘normen en waarden’ van het CDA) is irrelevante franje.

Samenwerking tussen VVD en PvdA is daarom mogelijk/wenselijk zolang korte en lange termijn visie elkaar verdragen of zelfs aanvullen. Daarvan was sprake in de onschuldige dagen van Paars toen men inderdaad niet veel verder hoefde te kijken dan de dag van morgen. Maar wanneer de toekomst in het geding komt is die samenwerking niets meer dan een zomerzotheid. Want wanneer we moeten nadenken over staatsschuld, verzorgingsstaat, de kosten van de volksgezondheid en vergrijzing, de integratie-thematiek of Europa, dan is het conflict onvermijdelijk tussen de korte toekomst van de sociaal-democratie en de lange toekomst van het liberalisme. Beiden hebben hun eigen logica en bestaansrecht – wie zou het ontkennen? Het is daarom mooi dat we beide partijen hebben en dat het electoraat daartussen kiezen kan. En over de gevolgen van onze keuzes moeten we dan ook niet meer zeuren: ‘comme on fait son lit, on se couche’, nietwaar? Dat zullen de Duitsers nog wel merken. Maar een compromis daartussen zou ons op dit moment het slechtste van beide werelden geven. Die moet men dus niet nastreven. Tenzij de PvdA zich onder leiding van Wouter Bos transformeert in een Nederlandse variant van Tony Blairs Labour Party.


Frank Ankersmit is hoogleraar geschiedfilosofie aan de RU Groningen. Binnenkort verschijnt bij Stanford UP zijn boek Sublime Historical Experience.

Frank Ankersmit

Frank Ankersmit

Share |

4 Liberales-sessies over Economie

Om het economisch nieuws beter te begrijpen, organiseert Liberales in januari en februari vier sessies over Economie (te Brussel). De sessies behandelen pensioenen, strategisch gedrag, financieringswet en de financiële crisis. Toegang is 3 euro per sessie. Plaatsen zijn beperkt. Inschrijven via deze link. Meer info onder Activiteiten.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be