Het gevaar van legalisten

essay vrijdag 23 november 2007

August Hans Den Boef

De radicale islam wint in Nederland aan populariteit, via een niet-gewelddadige - de strategia della tenzione werft kennelijk te weinig leden - maar wel zeer onverdraagzame en antidemocratische variant, het politiek salafisme. Dat blijkt uit het rapport Radicale dawa in verandering, de opkomst van islamitisch neoradicalisme in Nederland van de AIVD. De dienst bekritiseert in dit verband ook het debat over moslimradicalisme in Nederland. Dat wordt nu vooral gedomineerd door 'relativisten' die zeggen dat radicalisering een voorbijgaand symptoom van emancipatie van moslims is, en 'absolutisten' die waarschuwen voor een dreigende islamisering van Nederland. De AIVD pleit terecht voor een ‘meer realistische benadering’, maar vergeet daarbij een derde en even contraproductieve stroming in het debat: de ‘legalisten’ die zich beperken tot de bedreiging van de rechtsstaat en daarbuiten geen enkel bezwaar tegen radicalisme hebben.

Een voorbeeld. Op 18 december 2004 interviewde Hugo Camps voor het weekblad Elsevier Job Cohen. Hoe analyseerde de Amsterdamse burgemeester toen moslimradicalisme? ‘Er wonen een miljoen moslims in dit land. Daar zit een aantal extremisten bij, die je overigens moet onderscheiden van fundamentalisten. Fundamentalisten zijn gelovigen die ik in hun gedachten niet kan volgen, maar die geen vlieg kwaad doen. Extremisten proberen de rechtsstaat te ondermijnen. Zij moeten genadeloos worden aangepakt.’

Voor Cohen zijn radicale moslims pas een probleem als ze de rechtsstaat bedreigen. Voor de rest ‘doen ze geen vlieg kwaad.’ Dezelfde rechtsfilosofie hanteren partijgenoten als Ella Vogelaar - ‘de boerka moet kunnen’ – en geestverwanten als de christen-democraat Piet Hein Donner – ‘een democratische meerderheid mag de sharia invoeren.’ En helaas kennelijk ook academische deskundigen als Bob de Graaff (hoogleraar terrorisme en contraterrorisme Leidse universiteit), in een snierend commentaar op het AIVD-rapport: ‘Waarom zou de overheid zich met radicalisme moeten bezighouden als dit niet tot geweld leidt?’

Het antwoord op deze vraag is simpel: gedrag dat de wet toestaat, is daarmee nog niet wenselijk, noch voor de samenleving, noch voor het betreffende individu. Daarom is het juist de plicht van de overheid om zowel bezorgd te zijn over gedrag dat onwenselijk is voor samenleving en individu, als daartegen uiteindelijk handeld op te treden. Daarom bemoeit zij zich al heel lang met het gedrag - door de wet toegestaan – van rokers, drinkers en dikkerds. Waarom ook niet met dat van degenen die - om met Multatuli te spreken – ‘godsdol’ zijn? Want hoe bijvoorbeeld voedt een godsdolle zijn kinderen op, vraag je je af. Hoe zit het überhaupt met vrouwen, meisjes en homoseksuelen? Met de mogelijkheid tot religieuze exit? Kortom, hebben (jonge) moslims in een fundamentalistische omgeving gelijke keuzemogelijkheden in hun leven als anderen? En hoe zit dat bij traditionele moslims?

Een voorbeeld van een legale, maar onwenselijke situatie is de islamitische huwelijksmigratie. Deels veroorzaakt doordat jonge moslimmannen Nederlandse moslimvrouwen door hun relatieve onafhankelijkheid en hogere opleiding minder aanvaardbaar vinden als huwelijkspartner (en omgekeerd), deels vanuit afspraken die ouders met de familie in het land van herkomst hebben gemaakt. Die migratie is tamelijk groot en het merendeel betreft vrijwel analfabete tienerbruiden uit het platteland van herkomst. Meisjes die in de grote steden van Marokko en Turkije al nauwelijks kunnen integreren, laat staan in de West-Europese.

Ze vormen daarom ook een substantiële belemmering voor de integratie van Nederlandse Marokkanen en Turken als geheel. PvdA-minister van Binnenlandse Zaken Ien Dales zei daarom al achttien jaar geleden dat ‘het lastig soep maken is als anderen voortdurend koud water in de pan gooien’. Het Nederlandse recht verbiedt niemand om met een partner uit zijn land van herkomst te huwen en het huwelijk tussen nicht en neef (of oom) is al sinds 1956 toegestaan. Ondanks de wetenschap dat zo’n verbintenis – zeker als die in de familie vaker voorkomt - een verhoogd risico geeft voor geboorten van kinderen met een erfelijke aandoening. Maar de overheid kan hierover haar bezorgheid uiten en nadrukkelijke voorlichting over het verhoogde risico geven.

Een ander voorbeeld vormt de houding tegenover de Zwitser Tariq Ramadan. Hij werd onlangs tot collega van De Graaf in Leiden benoemd. Niet onomsteden, volgens sommigen hanteert hij een dubbele agenda: tolerant en modern onder niet-moslims, radicaal en intolerant onder moslims. Ik vind dat niet zo’n punt: mensen in de positie van Ramadan moeten nu eenmaal schipperen in het traditionele moslimmilieu. Veel gevaarlijker echter is zijn opvatting dat de ontwikkeling van een Europese islamvariant en daarmee de islamitische integratie afhangt van het Arabisch als taal voor alle Europese moslims. Geluiden die je ook al jaren hoort uit groeperingn als de Arabisch-Europese Liga. Gevaarlijk, want zelfs al aanvaardt een Europese moslim de seculiere, democratische rechtsstaat met de daaraan verbonden mensenrechten, zijn identiteit is in eerste instantie moslim met Arabisch als eerste taal, vervolgens Europeaans en misschien ook een beetje Nederlands, Belgisch, Frans of Duits, maar geen Turks of Marokkaans meer, laat staan Anatolisch of Berbers.

De overheid zou deze onwenselijke ontwikkeling kunnen tegengaan door te stimuleren dat Berbers en Anatoliërs – en Koerden! – meer van hun geschiedenis en cultuur te weten komen. Wetenschappers zouden Ramadan op zijn leeropdracht islamologie kunnen wijzen en in een scherp debat tekeer gaan tegen zijn opvattingen over een toekomstige Europese islam. Dat is geen beperking van academische vrijheid, zoals legalisten beweren, maar uiting van bezorgdheid over een visie die de theologie overschrijdt.

Legalisten zijn meestal niet consequent. Vogelaars ‘de boerka moet kunnen’, zou zich, als de minister haar rechtsfilosofische standpunt volhoudt, ook moeten uitstrekken tot het bespotten van Mohammed en Allah, alsmede tot de ongenuanceerde islamkritiek van Wilders, want de Nederlandse wet staat dat alles toe. Ik zou juist bepleiten dat bespotting en ongenuanceerdheid die de wet toestaat, daarmee nog niet altijd wenselijk ware omdat die uitingen onnodige maatschappelijke onrust kunnen veroorzaken. Maar dat is nu precies het standpunt van de Vogelaars en Cohens inzake de cartoons en Wilders.

Kortom, ze zijn uiterst selectief in hun ‘moet kunnen’-rechtsfilosofie. Tweede Kamerleden probeerden onlangs zelfs vergeefs een legaal ingediende motie van Wilders partij buiten stemming te verklaren omdat de strekking discriminerend voor moslims zou zijn. Stem dan tegen zo’n idiote motie, zou je denken. Dan weet je ook meteen wie er voor stemmen en wie zich onthouden. Want Wilders islamofobie beperkt zich helaas niet tot zijn partij. Neen, een welhaast religieus fanatisme kan zich van Nederlandse politici meester maken als een collega moslims beledigt. Onder belediging van homo’s of vrouwen houden ze meestal het hoofd bewonderenswaardig koel.

Zie Ella Vogelaars opmerking over de boerka. Uiterst onverstandig, want dit kledingstuk kan net als een bivakmuts of een mombakkes een ordeprobleem in de openbare ruimte bieden. Bovendien is dit religieuze kledingstuk voor Nederlandse en Belgische moslims uit een Turkse of Marokkaanse traditie even vreemd als een monokini of een jaeger onderbroek. De boerka is daardoor geen exponent van de godsdienstvrijheid die vanzelfsprekend aan onze gelovigen toekomt, maar juist van de fundamentalistische afwending van de (islamitische) omgeving. Van de fysieke uitsluiting van de omgeving. Ik besta uitdrukkelijk niet voor u. U bestaat uitdrukkelijk niet voor mij. Ik verbind mij liever aan het verre Afghanistan en Saoedi-Arabië dan Turkije, Marokko, Nederland en België.

Toch: ‘Waarom zou de overheid zich met radicalisme moeten bezighouden als dit niet tot geweld leidt?’ Het AIVD-onderzoek toont overigens aan dat fundamentalisten wel degelijk ‘vliegen kwaad doen’. Het neoradicalisme bedreigt volgens de dienst in woord en gebaar de liberale, gematigde moslims, vrouwen en homoseksuelen. Gematigde moslims worden als 'aartsvijanden van God', 'honden' of 'kankergezwellen' aangeduid. Ze voelen zich daardoor belemmerd in het uitoefenen van hun grondrechten. De ‘neoradicalen’ streven er naar ‘geïslamiseerde enclaves in te richten waarin de islamitische wetten gelden boven de wetten van de Nederlandse of Europese overheden (...) Vanuit deze enclaves moeten machtsbolwerken ontstaan die als bruggenhoofd kunnen dienen voor het vergroten van macht en maatschappelijke invloed.’

Een andere observatie van de AIVD is in dit kader boeiend. Tot de politieke strategieën van de neoradicalen behoren namelijk ook pogingen 'heimelijk een entree te vinden in het maatschappelijk middenveld'. Vooral binnen de sociaal-culturele sector proberen salafisten voet aan de grond te krijgen en subsidies binnen te takelen. Volgens AIVD-baas Van Hulst realiseren subsidieverstrekkers zich niet altijd dat salafisten zich, ten onrechte, opwerpen als spreekbuis van de gemeenschap. Nog altijd worden subsidies verstrekt aan radicale groepen. Dat kunnen heel wat lokale Nederlandse (en Belgische, denk ik) overheden in hun zak steken.



August Hans den Boef

August Hans Den Boef

Links
mailto:ahdenboef@euronet.nl
Share |

Nieuwsbrief

Schrijf je in op onze wekelijkse nieuwsbrief door hieronder je e-mailadres in te vullen.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be