Bevrijd ons van de godsdienstvrijheid

essay vrijdag 15 juni 2012

Maarten Boudry

In 2008 meldde de Oostenrijker Niko Alm zich bij de lokale autoriteiten aan voor een rijbewijs. Op zijn hoofd droeg hij een pastavergiet, dat hij weigerde af te zetten voor de pasfoto. Alm hield vol dat zijn religie, de Kerk van het Vliegende Spaghettimonster, een dergelijke hoofdtooi voorschrijft. Iemand dwingen om een religieus hoofddeksel af te zetten, is een inbreuk op de godsdienstvrijheid, zo betoogde Alm. De satirische religie van het Vliegende Spaghettimonster, ook bekend als het Pastafarisme, werd in 2005 opgericht door de Amerikaan Bobby Henderson. Devotionele T-shirts, koffiemokken en andere pastafernalia zijn met luttele muisklikken terug te vinden. Drie jaar na zijn aanvraag stond Niko Alm in vol pastafarisch ornaat op zijn rijbewijs.

In het debat over hoofddoeken en boerka’s, dat onlangs weer oplaaide in de opiniepagina’s, wordt ook regelmatig geschermd met de “godsdienstvrijheid”. Tegenstanders zoals Eva Brems en Wouter Verschelden bedienen zich er (uiteraard) van, maar ook voorstanders van het boerkaverbod zoals Dirk Verhofstadt en Etienne Vermeersch lijken het begrip als legitiem te aanvaarden. Enkel over de toepassing van de godsdienstvrijheid en de afweging met andere grondrechten bestaat onenigheid, niet over het principe zelf. Beide partijen erkennen dat oproepen tot geweld, zoals de heethoofden van Sharia4Belgium doen, de grenzen van de godsdienstvrijheid (ver) overschrijdt. Maar wat met de religieuze voorschriften van het salafisme, de radicale stroming binnen de islam waarin Sharia4Belgium thuishoort? Wat met gescheiden zwembaden, boerka’s en nikabs, vijf keer per dag bidden op het werk, polygamie? Wat met de ondergeschikte positie van de vrouw en de wijdverspreide haat tegen het westen? Moeten die beschermd worden onder het mom van de godsdienstvrijheid?

De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) beschermt de “vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst”. De vermelding van religie is begrijpelijk om historische redenen, niet in het minst de gruwelijke godsdienstvervolgingen doorheen de geschiedenis (in 1995 nog de genocide op de Bosnische moslims in Srebrenica, en vandaag de christenvervolging door het islamitische Boko Haram). Toch is het om verschillende redenen onwenselijk om een apart principe genaamd “godsdienstvrijheid” in het leven te roepen, zoals de Belgische en Nederlandse wetgeving doet, en zoals in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens te lezen valt. Een dergelijke bepaling is niet alleen overbodig, maar ook arbitrair, misleidend en discriminerend, en geeft aanleiding tot inconsistenties.

Dat blijkt willens nillens uit het betoog van Verhofstadt en Vermeersch, die de godsdienstvrijheid op zich erkennen, maar de toepassing in de context van het boerkaverbod ‘ongegrond’ vinden, omdat de grote islamitische rechtsscholen de boerka niet langer verplichten en de Koran de volledige gezichtsbedekking nergens oplegt (zie ook Vermeersch’ grondige studie De islam en de hoofddoek in België). Die feitelijke vaststellingen zijn nuttig om fundamentalisten een koekje van eigen deeg te bakken of om de hand te reiken naar moslima’s die zich vergissen over de inhoud van hun heilige schrift. Toch is het argument misleidend, omdat het de indruk wekt als zou wat de Koran of de grootmoefti’s vertellen enig verschil maken voor de argumentatie pro boerkaverbod. Wat zouden we doen mocht de Koran in niet mis te verstane bewoordingen de volledige gelaatsbedekking voorschrijven? Daar hoeven we onze verbeelding niet erg voor in te spannen: de huidige Koran is voor geen kleintje vervaard als het vrouwenonderdrukking aangaat. Er staat toch al dat mannen ‘zaakwaarnemers voor de vrouwen’ zijn, dat vrouwen slagen verdienen als ze ongehoorzaam zijn en dat ze zich altijd zedig moeten kleden.

Zoals bekend roept het boek ook op tot een gewapende strijd tegen ongelovigen en joden, en tot de doodstraf voor afvalligen en homoseksuelen (net zoals de Bijbel trouwens). De haatpredikers van Sharia4Belgium zouden deze voorschriften graag in de praktijk omzetten. Puur exegetisch hebben ze nog gelijk ook, pijnlijk genoeg: het staat allemaal in de Koran. Moeten we deze ‘eerbiedwaardige’ religieuze voorschriften ook behoeden onder het mom van de godsdienstvrijheid? (als zowel de Koran en Bijbel iets niét voorschrijven, strekt dat veeleer tot morele aanbeveling).

De vrijheid van religieuze expressie wordt ten volle beschermd en gegarandeerd door de andere in de UVRM verankerde vrijheden (in het bijzonder artikels 18, 19 & 20).. Ieder mens heeft de vrijheid om eender welke mening aan te hangen en publiek uit te dragen, met de symbolen en kentekenen die hij of zij zelf kiest, voor zover daarmee geen andere rechten en vrijheden in het gedrang komen. Religieuze meningen en expressies vallen daar automatisch onder en hebben geen speciale grondwettelijke bescherming nodig.

Niet alleen is het principe in de Belgische en Nederlandse wetgeving dus overbodig, maar het verleent ook een voorkeursbehandeling aan mensen die onder het vlaggenschip van een erkende religie meevaren. Ten eerste is dat een vorm van discriminatie ten opzichte van atheïsten, agnosten en spiritualisten, zoals Patrick Loobuyck in De Standaard (9/03/2012) schrijft. Religieuze meningen verdienen niet meer bescherming dan atheïstische of anti-religieuze meningen. Ten tweede is ‘religie’ geen beschermd handelsmerk. Het is een term waarmee we de meest gangbare, wijdverbreide en geïnstitutionaliseerde vormen van bovennatuurlijk geloof aanduiden, met alle bijbehorende praktijken, rituelen en morele codes. De restcategorie duiden we op wat hypocriete manier aan met termen als ‘bijgeloof’ of ‘sekte’. Wil de godsdienstvrijheid wars zijn van discriminatie, dan mag ze niet alleen religieuze meerderheden beschermen, maar ook onorthodoxe en marginale geloofsopvattingen. Een nieuwe vermeende openbaring door Allah of Jaweh, met herziene voorschriften voor de klederdracht van vrouwen, heeft evenveel aanspraak op de beschermterm ‘religie’ als eeuwenoude schriftelijke openbaringen die miljoenen aanhangers kennen.

De afbakening van het fenomeen ‘religie’, noodzakelijk om de godsdienstvrijheid gestalte te geven, is voor een groot stuk nattevingerwerk. In de meeste ongeletterde culturen bestaat er geen woord voor. Mensen overal ter wereld zoeken contact met geesten, heksen of met overleden voorouders, kennen rituelen en magie, en vertellen verhalen over bovennatuurlijke gebeurtenissen. Het begrip ‘religie’ kennen ze echter niet. Noch het geloof in een hiernamaals, noch een scheppingsverhaal, noch het geloof in almachtige of eeuwige wezens is cultureel universeel. Een zelfbewuste ‘religie’ ontstaat pas wanneer een geestelijke elite, doorgaans in agrarische en geletterde samenlevingen, de wildgroei aan bovennatuurlijke overtuigingen en praktijken codificeert en een bepaalde doctrine aan een gemeenschap probeert op te leggen. Meestal gebeurt dat trouwens met wisselend succes. Niet alleen kampen alle religieuze leiders met voortdurende schisma’s en ketterijen, maar gelovigen vallen ook voortdurend terug op meer intuïtieve en minder abstracte geloofsovertuigingen, die door de elite als ‘bijgeloof’ of ‘afgoderij’ worden verguisd.

De voorstelling van ‘religie’ als sui generis categorie is een uitvinding van theologen en geestelijke leiders. Daarom is de zoektocht naar (proto-)religies van primitieve culturen, een institutionele tegenhanger voor wat wij ‘religie’ noemen, eigenlijk een vruchteloze onderneming. De ontstaansgeschiedenis van gevestigde religies illustreert eveneens de vage grenzen van het begrip. Jezus was destijds een onbeduidende profeet die het einde der tijden predikte, zoals er dertien in een dozijn waren. Zijn kleine schare volgelingen zou vandaag als een ‘sekte’ doorgaan. Door een samenloop van omstandigheden gingen enkele volgelingen met Jezus’ nagedachtenis aan de haal en ontstond een wereldreligie. Rond 1820 bezocht de engel Mormoni een zekere Joseph Smith en leidde hem naar een boek met gouden platen, dat de Christelijke geschiedenis van Amerika beschrijft en dat nadien op even mysterieuze als convenabele manier in rook opging. Smith publiceerde de vertaling van het verdwenen boek, en aldus ontstond het Mormonisme, de religie die de huidige Republikeinse presidentskandidaat Mitt Romney aanhangt.

De privileges die het woord ‘religie’ geniet, in een sterke interpretatie van de godsdienstvrijheid, leiden tot absurde situaties. Halverwege de vorige eeuw ontwikkelde de sciencefiction auteur Ron L. Hubbard een nieuwe vorm van psychotherapie, Dianetics genaamd, die peilt naar herinneringen uit vorige levens. De medische wereld beschuldigde Hubbard van kwakzalverij en veroordeelde hem voor onwettige uitoefening van de geneeskunde. Toen hij tot bankroet werd gedreven, bedacht Hubbard een briljante zet. Dianetics bleef voortbestaan maar werd omgedoopt tot een ‘religie’ en heette vanaf nu Scientology. Prompt maakte de Amerikaanse godsdienstvrijheid haar schier ongenaakbaar, en enkele jaren later kon Hubbard profiteren van de belastingsvrijstelling die elke ‘religie’ in de V.S. te beurt valt. Door die semantische vrijbuiterij kan eender wie eender welke praktijk tot zijn ‘religie’ uitroepen en daar een bijzondere vorm van respect voor afdwingen. Zet een spaghettivergiet op uw hoofd en verhef de handen ten hemel, en een bijzonder ‘respect’ zal uw deel zijn. Iemand die vrouwen weigert de hand te schudden omdat het onreine wezens zijn, noemen we onbeschoft en seksistisch. Waarom zouden we dat plots vergoelijken als hij met een 7de-eeuws boek komt opzetten?

Niemand kan op voorhand voorspellen welke profeten, openbaringen en doctrines zullen uitgroeien tot een mainstream religie. Met enige polemische overdrijving schreef de Amerikaanse auteur Robert Pirsig ooit: “Als één iemand aan een waanvoorstelling lijdt, noemen we dat een geestesziekte. Als meerdere mensen aan de waanvoorstelling lijden, dan noemen we het religie.” De antropoloog Pascal Boyer verdedigt zelfs de stelling dat ‘there is no such thing as religion’ (had John Lennon dat geweten). Er zijn enkel bovennatuurlijke wezens, verhalen, rituelen, taboes en morele codes, in regel zonder duidelijke samenhang noch uniforme doctrine. In sommige geletterde culturen ontstaat er een institutionele bovenbouw met een identitair bewustzijn, en dan spreken we van een ‘religie’.

De grenzen tussen verschillende ‘religies’ afbakenen is eveneens een oefening in casuïstiek. Is het katholicisme een religie, of enkel het christendom? Maar wat met de Oosters-orthodoxe Kerk, die zich eveneens ‘katholiek’ noemt, vanwege haar geloof in de apostolische successie? Volgens vele Evangelische christenen zijn de katholieken zo’n dwaallichten dat het niet eens christenen zijn (sommigen denken zelfs dat de paus de Antichrist is). Behoort het Mormonisme tot het christendom, of is het een aparte religie? En wat met de hybriden tussen Afrikaans animisme en christendom? Een kat vindt er haar jongen niet in terug. In het licht van al die problemen, is de officiële erkenning van bepaalde godsdiensten door de Belgische staat arbitrair en op termijn een onhoudbaar, al zou die argumentatie een apart stuk vergen. In een liberale rechtsorde moet de staat bepaalde vormen van bovennatuurlijk geloof geen bevoorrecht statuut verlenen, laat staan subsidies toekennen en lonen uitbetalen aan haar vertegenwoordigers.

Tot slot verzandt de godsdienstvrijheid in paradoxen. Wat als je religie voorschrijft dat je niet van religie mag veranderen? Zowel in het Oude Testament als in de Koran worden afvalligen en ketters tot de doodstraf veroordeeld. Moslims die de islam verlaten en openlijk bekritiseren, zoals Ayaan Hirsi Ali, Ibn Warraq (een schuilnaam) of Taslima Nasrin, kunnen dat aan den lijve ondervinden. Gelukkig garandeert de UVRM expliciet de vrijheid om uit een religie te stappen.

Met hun voorbeelden van religieus naturisme en SM-ideologie tonen Verhofstadt en Vermeersch zelf aan dat het concept godsdienstvrijheid in een handomdraai kan uitgehold worden. Ik nodig hen uit om nog een stap verder te gaan. Laten we het principe van de godsdienstvrijheid afzweren en oplossen in bestaande grondwettelijke vrijheden. Meningen verdienen bescherming, ook schijnbaar absurde, schokkende of kwetsende meningen, en ook zogenaamd ‘religieuze’ meningen en hun uiterlijke symbolen (zij het begrensd door andere vrijheden). Maar religie an sich behoeft geen speciale bescherming. Daar zorgt God wel voor.


De auteur is FWO - Doctoral Researcher - Ghent University - Dept. of Philosophy & Moral Sciences

Maarten Boudry

Links
mailto:maartenboudry@gmail.com
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be