|
De januskop van de ‘vooruitgang’ Progressief en conservatief zijn termen die gemakkelijk over de tong rollen. Ze doen voor velen dienst om er zich een identiteit mee aan te meten. Waar wijzen die woorden echter op en dekken ze altijd de lading? ‘Ik ben progressief’ wijst op jong en ruimdenkend zijn. Met het epitheton ‘conservatief’ merkt men zichzelf eerder op fluistertoon aan. Voor het overige is het vaak een scheldwoord of een stigma om iemand als oubollig in het defensief te drukken. Conservatisme, is dat immers niet de ‘reactie’, het slechts ageren tegen het nieuwe door een beroep te doen op het oude en vertrouwde? Daarom is de nachtmerrie van veel politici vandaag om zo te worden gebrandmerkt. De termen progressief en conservatief zijn op de keper beschouwd nochtans waardenvrij. Ze kunnen doel, middel of beide aanduiden. Het kan gaan om inhoud of attitude. Ze zijn vooral in hun oogmerken relatief, want al naar persoon, tijd of plaats kunnen ze een andere invulling krijgen. Eigenlijk zijn beide houdingen, want dat zijn ze in essentie, bij iedereen terug te vinden. De spoorwegen van de geschiedenis De Zweedse literatuurhistoricus Thomas von Vegesack schrijft terecht in De intellectuelen, zijn studie over het fenomeen van het intellectuelendom sinds eind negentiende eeuw, dat de linkse intelligentsia haar weg altijd wel als de enige historisch juiste richting aangewezen heeft, maar vaak genoeg de gevangene is geweest van precies haar engagement. Dat heeft haar niet minder verblind dan andere dwalingen dat hebben gedaan met de andere 'rechts' genoemde of zichzelf zo noemende zijde. Bovendien komen utopie aan de ene kant en zin voor realiteit aan de andere allerwege voor, bij uit de bol gaand nationalisme niet meer of minder dan bij rode wereldhervormers, bij progressieve enthousiastelingen even goed als bij reactionaire kniesoren. Vegesack haalt de vaak gebruikte vergelijking aan van de linkse beweging van radicale maatschappijhervormers als ‘de trein van de geschiedenis’. Alwie daar niet opsprong, was dus niet mee met de geschiedenis. De lijst van wie zich allemaal als treinbestuurder heeft opgedrongen, doet alvast hopen dat er voortdurend iemand aan de noodrem blijft staan. Volgens von Vegesack kunnen ware intellectuelen geen medereizigers worden omdat zij zowel de richting van de reis als de voorwaarden waaronder deze plaats vindt ter discussie moeten stellen. Daarom noemde Fidel Castro hen even wantrouwend als misprijzend ‘zwartrijders op de tram van de geschiedenis’. Vooruitgang, progressiviteit, moderniteit: het zijn begrippen die velen vandaag, net als gisteren, vervullen met hoop en het gevoel bij de juiste partij te horen. Ze staan inderdaad voor emancipatie en ontplooiingskansen, die nooit helemaal zullen bereikt zijn. Altijd blijven er nieuwe uitdagingen over. Bovendien zit de ene emancipatie de andere geregeld in de weg, wat het emancipatieverhaal er niet eenduidiger op maakt. Want moet je fundamentalistische gelovigen de vrijheid laten om tekeer te gaan tegen homo’s en vrijgevochten vrouwen? Geeft echter een conservatieve reflex onvermijdelijk niets anders dan duistere reactie en muffige stagnatie te kennen? De geschiedenis toont dat elk van beide tendensen konden staan voor fenomenen die de mensheid gediend en geschaad hebben. Ze konden verwijzen naar doel of middel en zo voor verwarring en misverstand zorgen. Met het monopolie op de vooruitgang is ook het monopolie op het goede of slechte geweten verloren gegaan. Het progressisme à la gauche heeft dat, met de morele superioriteit die ze claimt, nog onvoldoende begrepen. Evenmin willen zijn adepten het alleenrecht op de term 'progressief' uit handen geven. De trein van de geschiedenis zou dus maar over één spoor bollen. Met dezelfde beeldspraak wordt ook zo’n parmantige houding aan de andere zijde wel ’s aan de kaak gesteld. Joseph Stiglitz, voormalig econoom bij de Wereldbank, adviseur van eertijds president Bill Clinton en pleitbezorger van een ‘andersglobalisme’, heeft het niet zo begrepen op de eigenwijze houding van het IMF: diens weg van harde monetaire en fiscale saneringen beschouwt ze als de enig juiste en elke afwijking daarvan loopt uit op een ‘ontsporing’. De status quo in de maalstroom De Engelse politicus en schrijver Edmund Burke lanceerde in 1790 met zijn Reflections on the Revolution in France het eerste conservatieve manifest. Daarvóór was er nooit nood geweest aan een consistente ideologie die het belang van traditie en behoudsgezindheid in politiek en maatschappij verdedigde. De politieke orde wás gewoon statisch. Natuurlijk hadden er ook vóór de Franse Revolutie wel opstanden plaats gehad. De Noordelijke Nederlanden hadden de eeuw daarvoor het juk van de Spaanse koning voor goed van zich weten af te schudden en hadden een voor die tijd opmerkelijk democratische republiek gesticht. De Engelsen hadden hun vorst Karel I zelfs onthoofd en, na een periode van restauratie, zijn nazaat Jacobus II in 1688 voorgoed verjaagd om in de plaats een parlementaire monarchie te installeren. Burke steunde dat ook wel en met zijn pleidooien voor het goed recht van de dertien opstandige kolonies in Noord-Amerika, Ierland en India, geen enthousiaste gebiedsdelen van een overigens florerend British Empire, nam hij voor zijn tijd en omgeving zelfs opmerkelijk onconventionele standpunten in. Maar zijn Engelse revolutie had zich gebaseerd op bestaande constitutionele tradities die een tegengewicht voor de vorst waren geweest. Revolutie was in dat opzicht herstel. Revolutie betekent inderdaad ‘het terugdraaien’. Op die manier hadden ook de Nederlandse en andere opstandelingen in Europa zich gebaseerd op eeuwenoude, door hun koning met de voeten getreden vrijheden. De Franse revolutionairen, die Burke noopten tot het uitwerken van zijn conservatieve doctrine, zagen hun revolutie echter even goed als het rechtzetten van een sinds onheuglijke tijden verloren gegaan evenwicht met de antieken als ideaalbeeld voor ogen. Had hun grote voorbeeld Jean-Jacques Rousseau ook niet gesproken van een eertijds idyllisch bestaan dat gecorrumpeerd was geraakt door de toenemende civilisatie? Essentieel is echter dat Burke met zijn introductie van een uitgesproken apologie van het behoud als principe dit beginsel zelf tot een bediscussieerbaar deel maakte van een debat, dat er mee de evoluties van moest ondergaan. Of is het niet verbazingwekkend en koddig tegelijk de christen-democraten vandaag het homohuwelijk te horen verdedigen in naam van de gezinswaarden? De paradox van doel en middel Hoe tegengesteld doel en middel kunnen zijn en hoe de eenvoud van de begrippen 'behoudend' en 'vooruitstrevend' slechts berust op schijn, daarvan getuigt een rit tegen de tijd in. En dan maar meteen naar de aanzet tot onze moderniteit en de geboorte van het individu. De vernieuwing die de Renaissance sinds het quattrocento in Italië en daarna in heel Europa gebracht heeft, werd op het einde van de zestiende eeuw en in de eeuw daarna tegelijk voortgezet én afgeremd door de Contrareformatie en haar Barok. De architectuur bouwde verder met de vormentaal van de Oudheid, die de twee eeuwen daarvoor hadden herontdekt en tot canon verheven. De schilderkunst van Rubens en zijn tijdgenoten exploreerde verder de mens in zijn anatomische glorie en verleende de rest van de schepping een ongeziene energie. Maar tijdens de Barok werd niet meer zozeer gebouwd en ontworpen voor de vrije burgers van kosmopolitische steden, Holland en de Noord-Duitse steden niet te na gesproken, maar voor Kerk en Staat, voor de hoven van prelaten en vorsten. Die mochten het over veel niet eens zijn, maar waren dat wel over de heilige orde van troon en altaar na het Concilie van Trente van 1545 tot 1563. Het individuele geweten werd vervangen door een van bovenaf opgelegd collectief geloof, met alle punten en komma's. De protestantse vorsten deden dat in hun gebieden eveneens. Cuius regio, illius et religio, zoals het sinds de Vrede van Westfalen in 1648 heette. Niet alleen aan katholieke zijde verstrakte de greep van theoloog en beul. Het humanisme zette in de vijftiende en zestiende eeuw een lijn uit die uiteindelijk in de zeventiende eeuw werd omgebogen. Desiderius Erasmus vond het christelijk humanisme te waardevol om onder een vlag van vroomheid haar fundamentele principes van menselijkheid in bloed te smoren. Michel de Montaigne verhief, vanuit het besef van 's mensen beperkte kennis én zijn aanleg tot rationaliteit, twijfel en kritische overweging tot principes. Francis Bacon weigerde zich op iets anders te steunen dan proef en ondervinding. Hij droomde van een heerschappij van wijzen die over alle landsgrenzen heen hun bevindingen met elkaar zouden uitwisselen. Hij formuleerde zelf al iets van de conservatief-progressieve paradox door te stellen dat zijn tijd eigenlijk de 'oudste' was. Ze resulteerde immers uit de ervaring van alle eeuwen daarvoor. De wetenschappelijke vooruitgang waaraan hij trachtte bij te dragen, zou bovendien het bestaande politieke systeem helpen handhaven. Bacon, maar even goed Erasmus, Montaigne en anderen van hun tijdgenoten democraten noemen, zou dus getuigen van een misverstand over de aard van hun tolerantie en moderniteit. Maar dat verandert niets aan de revolutionaire en verstrekkende betekenis daarvan. Aan wat zij aan avant-gardisme presteerden, gingen ambachtslieden en boeren echter vollédig voorbij. Zij vereenzelvigden zich eeuwenlang met de waarden van een na Reformatie en Contrareformatie weer versterkte kerk, koning en adel. Ze waren conservatief, hielden vast aan hun oude gebruiken, die nochtans vaak rustten op een stratum van oeroud heidendom, keken op naar hun meerderen en keerden zich af van alle vernieuwingen. Van toen al moet het misprijzen van meer dynamische burgers en intellectuelen voor de ‘gewone man’, gevangen in zijn ‘reactionaire onwetendheid’, dateren. Elitair links heeft aloude wortels. Terwijl deze drie humanisten nog essays hadden geschreven over uiteenliggende thema's die een tot dan ongeziene frisheid en durf vertoonden, kwamen woord en geschrift onder toenemende controle van de zowel reformatorische als contrareformatorische behoeders van de orthodoxie. De tekstkritiek, door pioniers als een Erasmus ontwikkeld, werd verdergezet door onder meer Zuid-Nederlandse jezuïten rond Johannes Bollandus, de zogenaamde 'bollandisten'. Ze moesten overleveringen over heiligen controleren op waarheid en fictie. Het opzet bestond er echter niet in om de heiligenlevens naar het rijk der mythen te verwijzen. Integendeel, omdat ze juist hoogst serieus werden genomen, mochten ze niet gecorrumpeerd blijven door onwaarheden. Als we de Engels-Amerikaanse filosoof en historicus Stephen Toulmin mogen geloven, ontwierp René Descartes zijn rationalistisch filosofisch en wetenschappelijk systeem om met het primaat van ratio en politiek de godsdienstoorlogen, die toen Frankrijk net als andere delen van Europa teisterden, te doen ophouden. Hij wilde dus te veel twijfel en verschil van mening uit de wereld helpen. Na de dood van Hendrik IV kwamen een zekere mate van religieuze tolerantie en pacificatie in Frankrijk immers weer op de helling te staan. In 1637 leverde Descartes met zijn Discours de la méthode hét model van het rationalisme. Hij wilde denken tegen traditie en tegen elke autoriteit in. Dit denken moest universeel zijn, aan plaats noch tijd gebonden. De formule 'ik denk, dus ik ben' heeft zodoende iets emanciperends, maar tegelijk iets dwingends. Het steunt voor een deel op de humanistische erfenis, maar wil ook een autoriteit vestigen boven het individu met zijn overwegingen en speculaties. Het correct gedachte wordt dé waarheid die geen andere opvattingen naast zich duldt. Montaignes tastende twijfel is niet meer van tel. Tijdens een novembernacht in 1619 bekruipt Descartes een idee die hem noch komende generaties loslaat. Hij is dan als militair gelegerd in Duitsland, dat verscheurd wordt door de zowel religieus als politiek geïnspireerde Dertigjarige Oorlog. Nooit, zo stelt hij vast, is er zoveel perfectie in wat door meerdere meesters is samengesteld als in dat van één schepper. Steden die doorheen de tijd zijn gegroeid vind hij lelijk in tegenstelling tot wat één ingenieur rationeel construeert. Het gaat Descartes hier slechts om een metafoor voor wat hij met de filosofie wil ondernemen: de wereld denken vanuit één geest, die naar vorm en inhoud bij elk rationeel wezen dezelfde moet zijn. Maar menig metafoor gaat al eens een eigen leven leiden en de historische en maatschappelijke consequenties van deze gedachtegang zijn niet te overzien. Zijn intellectuele tabula rasa, het afschudden van elke 'autoritaire' overlevering en van al het historisch gegroeide zet latere ideologische 'architecten en ingenieurs' ertoe aan niet slechts steden, maar hele maatschappijen te ontwerpen. Het idee van de maakbaarheid op alle gebieden heeft radicaal zijn intrede gedaan. Om bij de metafoor van Descartes te blijven: de volgens modernistische principes geconstrueerde steden, wijken en gebouwen geven een aanschouwelijk beeld van de ontzieling waaraan ze hebben bijgedragen. Ze zijn vandaag het gebetonneerde getuigenis van de mislukking van de maakbaarheidspolitiek van de 'verlichte' en 'vooruitstrevende' geesten een paar decennia terug en van het hele mensbeeld dat eraan ten grondslag lag. Heden ten dage heet het daarentegen weer progressief en trendy te zijn terug te keren naar authenticiteit en die daar waar ze geschonden is zoveel mogelijk te herstellen. Die spanning bestond in de hoogdagen van het modernisme al toen 'klein links' verzet aantekende tegen 'groot links', de groene progressieven tegen de rode. Wie ging er dan eigenlijk vooruit? Kan je in twee verschillende richtingen vooruit gaan? En de anderen, gingen die dan achteruit? Het ligt er maar aan waar je horizon, dat onbestaand fenomeen dat iedereen nochtans ziet, gelegen is. Descartes’ rationalisme heeft in menig opzicht vernieuwing ten goede en de toename van het menselijk kennen en kunnen gediend, maar was op zijn beurt een statische visie met al te rigoureuze, soms monomane trekjes. Vooral de opvatting, die uit deze en aanverwante denkwijzen groeide, als zou het inrichten van een samenleving en het doorhakken van politieke knopen een technisch probleem als een ander zijn, werd een politieke erfzonde. De platoonse droom van het realiseren van 'de' eeuwige en als enige geldige waarheid kreeg regelmatig nieuw leven ingeblazen. Een andere rationalistische grootheid als Isaac Newton formuleerde theorieën die zowel het heelal als de religieuze, maatschappelijke en internationaal-statelijke orde fundeerden. Maar de prijs die beiden betaalden, was het opgeven van een rijkdom aan gedachten door een nog maar net 'n beetje vrijgevochten mens. De puritein Newton beschouwde andersgelovige christenen, laat staan niet-christenen, nauwelijks als mensen en verlustigde zich in de vervolging en foltering van katholieken en ‘heksen’. Met zijn rationalisme was een nieuw conformisme geboren. Angst voor de vrije geest en voor het ongecensureerde denken had zijn intrede gedaan met de godsdienstoorlogen. Aan dit bloedige gebeuren werd toen de verkeerde oorzaak gekoppeld: vrijdenken, terwijl de onverdraagzaamheid ten aanzien daarvan het probleem vormde. De middelen van de nieuwe tijd waren wel overgenomen en werden zelfs verder ontwikkeld, maar ze dienden nu andere, tegengestelde doelen als voorheen. Het ging niet meer om het non-conformistisch toetsen van de bestaande toestand, maar om het bouwen en ondersteunen van een nieuwe orde. Aan die nieuwe orde bouwden Descartes en Newton mee. Was het de eerste keer dat een ‘modern antimodernisme’ ten tonele verscheen? In elk geval niet de laatste keer. Niet alleen zetten conservatieve machten moderne middelen in, maar middel en doel waren zelden onverbrekelijk met elkaar verbonden en vielen toch niet altijd als 'middel' en 'doel' te onderscheiden. De Franse Revolutie voltooide de centralisatie in Frankrijk die uitgerekend door de monarchie, een conservatieve macht, begonnen was tegen de adel in. Deze wist die politieke vernieuwing niet te smaken omwille van het machtsverlies dat er voor haar mee gepaard ging. De Revolutie maakte beide, zowel koning als adel, een kopje kleiner. Maar vele boeren hadden zich dan weer bij de revolutie aangesloten als reactie tegen precies de commercialisering van de landbouw en dus de toenemende greep van een nieuwe, ‘burgerlijke’ en ook de adel aanvretende mentaliteit op het platteland. Het Congres van Wenen in 1815, het bal der reactionairen, bracht op zijn beurt het absolutisme weer op de troon, maar werkte verder met de instellingen en het instrumentarium dat de Franse Revolutie en Napoleon gebracht hadden. Het moderne nationalisme, dat zoveel bloed en tranen heeft doen vloeien, is geboren uit de 'verlichte' Franse Revolutie. Van toen af aan waren Frankrijk en andere staten immers niet langer een verzameling onderdanen onder een vorst, maar burgers die met elkaar een natie vormden. Of meer nog: leden van een ‘bloedgemeenschap’. Zij die zich later ophielden in de wereld van kunst en wetenschap bereikten soms niet minder paradoxale resultaten. Sigmund Freud wilde rond de vorige eeuwwisseling de wetenschappelijke vooruitgang bevorderen door in positivistische traditie de psyche te onderzoeken en kwam, ongewild, bij het irrationalisme en zijn opwaardering uit. Al heeft hij die obscure conclusies zelf niet onderschreven. Het Jugendstil-gebouw van de Postsparkasse te Wenen van zijn tijdgenoot Otto Wagner toonde een moderniteit van stijl en bouwtechniek in opdracht van de reactionaire, antisemitische en toch volkse christelijk-sociale beweging van Oostenrijk, die zich afzette tegen het liberale establishment in de politieke en zakenwereld. Haar voorman was de populist Karl Lueger, burgemeester van Wenen en in heel wat opzichten voorloper van Jörg Haider, die zich dan weer liberaal noemt. Keizer Franz-Joseph weigerde als representant van een aristocratisch conservatisme tot op het laatst een reactionaire nieuwlichter als 'der schöne Karl', zoals ze hem noemden, te benoemen. Ondertussen verliet het expressionisme een burgerlijke wereld, die de staat van ontbinding was ingetreden, en liet zelf in zijn anticivilisatorische én mondernistische ijver een voorcultureel en voormodern elementarisme zien. Tijdens het interbellum poogde de katholieke kerk aan te sluiten bij de moderne tijd, waartegen ze zich nochtans heel de negentiende eeuw door had verzet. Vanuit het Vaticaan werd toen een 'lekenbeweging' opgezet. Deze beweging wortelde in het van de moderniteit afkerige ultramontanisme, maar had modernisering qua stijl en aanpak in het teken van uitgerekend een herkersteningsbeweging op het oog. In Vlaanderen gaf dit aanleiding tot de oprichting van de Pelgrim-groep, katholieke kunstenaars die een Vlaamse variant ontwikkelde van de nieuwste kunststroming van toen, de art déco. Een architect als Jef Huygh gaf mee vorm aan vernieuwende Vlaamse architectuur van de jaren twintig en dertig. Inhoudelijk handhaafde de Kerk, niettegenstaande tactische soepelheid op politiek terrein, haar integristische instelling tot het tweede Vaticaans concilie van 1962-1965. Het moderne karakter van Mussolini's Italië en Hitlers Duitsland is reeds lang erkend. Hun mengsel van reactie en vernieuwing, hun 'reactionair modernisme’, is intrigerend. De cultuurpolitiek van de fascistische staten was niet vrij van dubbelzinnigheden. Ze waren niet álle kunstenaars uit de Weimar-tijd ongenegen, hoeveel vernieuwers ze toen ook als ‘entartet’ vervolgden. Modernistische architecten als Walther Gropius en Ludwig Mies van der Rohe op hun beurt wilden met de nieuwe machthebbers ‘mitmachen’, zoals de Duitse historicus Reinhart Koselleck opmerkte. De opdracht voor de Rijkspartijdagen, waar ze naar meedongen, ging echter naar Albert Speer, die modernisme met neoklassieke monumentaliteit wist te verzoenen. Goebbels wilde met de in zijn ogen rode Bauhaus-groep niets te maken hebben en na een half jaar verlieten de afgewezenen tenslotte Duitsland. In Paul Hindemiths opera en latere drieluik voor orkest Mathis der Maler klonk een ode aan de altdeutsche kunst in nieuwe, maar tegelijk 'zielsverwante' klanken. De nieuwe meesters van Duitsland zochten naar een eigen invulling van de ‘nieuwe muziek’ en een alternatief voor de ‘joodse’ afwijking van Schoenberg en zijn dodekafonie. Hindemith viel echter in ongenade omwille van zijn communistische sympathieën van voor 1933. Maar ook bij Carl Orff en zelfs de Fin Jean Sibelius meenden de nazi’s de juiste toon aan te treffen. Collabo's als Robert Brassillach, Ferdinand Céline en Knut Hamsun waren, en blijven tot op vandaag, hooggeschatte vernieuwende auteurs. Thomas S. Elliot, één van de boegbeelden van de Engelse literaire avant-garde, flirtte evenals de Ierse bard William Butler Yeats met het fascisme. De Italiaanse futuristen, met Marinetti op kop, verheerlijkten snelheid en machine en vonden dat de kunst van voorheen maar beter werd vernietigd. Niet weinigen onder hen onderhielden hartelijke banden met de voormalige marxist en tot Duce geëvolueerde Mussolini en de zijnen, die de liberale samenleving evenals zij voor vermolmd en afgedaan verklaarden. Tijdens het interbellum beantwoordden de nieuw-rechtse stromingen voor velen aan de politieke pendant van avant-garde en jeugdigheid. Burgerlijkheid was muf, democratie saai en versleten, mensenrechten golden als een overgeleverd stuk bijgeloof uit vervlogen tijden. De Duitse jeugdbeweging, de Wandervögel, verheerlijkte natuur en de ongerepte volkscultuur. Aanvankelijk stelden de Wandervögel zich pacifistisch op. Met de stadscultuur van hun bourgeois ouders wilden ze niets te maken hebben. Ze waren de hippies en folkfreaks van hun tijd. Evenmin als de latere hippies en provo's, die prat gingen op hun progressisme, waren ze onverdeeld gewonnen voor de moderniteit. Uiteindelijk vormden ze een reservoir voor het nazisme. 'De volksvreemde jood' misprezen zij evenzeer als degenen die hun beweging opslokten. Het lijkt erop dat het streven om de moderne mens en samenleving voorbij te streven, vaak neerkomt op een cirkelbeweging. Daarmee beland je in bepaalde opzichten in voormoderne situaties. Op goede gronden mag de gecanoniseerde 'progressie' meer dan eens regressie heten. Fascistisch Italië en nazi-Duitsland ontpopten zich als verzorgingsstaten. Ze waren er door en voor de massa, die de conservatieven van daarvoor nog zo veracht en gevreesd hadden. Deze regimes paarden historische mythologie aan ijzige berekening in hun organisatie, militaire ontplooiing, optochten, spektakels en architectuur. En het ergste moest nog komen: de kampen van Himmler deden als ware vernietigingsfabrieken in efficiëntie niet onder voor de gestroomlijnde productielijnen die Ford enkele jaren daarvoor voor het eerst had opgezet. IBM ontwierp voor de uitvoering van Hitlers jodenpolitiek een registratiesysteem zonder hetwelk we nu misschien niet over miljoenen slachtoffers zouden moeten spreken. Tevoren had een ‘wetenschappelijke’ rassenkunde, die te werk ging met soortgelijke classificaties en methoden als de andere disciplines, ‘ziektehaarden’ en ‘kankers’ in het ‘volkslichaam’ ontdekt die er ook daadwerkelijk toe hebben aangezet die smetten ‘chirurgisch’ te verwijderen. Opnieuw stroomden wel de instrumenten, maar niet de oorspronkelijke bedoelingen van goedmenende pioniers van de wetenschap door. Intellectuelen die ook in Vlaanderen aanhanger waren van de Rechtse Revolutie tijdens het interbellum gingen door voor vertegenwoordigers van een jeugdig en op de toekomst gericht elan. Binnen het socialisme in België en Frankrijk klonken stemmen die pleitten voor een nieuw socialisme zoals bij de oosterburen. Toen de CVP in 1945 uitpakte met een vernieuwend programma, dat mee de aanzet gaf tot de naoorlogse gemengde econonomie en verzorgingsstaat, teerde ze daarbij deels op de corporatieve ideeën van de jaren voor de oorlog. Ze gold daarbij als vernieuwend. Antimoderne doeleinden hullen zich bijwijlen in een heel modern gewaad, dat niet zozeer als verhulling maar vooral als wapen wordt gebruikt. De katholieke kerk die in meerdere opzichten sympathie had betoond voor de ultrarechtse ideeën, bewegingen en regimes, kantte zich vanuit diezelfde antimoderne houding tegen de uit de moderne wetenschap voortgekomen eugenetica, die de nazi's in haar meest gruwelijke vorm toepasten. De rassenleer had zijn wortels in zowel eeuwenoud religieus antisemitisme en xenofobie, nationalistische denkbeelden van de romantiek als in het negentiende-eeuwse positivisme, tendenzen die met elkaar een fatale verbinding aangingen. Vandaag pleitten ook zij die wél geloven in een open samenleving voor voorzichtigheid tegenover wat als 'medische vooruitgang' wordt aangeboden. De confrontatie vandaag van vrijzinnigen en gelovigen over een thema als euthanasie geeft aanleiding tot niet minder opzienbarende paradoxen. De kerk die voorhoudt dat de mens niet beschikt over zelfs zijn eigen leven en dood in de extreme omstandigheden van uitzichtloos lijden, vindt wel dat diezelfde mens met alle mogelijke middelen, met een eigengereidheid die Prometheus en Faust samen doet verbleken, met een medische spitstechnologie, waar ze anders groot voorbehoud tegen maakt, een leven gerekt wordt dat bij een natuurlijke gang van zaken al lang een einde had gekend. Uitgerekend de vrijzinnige zijde - nochtans door geen taboe over het doorgronden van de schepping geremd - pleit hier voor een gelaten en bescheiden aanvaarden van het einde in omstandigheden die dan tenminste beantwoorden aan de wens van de patiënt. Wie zit hier op de trein van de vooruitgang en wie niet? 11 september 2001 maakte nog eens duidelijk dat ultraconservatief religieus fundamentalisme niet vies is van geavanceerde middelen om het 'goddelijke' doel te bereiken. Het begrip fundamentalisme is trouwens interessant op zich. Het dateert uit de twintiger jaren van de twintigste eeuw, toen bijbelvaste christenen in Amerika naar de letter van de Heilige Schrift wilden leven. Fundamentalisme is zich beroepen op een verleden, op een nulpunt waarop een heilige en eeuwige code werd vastgelegd. Naar deze meridiaan van het denken wordt het ganse leven dan geacht zich te richten. Dit gesanctioneerd historisch erfgoed houdt de hele toekomst in zijn ban. Alle vernieuwingen die latere tijden kunnen bieden staan in dienst van dat ijkpunt. De Amerikaanse historicus Modris Eksteins gaat nog een hele stap verder. Hij definieert het modernisme zelf als een gebrek aan integratie. Op deze desintegratie waren fascistische stromingen een antwoord. In een wereld die te complex is geworden om nog objectief gekend te kunnen worden, laat het leven zich beleven als een kunstwerk vanuit het eigen bestaan. Snelheid, beweging, dynamiek maken het leven spannend. De Duitse samenleving van voor 1914 vertoonde al geen eigen politiek bewustzijn onder haar burgers en het individu sloot er zich op in een gecultiveerde ‘innerlijkheid’. ‘Von Macht beschützte Innerlichkeit’ luidde de gevleugelde formule van Thomas Mann om een geestrijk leven zonder politiek verantwoordelijkheidsgevoel bij zichzelf en zijn landgenoten mee aan te duiden. Na 1918 kwam deze ‘Innerlichkeit’ allerwege centraal te staan. Daarmee werd Duitsland, aldus nog steeds Eksteins, hét land van de moderniteit. Zijn levenshouding werd verpersoonlijkt door een Ernst Jünger, die de moordende slag zonder doel een esthetische zin gaf. Een conservatieve gerichtheid op waarden en normen als rotsen in de branding koesterden nazisme en fascisme evenmin. Morbiditeit en het leven boetseren als een nihilistisch kunstwerk, is dat modern? Rede, vrijheid, gelijkwaardigheid, secularisatie en democratie zijn dat dus niet, of waren het ooit en daarna niet meer? Is moderniteit dan een volstrekt relatief begrip? Het blijft een ongemakkelijke gedachte, zo ze al te binnen schiet, dat modern en antimodern, progressief en conservatief, links en rechts niet noodzakelijk waarden als goed en kwaad vertegenwoordigen. Waarvoor staan die begrippen dan wel? Niet voor de in se historisch bepaalde en beperkte termen die 'vooruit' of 'achteruit' wijzen. Nooit bestaat er zoiets als een 'louter' technisch probleem dat opgelost raakt naarmate de ‘vooruitgang’ winst boekt. Formule en attitude Progressisme en conservatisme zijn niet alleen ideologische formules, maar kunnen ook staan voor een attitude. Communisme is een tot systeem verstard toekomstbeeld van een aards paradijs dat uitmondt in een hel, conservatisme als ideologie tracht 'eeuwige' waarheden te poneren die ook maar tijdsgebonden opvattingen blijken te zijn. Maar tegen dergelijke stolling van politieke gedachten tot wereldvreemde en mensvijandige ideologieën is het mogelijk dat zowel vooruitgangsdenken als respectvolle, voorzichtige omgang met ervaring en positieve verworvenheden elkaar als levenshoudingen aanvullen en in evenwicht houden. Vandaag is het opnieuw nodig om het liberalisme te verdedigen als een progressieve en emancipatorische richting tegen de antiglobalisten én anderen die het in een 'rechtse' hoek willen dringen. Het gaat daarbij om een liberalisme als een in essentie kritische en op vernieuwing en ontwikkeling gerichte beweging, die de strijd aanbindt met hen die het liberalisme slechts als behoudende stroming willen koesteren, met hen die er niet meer dan welbepaalde eigenbelangen mee willen veilig stellen of met hen die het als bondgenoot willen voor hun ‘revolutie van rechts’. De drang naar vooruitgang neemt niet weg dat de mens in zich neigingen verenigt die samen, in een gezonde dosering, het aardse leven menselijk houden. Elk van ons draagt in zich een stuk conservatisme mee dat bij elke wijziging in zijn persoonlijke of in het maatschappelijke leven vraagt of het ook werkelijk om een verbetering gaat. Het is als met de nuttige angst die er ons van weerhoudt om onbesuisd een drukke straat over te steken of doodleuk in een ravijn te springen. Als conservatisme meer is dan een louter defensieve en afwerende houding en gericht op het behouden van wat zich bewezen heeft als iets goeds, is er niets mis mee. Een taal hoef je niet uit vinden en dat zou je niet zo gemakkelijk kunnen, als je het zou willen. Ze is het resultaat van eeuwenlange evolutie. De taal, die je vandaag nodig hebt, is voorhanden. Ze maakt communicatie op vele niveau’s en met alle semantische nuances mogelijk. Het deugdelijke werk van vorige generaties bespaart ons veel tijd en moeite, al voegt elke generatie er iets aan toe of snijdt ze er iets van af naar behoefte. Er zijn daadwerkelijk in een vlaag van blinde innovatie– en ‘dus’ verbeteringswoede hele kroosten met het badwater weggespoeld. Enkel in dat opzicht heeft de formule over het 'partnerschap tussen levenden, doden en degenen die zullen geboren worden' van de vader van het conservatisme, Edmund Burke, enige betekenis. Niet als het de dode en loden last van een afgestorven overlevering op onze schouders wil leggen. Conservatisme wordt pas bedenkelijk als bepaalde opvattingen verharden tot een ‘eeuwige waarheid’, die achteraf niet zo eeuwig blijkt te zijn. Elk van deze conservatieve ‘grote verhalen’ is immers niets anders dan hardnekkig willen bewaren wat gegroeid is uit eerdere creativiteit maar er nu veel minder of helemaal niet meer toe doet. Zo huppelt een gestold conservatief bewustzijn telkens achter de tijd aan. De behoudsgezinde bewegingen en machten waren in elke periode weer verschillend, want concreet stonden ze alle voor iets anders. Ze hadden evenwel één ding gemeen: een behoudende attitude die ze te ernstig namen en aanzagen voor onwrikbare openbaring. Eén en ander veronderstelt een bereidheid tot voortdurend kritische en rationele toetsing van de stand van zaken en de bereidheid om wat zich als ondeugdelijk bewijst in te ruilen voor wat echte vooruitgang dient. Geen structuur, waar socialisten zo in geloven en zich zo snel aan vastklitten, geen traditie, waar conservatieven alle heil van verwachten, mag dit oordeelsvermogen sparen als mensen vinden dat hun heden en toekomst er niet mee worden gediend. Allicht zijn niet veel mensen in staat of bereid om zelfs hun eigen oordeeltjes en voordeeltjes over boord te gooien als ze een rem blijken te zijn voor een menselijke en maatschappelijke stap vooruit. Nochtans is het aan diegenen die wel zo’n kritisch rationalisme konden opbrengen te danken dat tal van taboes en waanvoorstellingen plaats hebben geruimd voor opvattingen en verwezenlijkingen die ons bestaan wezenlijk hebben gevormd. De ideële poolster Waar halen we dan het criterium vandaan om uit te maken wat wel en wat geen vooruitgang is? De verschillende religies, fundamentalismen van allerlei pluimage, marxisme en andere collectivismen wijzen een voleinding aan waarheen de ontwikkeling van de mensheid streeft. Ze leveren de openbaringen over ’s mensen lot en de bijhorende gedragscode. Deze ‘metafysische reductie’, het doen opklaren van alle verwarrende veelduidigheid waarin de mens zich keer op keer geplaatst ziet door het terug te voeren op een ons overstijgende 'grote en gebiedende waarheid', hanteert het liberalisme niet. Het liberalisme geeft de principes van vrijheid en individueel zelfbewustzijn aan als formele principes, die het niet invult. De individuele vrijheid maakt het debat over het leven wel mogelijk, meer nog: is er de onontbeerlijke voorwaarde toe. Het liberalisme verklaart zich onwetend over de collectieve bestemming en over de preferenties en levenskeuzes van alwie het voor alles vrij heeft verklaard. Het liberalisme gelooft niet in de veralgemeningen en simplificaties van een kant en klare ideologie. Het is zich bewust van de beperkingen van de mens, van zijn traagheid, van zijn steeds veranderende context, van zijn verleden. Staat dit gelijk aan pessimisme over de onvolkomen mens? Niet noodzakelijk. Respect voor de mens en voor het leven in het algemeen betreft tevens het ongewisse, onvolmaakte, onvoorspelbare ervan. Dit gaat niet samen met de voorkeur voor tekentafel, passer en liniaal waarmee modellen en plannen worden ontworpen om de mens in te proppen. Als een koortsige liefde voor de mensheid de mens kan doen haten, kan waardering voor de mens de mensheid zoals ze is slechts meer doen respecteren. Liberalisme houdt slechts vast aan de beginselen, die ook niets dan het ‘begin’ zijn, om dat uitleven van zes miljard en straks nog meer wereldburgers mogelijk te maken. Vooruitgang is gebaseerd op die principes die als een poolster de vaart van de mens kunnen leiden, ook al kan deze het bestaan ervan niet bewijzen. Vooruitgang is vrijheid en ontplooiing voor zoveel mogelijk mensen, maar wat dat voor ieder afzonderlijk inhoudt, daar doet een liberaal wijselijk het zwijgen toe. Het in alle pragmatisme uitgaan van concrete mensen die tot feitelijke - soms tijdelijke, soms langduriger - verhoudingen komen en dit gekoppeld aan breed genoeg gehouden principes, kenschetst dat niet bij uitstek het liberalisme? Deze combinatie van omkaderde vrijheid maakt het tot dé wereldbeschouwing om de onoverzienbare mondiale verscheidenheid met respect voor elk bestaan, één onder de velen maar op zich telkens een wereld, in goede banen te leiden. Voor een liberaal gaat het kleine verhaal van de enkeling voor op grote verhalen die hem overwoekeren, gaat respect voor wat spontaan gegroeid is samen met een voortdurende zorg om het te verbeteren ten gunste van die verzameling enkelingen die samenleving heet. Elke generatie moet telkens opnieuw uitmaken wat voor haar vooruitgang mag heten. Op die vraag kunnen zowel doorheen de tijd als tegelijkertijd meerdere antwoorden weerklinken. Het liberalisme wil in de eerste plaats het kader waarin dat debat zich kan afspelen, veilig stellen. Als het tot concrete beleidsopties mag overgaan zal het streven naar zoveel mogelijk individueel initiatief. Het aanvaardt een ander beleid slechts in die mate waarin het toetsbaar en omkeerbaar is, want het debat gaat altijd door. Het gebruik van de middelen, laat staan het bepalen van de politieke en maatschappelijke doelen is nooit een uitgemaakte zaak. De geschiedenis loopt niet over één spoor.
Olivier Boehme Olivier Boehme Linksmailto:olivier.boehme@belgacom.net |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|