|
Dames en Heren, Deze Universiteit werd in 1810 opgericht door Wilhelm von Humboldt vanuit de idee van de universele wetenschap. Zijn broer, Alexander Von Humboldt, was de laatste universele wetenschapper ter wereld. Hij beheerste verschillende wetenschappelijke disciplines, hij reisde rond de wereld en werd geleid door de idee van de ‘Eenheid van de Natuur’. Hij besefte als academische duizendpoot dat ‘alles samenhangt met alles’ en niets bestaat als losstaand element. Het is de onderlinge beïnvloeding van verschillende factoren die de mens dwingt tot de zoektocht naar de innerlijke samenhang. “Zelfs de kleine vliegen in de oerwoudbekkens vervullen een rol”, wist hij te vertellen. Een wetenschapper die de innerlijke samenhang niet vindt, komt niet verder in de waarheidsvinding. In tegendeel. Hij komt met verkeerde analyses die leiden tot verkeerde conclusies. De leidraad van Von Humboldt geldt niet alleen voor wetenschappers maar ook voor politici. Sommigen maken analyses die een onderlinge samenhang missen en die bepaalde factoren miskennen. De theorie klinkt dan aardig in de oren, populair, idealistisch en zelfs politiek correct. Maar zij ontbeert elke realiteitsbesef. Een sprekend voorbeeld is de toespraak die de Duitse minister van Buitenlandse Zaken, Joschka Fischer, op 12 mei 2000 hield op deze plek. Hij sprak over de ‘finaliteit van Europa’ en pleitte voor een Europese federatie van natiestaten. Fischer schetste het juiste probleem: de uitbreiding van de Europese Unie dreigt het functioneren van de Europese instellingen te verlammen. Maar hij kwam vervolgens met het verkeerde antwoord. Over de dreigende Handlungsunfähigkeit van de Europese Unie zei hij: „Er bestaat een heel eenvoudig antwoord: de overgang van de Unie als een verbond van staten naar de volle parlementarisering in een Europese federatie.“ Fischer voegde eraan toe dat hij niet het standpunt van de Duitse regering verkondigde maar een ‘persoonlijke toekomstvisie’. Hij pleitte ook voor een Europees Parlement met twee kamers: een kamer van direct verkozen leden en een kamer met vertegenwoordigers van de nationale parlementen. Daarnaast pleitte Fischer voor een Europese regering. Die rol moest worden ingevuld door de Raad of door de Europese Commissie. De Duitse minister van Buitenlandse Zaken werd weggehoond door de toenmalige Franse minister van Binnenlandse Zaken, Jean-Pierre Chevènement. Hij beschuldigde Fischer ervan te dromen over het Heilige Römische Reich Deutscher Nation. In een interview met Die Zeit lichtte Chevènement zijn ferme woorden toe: “Het was een boutade om de waarheid te zeggen. Omdat Duitsland de natie als een duivels beginsel ziet, is het land geneigd te vluchten in het post nationale. Daar kan men terugverlangen naar een soort federatie van regionale entiteiten die een beetje lijkt op datgene wat het Heilige Roomse Rijk was.” De Franse president Chirac beantwoordde Fischer’s oproep tijdens een bezoek aan Duitsland in juni 2000 wat zakelijker. In de Bondsdag zei hij: “Noch U noch wij werken aan het creëren van een Europese superstaat die in de plaats zou komen van onze natiestaten en die hun einde zou betekenen als dragers van het internationale leven.” Tegenover het federale Europa van Fischer plaatste Chirac het confederale. Ik heb altijd mijn bedenkingen gehad bij prachtig verwoorde oproepen tot een ‘federaal Europa als einddoel van Europese integratie’. Ik heb die bezwaren voor het eerst in september 1991 geuit en heb daar toen veel kritiek voor gekregen. Een federatie van natiestaten kan niet: het is een contradictio in terminis. Landen als Frankrijk en Groot-Brittannië zijn oude natiestaten in Europa, landen met een eigen taal, cultuur en openbare mening. Voor deze landen is Europese integratie altijd een zaak van ‘welbegrepen eigenbelang’ geweest. Maar het doel was nooit het opgaan in een Europese staat. Groot-Brittannië en de Scandinavische landen zien een federaal Europa als een gevaar voor de eigen identiteit. Nieuwe lidstaten zoals Polen en Hongarije zien Europa als een constructie waarin ze eigen wensen en verlangens kunnen verwezenlijken. De Poolse natie was jarenlang geen soevereine staat. Toen ze wel een staat was, werd de vorm door externe machten opgelegd. Daarom is de historische uitdrukking over Polen: ‘Polska tak, ale jaka’? Polen ja, maar welk soort Polen? Voor Polen is de Europese Unie een ruimte voor zelfverwerkelijking maar niet voor het opgaan in een anonieme entiteit. Polen heeft zich niet jarenlang aan Moskou ontworsteld om vervolgens ondergeschikt te worden aan een andere centrale macht. Natiestaat en federaal Europa gaan niet samen. Het is onmogelijk. De stelling van Fischer klinkt aanlokkelijk maar zij voldoet niet aan de Von Humboldt norm: onderlinge samenhang. Nationale identiteit Het is wel begrijpelijk waarom Fischer voor een federaal Europa pleitte. Zijn stelling komt voort uit de binnenlandse politiek. In Duitsland hebben linkse partijen zoals de Groenen het moeilijk met de nationale identiteit en het behartigen van Duitse belangen. Dat roept gevoelens op over het verleden waarin het nationalisme de basis vormde voor de heerschappij van Hitler. Het naoorlogse Duitsland bleef daarom historisch een imperfecte natiestaat: men vluchtte in het georganiseerde regionalisme of in het Europese federalisme. Men was bijvoorbeeld Beier of Hamburger én Europeaan. Maar het woord Duits riep gemengde gevoelens op. De nationale identiteit was toegedekt door een schaamtegevoel en dat maakte Duitsland inschikkelijk in Europa. Als Duitsland en Frankrijk met elkaar onderhandelen, wint Parijs bijna altijd en Berlijn betaalt, ook al zit het krap bij kas. De Britten zetten zich schrap als hun belang in het geding is, desnoods met een veto. Duitsland doet dat niet zo snel en zeker niet zo openlijk. Duitsland werd een Europese leerling met een hoog cijfer voor goed gedrag. De termen ‘natiestaten’ en ‘Europese federatie’ worden in Duitsland gecombineerd, niet uit rationele analyse maar om een gevoel van onbehagen te maskeren. Dat is misschien begrijpelijk. Maar een verkeerde analyse is niet het juiste fundament voor de Europese integratie. Zestig jaar na de Tweede Oorlog is Duitsland een volwaardig, gerespecteerd en gewaardeerd lid van de Europese familie van staten. De Duitse deelname in de Europese integratie is een succesverhaal voor wie een mensenleven als maatstaf neemt. Ik werd in 1933 geboren, het jaar waarin de republiek van Weimar ten grave werd gedragen nadat Adolf Hitler in Duitsland de macht had overgenomen. In dat jaar kwam Europa op een hellend vlak dat tot een absoluut dieptepunt zou leiden: de Tweede Wereldoorlog en de holocaust. In 1945 zag ik, als twaalfjarige, op de stoep van het Stedelijk Museum in Amsterdam, Winston Churchill voorbijrijden in een open auto. Hij zwaaide ons toe met het V-teken. Vrijheid en democratie waren teruggekeerd. De Europese integratie was onder andere een proces van verzoening van Duitsland met zijn Europese buurstaten, zoals Nederland. Het huidige Duitsland is een ander land dan zestig jaar geleden. Deze generatie Duitsers zijn overtuigde Europeanen. Zij draagt haar steentje bij aan Europese integratie. Ik ben een tegenstander van collectieve schuld. Kinderen moeten niet boeten voor de misdaden van hun ouders. Zij moeten lering trekken uit die misdaden en helpen herhaling te voorkomen. Ik ben daarom een tegenstander van debatten over herstelbetalingen zoals het Poolse parlement ze onlangs heeft gevoerd. Europa moet zestig jaar na de oorlog niet de geest van het Verdrag van Versailles uit de fles halen. We kunnen het Europa van morgen niet bouwen door op rekeningen van vroeger. Duitsland speelt een volwaardige rol in Europa. Deze Duitsers hoeven zich niet te schamen voor wie zij zijn. Duitse eenheid Duitsland is de bevolkingsrijkste lidstaat in het midden van Europa. Geen land heeft zoveel buren als Duitsland. Wie in de geest van Alexander Von Humboldt rationele lessen trekt uit de Duitse ervaringen van de laatste vijftien jaar ziet onmiddellijk dat economische integratie een moeilijk proces is. Op 9 november 1989 viel de Berlijnse Muur en zakte het DDR bewind in elkaar. De Duitse eenheid op 3 oktober 1990 was een logisch gevolg, zowel politiek als historisch. Ik heb de Duitse eenwording gesteund vanaf het begin. Bondskanselier Helmut Kohl komt de historische verdienste toe direct te hebben ingezien dat de Duitse eenheid snel tot stand moest worden gebracht omdat anders een volledige leegloop van de DDR het gevolg zou zijn. Bovendien heeft hij het verenigde Duitsland ingebed in het Europese kader zodat geen enkele buurstaat zich bedreigd hoefde te voelen. Maar de economische prijs van de politieke noodzaak was enorm. Vanaf 1990 kwam een subsidiestroom van vele honderden miljarden euro’s op gang van West naar Oost, maar de Blühende Landschaften bleven uit. De werkloosheid in de nieuwe bondslanden bleef hoog en sociale onvrede ook. De geldstroom zorgde voor een moderne infrastructuur en garandeerde de burger in de nieuwe bondslanden een zekere mate van consumptie, maar de productieve kracht is gering. Duitsland heeft een economie met twee snelheden omdat veertig jaar communisme het Oosten van Duitsland beroofde van zijn middenklasse en zijn ondernemend vermogen. Na de Duitse eenheid is de hardware geïnstalleerd maar de software laat het nog afweten. Het resultaat is een transfereconomie waarvan men niet weet wanneer het productievermogen het levenspeil zal schragen. Ook een ruhige Hand volstaat niet meer. Structurele hervormingen zijn noodzakelijk maar ze doen nu relatief veel pijn omdat ze zo laat werden genomen. Wie de kosten van de Duitse eenheid ziet, beseft hoe moeilijk het is een welvaartskloof te dichten. Dat geldt voor de kloof tussen West en Oost in Duitsland en Noord en Zuid in Italië. Maar het geldt ook tussen West en Oost in het uitgebreide Europa. De nieuwe lidstaten met 70 miljoen mensen hebben een BNP dat vergelijkbaar is met dat van Nederland met 16 miljoen mensen. In de nieuwe lidstaten is het inkomensniveau relatief laag en de werkloosheid hoog. Veel burgers koesteren hoge verwachtingen van de toetreding tot de Europese Unie maar de welvaartskloof zal vermoedelijk generaties lang blijven bestaan. Er zijn grenzen aan het integratievermogen, zowel in Duitsland als in Europa. Een politicus die daar geen rekening mee houdt, riskeert niet alleen sociale onvrede maar een afwijzing van het democratische regeringssysteem. De nieuwe lidstaten van de EU leren ook van de moeizame economische integratie in Duitsland. Zij hebben geen West Litouwen, West Slowakije of West Letland die een subsidiestroom in gang zetten. Zij proberen investeringen aan te trekken door lage belastingen en een gunstig investeringsklimaat. Daarom willen zij bijvoorbeeld de vennootschapsbelasting laag houden. Ik heb daar begrip voor want hoge lasten trekt een wissel over hun economische toekomst. Uitbreiding van de Europese Unie moet stapsgewijs verlopen, goed zijn voorbereid en worden gepresenteerd zonder valse beloftes en illusies. Niemand in Brussel kan in de nieuwe lidstaten Blühende Landschaften beloven want de teleurstelling slaat bij referenda over bijvoorbeeld een nieuwe Europese grondwet meteen terug in het eigen gezicht. Dit is een Duitse les die Europa moet leren. Veelvolkeren unie Midden Europa is een leerschool voor Europese integratie. De meest Europese staat die ooit heeft bestaan, is er niet meer. Dat was de Oostenrijk-Hongaarse monarchie die negentig jaar geleden na de Eerste Wereldoorlog ten onder ging. Het was een staat in het midden van Europa waarin een multi-etnische bevolking samenleefde en overleefde met de glimlach van de brave soldaat Svejk, als sarcastische reactie op de pompeuze militairen en bureaucraten van het keizerrijk waarvan de Habsburgers het bindmiddel vormden. Het keizerrijk verenigde Oostenrijkers, Hongaren, Tsjechen, Duitsers, Slowaken, Polen, Roemenen, Slovenen, Kroatiërs en Ruthenen. Er is in de Europese geschiedenis nooit één land geweest dat de andere landen blijvend heeft kunnen onderwerpen. Dat is maar goed ook! Eenheid is namelijk niet nastrevenswaard als die ten koste gaat van vrijheid. Eenheid en vrijheid waren de twee begrippen die het Midden-Europese Oostenrijk-Hongaarse keizerrijk moest proberen te verzoenen. Eenheid en vrijheid zijn ook de twee begrippen die de Europese Unie moet verzoenen. De Donaumonarchie was een Vielvölkerstaat. De Europese Unie is een Vielvölker Union. Eenheid zonder vrijheid is niet houdbaar. Maar vrijheid zonder samenwerking is op een werelddeel van vele naties niet leefbaar. De Donau-monarchie benaderde het dichtst de Europese ambitie van nu om verschillende Europese volkeren onder één dak te brengen. De meeste andere staten waren het project van één volk: het Duitse, Franse, Britse of Italiaanse. Hoewel de Donaumonarchie kadert in een ander tijdsbestek, zijn er veel overeenkomsten met de huidige Europese Unie. Wenen stond toen voor gelijksoortige uitdagingen als Brussel nu. Ik noem drie aspecten. 1. Ten eerste is er het Vielvölker aspect, het multi-etnische karakter van de gemeenschap. Regeren is daarmee niet het doorzetten van één specifiek belang maar het afwegen van verschillende deelbelangen. Uiteindelijk moeten de instellingen van de veelvolkeren gemeenschap een zekere legitimiteit bij de burgers bezitten. Als één volk zijn belang doordrukt ten koste van de anderen, staat de gemeenschap zelf onder druk. De instellingen worden betwist en het machtscentrum bevochten. 2. De Donaumonarchie had, zoals de Europese Unie nu, in feite al een gemeenschappelijke markt. Burgers, of het nu Slowaken of Slovenen waren, konden door de hele monarchie reizen, van Karlsbad tot Transsylvanië. Ondernemers konden overal aan de slag, of het nu in Bohemen was of in een Hongaars dorp. Jongeren studeerden in Wenen, Praag of Boedapest. Ten tijde van de Oostenrijk-Hongaarse monarchie bedroeg de economische groei ruim vier procent per jaar. Men kan dus zeggen dat de veelvolkeren gemeenschap zich van een sterk economisch fundament had voorzien. Het was een interne markt avant la lettre. De Donaumonarchie had een plichtbewust ambtenarenapparaat met een aan de dynastie gebonden ethiek die soms bizarre aspecten had, zoals Franz Kafka beschreef in Der Prozess. 3. De Donaumonarchie was, net als de Europese Unie nu, verwikkeld in een permanent proces van uitbreiding. Na het einde van de tweede Turkse belegering van Wenen in 1683 begon de afkalving van het Ottomaanse Rijk. De Turken werden steeds verder teruggedrongen en het Midden-Europese keizerrijk werd steeds groter. Gebieden die nu behoren tot Hongarije, Roemenië, Bulgarije, Slovenië, Kroatië en Bosnië-Herzegovina kwamen onder bestuur van Wenen. Het territorium van de Donaumonarchie ligt nu verspreid over bijna vijftien verschillende staten. Het keizerrijk breidde zich uit maar de capaciteit om de nieuwe volken te absorberen nam af. Op een zeker moment stuitte de Donaumonarchie op de grens van het aantal volken die zij bijeen kon houden. De ontwikkeling van dit land werd helaas door de catastrofe van de Eerste Wereldoorlog voortijdig afgebroken. De Donaumonarchie kampte met dezelfde uitdaging als de Europese Unie nu. Hoe kan men een veelvolkeren gemeenschap bijeen houden? Hoe kan men stabiliteit exporteren en voorkomen dat slechts instabiliteit wordt geïmporteerd? Eenheid of vrijheid? De concepten die in Wenen de ronde deden, verschilden niet zoveel van wat men in Brussel ziet. Centralisering, federalisme, confederalisme. Een mooi voorbeeld is het revolutiejaar 1848 toen de Duits nationale beweging doorstootte om eenheid te brengen in de vele Duitstalige vorstendommen. De Deutsche Frage lag op tafel. In de Frankfurter Pauluskerk stond de Deutsche Nationalversammlung voor de aloude vraag: Einheit oder Freiheit? Kon de Duitse eenheid zich verzoenen met vrijheid of zou eenheid juist een einde maken aan vrijheid? De Frankfurter Nationale Vergadering bepleitte een Duitse eenheid onder leiding van Pruisen dat mild was geweest voor de hervormers van 1848 en teerde op een liberale, humanistische reputatie. Maar de koning van Pruisen weigerde de Duitse Keizerskroon te ontvangen uit handen van een parlement met zijn burgerlijke revolutionairen. De Pruisische koning zag de Duitse eenheid niet als een volksstaat maar als een Unie van Duitse vorsten: een soort dynastieke confederatie met Pruisen als spelbepaler. Hij beantwoordde de revolutie van 1848 door Pruisen een grondwet op te leggen, of zoals Otto von Bismarck het ooit zei: ‘Revoluties worden in Pruisen alleen door de Koning in gang gezet.’ Het energieke Pruisen had in het machtige Oostenrijk een serieuze concurrent voor het leiderschap van de Duitse Bond met zijn vele vorstendommen. De Oostenrijkse minister-president Felix Fürst Schwarzenberg verdedigde een Groot Duits concept waarin 70 miljoen mensen zouden samenleven in een confederale structuur. Voor het dagelijks bestuur zou er een Direktorium van 6 leden komen met aan het hoofd een rijksstadhouder als leider van de regering. Dit stadhouderschap zou jaarlijks tussen de keizer van Oostenrijk en de koning van Pruisen wisselen. Daarnaast zou er een Tweede Kamer komen, een Statenhuis, met afgevaardigden uit alle landdagen. Het Statenhuis zou één vertegenwoordiger per miljoen inwoners tellen. Van dit plan is niets terecht gekomen en uiteindelijk zou Otto von Bismarck de Duitse eenheid onder Pruisische leiding afdwingen, na een broederoorlog tegen Oostenrijk in 1866. Von Bismarck verkoos de Pruisische oplossing voor het Duitse vraagstuk, niet de Europese. Pruisen had een eigen identiteit en een groeiend politiek zelfbewustzijn. In zijn boek Preussen ohne Legende uit 1978 schreef de bekende historicus Sebastian Haffner: “Wat Pruisen voor zijn buren lange tijd griezelig en dikwijls gevaarlijk maakte, vloeide veel minder voort uit zijn militarisme dan uit de kwaliteit van de Pruisische overheid: het onkreukbare bestuursapparaat, de onafhankelijke rechtspraak, de religieuze tolerantie en de verlichte cultuur. Pruisen was in zijn klassieke periode, in de achttiende eeuw, heel eenvoudig niet alleen de nieuwste maar ook de modernste staat van Europa.” Nu is het blazoen van Pruisen besmet door twee wereldoorlogen in de twintigste eeuw en werd het vaak afgeschilderd als een onmisbare fase in de weg naar Hitler. Maar de inkleuring achteraf besmuikt de aantrekkingskracht die Pruisen had voor de pleitbezorgers van de Duitse eenheid in de negentiende eeuw: een moderne staat als motor van Duitsland. Pruisen stond voor: rechtstaat, geordende overheid, onderwijs en andere producten van de Verlichting. Alexander Von Humboldt was een product van de Pruisische maatschappij. Het was niet verwonderlijk dat de pleitbezorgers van de Duitse eenheid op de Deutsche Nationalversammlung naar Pruisen keken als gangmaker van de Duitse eenheid, en niet naar Wenen. De Donaumonarchie had in 1848 alle handen vol om de opstanden van nationale minderheden neer te slaan. Wenen exporteerde steeds minder stabiliteit en importeerde steeds meer instabiliteit. Het nationaliteitenvraagstuk bleek onoplosbaar en onhoudbaar naarmate de Oostenrijk-Hongaarse monarchie zich uitbreidde. De Ausgleich met Hongarije was een poging de spanningen te verminderen. De Hongaren kregen vanaf 1867 dezelfde status als de Oostenrijkers. Het keizerrijk werd zo een dubbelmonarchie. Maar het privilege voor de Hongaren leidde tot permanente ontevredenheid bij de Slavische volkeren. Het rijk werd een kruitvat. De Hongaarse schrijver György Konrád zei: “Als het mogelijk was geweest de politiek meer te decentraliseren dan had er een federale structuur kunnen ontstaan met liberalen en sociaal-democraten en als de monarchie gedemocratiseerd zou zijn, dan zou er misschien autonomie zijn gekomen. Maar dat is allemaal niet gebeurd. Het kleingeestige nationalisme won en zo ontstonden de problemen van de minderheden.” Achter de façade van de Oostenrijkse en Hongaarse macht sudderde het Pan-Slavisme. De Donaumonarchie kwam aan het einde van de negentiende eeuw in een sfeer van onbehagen terecht. Dat is op zichzelf paradoxaal want economisch ging het vrij goed. En ook het culturele leven in Wenen stond op een hoogtepunt, met Franz List, Richard Strauss, Johannes Brahms, Gustav Mahler, Richard Wagner en zeer vele anderen. Maar de Duitstalige Oostenrijkers begonnen te beseffen dat zij, bij uitbreiding van het kiesrecht, met acht miljoen zielen niet blijvend konden heersen over een Slavische bevolking van 20 miljoen. Het zag ernaar uit dat de voortschrijdende democratisering de dynastieke veelvolkerenstaat zou ondermijnen, zoniet doen oplossen. Grenzen aan de integratie Ook het huidige Europa kampt met de vraag: hoeveel uitbreiding kan het integreren? Een hoeveel ‘Brussel’ zijn de burger bereid te aanvaarden? Welke lessen kunnen we trekken uit de ervaringen van in Midden Europa? 1. We moeten erkennen dat de Europese Unie een ‘Vielvölker Unie’ is, een gemeenschap van veel volkeren en naties. De Europese Unie is geen federatie en zal dat ook niet worden. Het is een illusie te denken dat Frankrijk, Groot-Brittannië of Polen zich in de Europese Unie gedragen als bijvoorbeeld Beieren of Brandenburg in de Duitse federatie. Wie Europa wil federaliseren én uitbreiden, bouwt aan iets dat afbreekt. 2. De tweede les die Europa kan leren uit de Donaumonarchie is dat uitbreiding dwingt tot herijking. Indien dat niet gebeurt, of te laat zoals de Donaumonarchie deed, importeert men op den duur enkel instabiliteit. Grenzen spelen dus een rol. Alleen al vanwege de geografische ligging is het aangeven van de grenzen van Europa niet eenvoudig. Bij het besluit over nieuwe toetreders zal telkens opnieuw in kaart moeten worden gebracht of er binnen Europa voldoende draagvlak, solidariteit, bestaat om de toegenomen instabiliteit op te kunnen vangen. De legitimiteit van Europa wordt ondergraven als de effectiviteit te kort schiet. Als Europa te veel hooi op de vork neemt, dreigt verlamming of chaos. 3. Het gebrekkige integratievermogen stelt grenzen aan het beleid. Europa moet zich beperken tot kerntaken en beleidsterreinen die daartoe niet behoren, moeten worden gerepatrieerd naar de lidstaten. Wie vanuit Brussel te sterk de nadruk legt op eenheid en centralisme zal bij vele volken afwijzing, ja afkeer oogsten. Als burgers of volken zich niet thuis voelen in de Unie omdat ‘zij in Brussel’ toch doen wat ze willen, zullen zij zich tegen de Europese integratie keren. Zij zullen zeggen: biss hier und nicht weiter. Men kan drie criteria formuleren voor de kerntaken van de EU: het wegnemen van belemmeringen voor het onderlinge economische verkeer, het aanpakken van grensoverschrijdende problemen en het benutten van schaalvoordelen. Een belangrijke kerntaak is bijvoorbeeld het economische beleid. Het project van de Interne Markt voldoet bij uitstek aan de criteria voor wat Europa moet doen – en blijven doen, want de Interne Markt vereist voortdurend onderhoud. De Interne Markt en het concurrentiebeleid vormen het fundament voor een moderne economie. Maar bij welke beleidsonderdelen kan men denken aan repatriëren? a) Op sociaal vlak kan Europa slechts beperkte schaalvoordelen brengen. Waarom zou wetgeving voor kinderopvang op Europees niveau moeten plaatshebben? Men hoort wel eens dat bij niet-geharmoniseerde wetgeving er social dumping zou optreden. Ik geloof daar niet in. Sommige bedrijven trekken inderdaad naar lagelonenlanden, andere kiezen voor goede infrastructuur en onderwijsniveau. Het comparatieve voordeel van minder welvarende landen bestaat uit hun lagere arbeidskosten. Wie die kosten wil verhogen, remt de economische ontwikkeling van zulke landen. Sociaal beleid is vooral een kwestie van de lidstaten. b) Cohesie- en structuurfondsenbeleid voldoen ook niet aan de criteria voor de kerntaken. Aan deze interne ontwikkelingshulp voor arme regio's gaat een derde van het Uniebudget op [€ 34 miljard]. Men beweert dat de vrije markt slecht is voor de armste regio's. Maar uit de feiten blijkt dat de economische groei in Portugal en Spanje al groter was dan in de rest van Europa nog voor de structuurfondsen toestroomden. Buitenlandse investeerders werden aangetrokken door de lage lonen, lage belastingen en door het nakende lidmaatschap van de EU. Het cohesie- en structuurfondsenbeleid leidt makkelijk tot transfereconomieën die afhankelijk worden van subsidies. Uiteindelijk is het de markt die regionale cohesie moet bevorderen, niet een subsidiestroom. Extra probleem is dat meer dan de helft van die structuur- en cohesiefondsen terechtkomt bij rijkere landen. Die rijkere lidstaten, zoals Duitsland, kunnen hun arme regio's vaak beter zelf steunen, mits zij daarbij de Europese regels inzake staatssteun respecteren. Nu wordt geld in de EU rondgepompt en probeert elk netto betalende lidstaat zo veel mogelijk geld uit Brussel terug te harken. Dat is geen goed mechanisme. c) In het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid zijn ook taken die kunnen worden gerepatrieerd naar de lidstaten. Het Europese Landbouwbeleid garandeert elementaire voedselvoorziening en dat is een verworvenheid. Maar Brussel doet nu ook beleidstaken zoals landschapsbeheer, regionaal beleid en sociale cohesie kan men beter overlaten aan de lidstaten. Gebrekkig cultureel zelfbewustzijn van Duitsland De ontwikkeling van een Europese Unie van 35 lidstaten of meer maakt de idee van een Europese federatie tot een mythe en levert een veelvolkeren unie van natiestaten op. Duitsland behoort tot één van de belangrijkste natiestaten maar het heeft moeite zichzelf als zodanig te manifesteren. Zodra het gaat over identiteit en cultuur verliezen veel Duitsers hun zelfverzekerdheid en nemen zij een defensieve houding aan. Juist dat maakt Duitsland op het ogenblik kwetsbaar. Dit culturele deficit kwam duidelijk aan het licht toen de fractievoorzitter van de Duitse christen-democraten in de Bondsdag, Friedrich Merz, in 2000 het woord deutsche Leitkultur in de mond nam. Hij zei: „Immigratie en integratie kunnen op de duur alleen succes hebben als ze de brede instemming van de bevolking krijgt. Daarbij hoort dat het in staat zijn tot integratie aan beide zijden aanwezig is: het ontvangende land moet tolerant en open zijn, inwijkelingen die langere tijd of blijvend bij ons willen leven, moeten van hun kant bereid zijn om de samenlevingsregels in Duitsland te respecteren.“ Hij noemde dat: die freiheitliche deutsche Leitkultur. Merz kreeg daarna enorme kritiek te verduren, alsof hij een aanhanger was van keizer Wilhelm II die ooit zei: Aan het Duitse wezen moet de wereld genezen. Merz haalde de inspiratie echter niet bij de laatste Duitse keizer maar bij de van oorsprong Syrische Islamkenner en islamiet professor Bassam Tibi die stelde dat allochtone groepen in Duitsland de Duitse cultuur als Leitkultur moesten aanvaarden. Het is al opmerkelijk dat een islamiet de Duitsers oproept in hun eigen land hun eigen cultuur als richtinggevend te zien. Dat zal in Frankrijk of Groot-Brittannië niet snel gebeuren. Tibi publiceerde het boek Europa ohne Identität? Hij verwees naar de crisis in de multiculturele samenleving en gaf de oorzaak van het culturele deficit aan: “Op grond van hun verleden staan de Duitsers zich geen integratieconcept van vreemdelingen toe, dat een leidende cultuur als waardenconsensus met betrekking tot democratie en de civiele maatschappij oplegt.” Volgens Tibi is er bij een veelheid aan nationaliteiten en culturen, zoals op het ogenblik in Duitsland – en hetzelfde geldt voor Nederland – een leidende cultuur nodig om te voorkomen dat zich een islamitische parallelle maatschappij ontwikkelt waarin essentiële Europese waarden niet gelden. Hij stelde: „Alleen als de Europese civilisatie zich verhoudt tot haar democratische, liberale waarden als oriëntatiepunt en deze verdedigt, kan ze migranten uit niet-westerse culturen een leidende cultuur tot integratie bieden. Als de Europeanen geen leidende cultuur willen hebben, bieden de inwijkelingen, vooral de islamitische, hun eigen cultuur aan als alternatief.“ Volgens Tibi kan de islam zich in Europa alleen integreren indien er een sterke Leitkultur is die islamieten aanzet tot een moderne interpretatie van hun geloof. Een ‘Euro-islam’ is verenigbaar met de Europese cultuur en het beste wapen tegen islamitische fundamentalisten. De kernvraag is volgens hem welke vorm van islam zich in Europa vestigt: de Euro Islam of de Shari’a Islam? Europa staat inderdaad op een kruispunt. En daarmee ook Duitsland. Ik ben een tegenstander van het cultuurrelativisme dat de pleitbezorgers van een multiculturele samenleving dikwijls inroepen om inbreuken op essentiële waarden van de christelijk, joods en humanistische beschaving te rechtvaardigen. Essentiële waarden zijn bijvoorbeeld burgerlijke vrijheden, de integriteit van het lichaam, de gelijkwaardigheid van man en vrouw of de scheiding van kerk en staat. Als deze Europese waarden in botsing komen met beginselen uit een andere cultuur dan gaan de Europese waarden voor. Kortom: vrouwenbesnijdenis, polygamie of lijfstraffen mogen niet worden getolereerd. Een Europees land moet de prioriteit van de essentiële waarden afdwingen en niet een soort gedoogzone toestaan waarin een andere cultuur die eigen praktijken toch kan voortzetten. Als een bepaling uit de Shari’a strijdig is met de Duitse Leitkultur dan primeert de laatste. Daarvoor hoeft een Duitser zich niet te schamen. In Duitsland wekt die discussie onbehagen op, maar in veel andere landen spreekt dat vanzelf. De Franse regering heeft onlangs besloten het dragen van hoofddoeken op scholen te verbieden. In Frankrijk is de état laïque een fundament van de Franse staat en één van de republikeinse waarden die elke burger behoort te respecteren. Geen enkele Fransman voelt zich beschaamd de eigen cultuur als Leitkultur voor te stellen. Alleen zelfbewuste culturen kunnen mensen uit niet-westerse culturen integreren. De VS laten zien dat het natiebesef niet is beperkt tot een ras, huidskleur, godsdienst of afkomst. De VS is een smeltkroes en toch een natie, voor mensen met een Europese, Afrikaanse, Aziatische, Mexicaanse, joodse of islamitische achtergrond. Een Oostenrijker uit de provincie Steiermark kon er zelfs gouverneur van Californië worden, de zesde economie ter wereld. Europeanen lachen daar vaak om maar in de VS is dat onderdeel van de American Dream. In Amerika is identiteit geen probleem omdat men daar durft uit te komen voor de eigen waarden. Het debat over de Leitkultur is in wezen een debat over de kernwaarden die onze hele samenleving moet binden. Hoe kunnen wij een dialoog aangaan met andere culturen als wij niet meer durven uit te komen voor onze eigen cultuur? Hoe kunnen wij anderen begrijpen als we zelf niet meer weten wie we zijn? Duitsland heeft een rijke cultuur en het is de grootste natie in het centrum van Europa. Europa heeft in zijn midden een zelfbewuste Duitse cultuur nodig, een uitnodigende, wervende en integrerende cultuur. Dit moderne Duitsland moet daar geen complexen over hebben. Integendeel, de Duitse Leitkultur heeft nieuwkomers uit andere culturen veel te bieden.
Frits Bolkestein Frits Bolkestein |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|