Er bestaat veel weerstand tegen euthanasie. Veel gelovigen menen dat alleen God mag beslissen wanneer een leven ten einde komt. Ook wordt euthanasie beschouwd als een teken van een zwakke geest die geen lijden wil verdragen, hoewel dat nu eenmaal een (goddelijke dan wel toevallige) lotsbeschikking kan zijn. Het wordt gezien als gebrek aan respect voor het menselijk leven dat niet gezond meer is. En niet alleen euthanasie bij ziekte, maar ook andere gevallen van zelfmoord worden beschouwd als laf of moreel slecht. Hoe anders is de klassiek stoïcijnse visie op zelfdoding! Het is de moeite waard een blik te werpen op deze traditie, omdat die aan het discours over euthanasie argumenten toevoegt die nu vaak ontbreken. Ik zal dit doen aan de hand van enkele brieffragmenten van de Romeinse filosoof en politicus Lucius Annaeus Seneca (4 v.Chr - 65 n.Chr.). De stoïcijnse filosofie, genoemd naar de zuilengaanderij waarin Zeno van Citium deze school in 301 v.Chr. stichtte, is allereerst een therapie, bedoeld om mensen te genezen van hun verkeerde oordelen die de gemoedsrust verstoren. Er overkomen ons allerlei dingen waar we geen invloed op hebben, en als ze ons benadelen, zoals ziekte of tegenspoed, noemen we ze al gauw ‘slecht’ en zijn we er bang voor. De stoïsche therapie bestaat eruit, om dit oordeel te veranderen: er is maar één ding goed, te weten de wil om goed te doen, die volledig in onszelf zit. (1) Alle dingen van buitenaf zijn moreel neutraal, want ze komen niet uit onze intentie voort, en doen er dus eigenlijk niet toe. Zodoende is ook de dood niet ‘slecht’. Dat is alvast de eerste omslag in het denken. De levenskunst bestaat eruit, om zich hierin te oefenen: een onverstoorbaarheid ontwikkelen voor de dingen die ons overkomen, gericht blijven op de goede intentie zodat het leven op elk moment volmaakt is, en zich mentaal voorbereiden op de onvermijdelijke dood. Als alleen onze wil om goed te doen belangrijk is, doet de lengte van het leven er niet toe. ‘Het leven moet, zoals je weet, niet eindeloos gerekt worden. Het goede bestaat immers niet uit leven zonder meer, maar uit leven op de goede manier! Daarom leeft een wijze niet zo lang hij moet, maar zolang hij kan’, zegt Seneca in brief 70,4. Sterker nog: ‘Goed sterven impliceert ontkomen aan het risico om slecht te leven’ (70,6). Maar hoe lang ‘kan’ een verstandige stoïcus dan leven? Totdat hij toevallig niet meer ademt? Nee. ‘Altijd bezint een wijze zich erop hoe de kwaliteit van leven is, niet de kwantiteit. Als hem veel tegenslag overkomt die zijn gemoedsrust verstoort, stapt hij eruit. En dit doet hij niet alleen in uiterste noodzaak: zodra de omstandigheden hem verdacht voor beginnen te komen, kijkt hij nauwgezet rond of hij er geen punt achter moet zetten.’ (brief 70,5) Kwaliteit van leven gaat hier niet zozeer om ‘geen pijn voelen’; ook dat is iets wat er voor onze moraal niet toe doet en wat je moet kunnen verdragen. Het is nauw verbonden met nog goed kunnen doen. Iemand die in een uiterst stadium van fysiek of geestelijk lijden bevindt, kan zich niet meer inzetten voor zichzelf, noch voor anderen. Er dan uit willen stappen heeft niets te maken met egoïsme of het niet aan kunnen: het is de enige daad waarin iemand nog geesteskracht kan tonen en eventueel een voorbeeld voor anderen kan zijn. Het begrip lafheid wordt in de Stoa volledig omgedraaid: niet degene die zelfmoord pleegt is laf, maar degene die niet de moed heeft om op het juiste moment uit het leven te stappen. Koste wat het kost vast willen houden aan het leven, wordt beschouwd als een gebrekkige onthechting en een verkeerd oordeel. (2) ‘Je moet het leven niet tot élke prijs kopen’, zegt Seneca (70,7). In dit verband kunnen we niet alleen denken aan slopende ziekten, maar ook aan het leven onder een vijandig regime. Een strenge stoïcijn zou de talrijke geleerden en kunstenaars die onder het naziregime vluchtten naar Engeland, Amerika of Zwitserland, als ultieme lafbekken hebben beschouwd. De vrijheid van spreken en leven wordt ernstig bedreigd? Tijd om er een einde aan te maken! Met name de vlucht van de Oranjes en de Nederlandse regering in 1940 zou in dit verband landverraad genoemd kunnen worden: het eigen leven, dat wil zeggen de lengte ervan (nog wat langer kunnen eten en drinken en naar de wc gaan), werd hoger aangeslagen dan de vrijheid van het volk en de vrije uitweg naar de dood. (3) Juist een regeringsleider heeft een morele voorbeeldfunctie te vervullen; dat het in de steek gelaten Nederlandse volk zich nog steeds bleef vastklampen aan ‘radio Oranje’ is mij dan ook een raadsel. Een ongewenst zwangere vrouw die leeft in een land waar abortus verboden is, weet dus wat de oplossing kan zijn voor eeuwige vrijheid (en wat een prachtige stoïsche daad van verzet zou zij stellen, Cato waardig!) (4); als de Staatkundig Gereformeerde Partij (5) ooit aan de macht komt, weten wij (Nederlanders) allemaal wat ons te doen staat. Het via politieke weg weerstand bieden is overigens ook toegestaan; stoïcijnen hechten sterk aan politiek engagement, omdat men zich op die manier ten dienste kan stellen aan de universele menselijke broederschap. (6) Christendemocraten opgelet; wat nu volgt is belangrijk. ‘Je zult ook mensen tegenkomen die zich wel op wijsheid toeleggen, maar zeggen dat men zijn leven geen geweld mag aandoen en het goddeloos vinden dat men zijn eigen moordenaar wordt: men moet het einde afwachten dat de natuur bepaald heeft. Wie dit zegt, ziet niet in dat hij de weg naar vrijheid afsluit: de eeuwige wet [i.e. de natuur, gelijk aan God voor de stoïcijnen – IB] heeft voor niets beter gezorgd dan dat zij ons één toegang tot het leven gegeven heeft, maar vele uitgangen’ (70, 14). Ook hier zien we een mooie omkering: het is niet tegennatuurlijk om een einde aan het leven te maken, maar juist geheel overeenkomstig onze natuur dat we hierin vrij zijn – in tegenstelling tot in veel andere dingen. ‘Dit is nou het enige waarom we niet over het leven kunnen klagen: het houdt niemand tegen!’ (70,15). Bovendien wordt de dood niet beschouwd als louter het moment van sterven. Het is een misvatting dat we de dood zien als iets dat vóór ons ligt; eigenlijk zijn alle momenten die al voorbij zijn gegaan in bezit van de dood (cf. brief 1,2). Seneca zegt letterlijk: ‘Dagelijks sterven we af’ (24,20). Wat we in de volksmond ‘dood’ noemen, is ‘de laatste dood, niet de enige’ (24,21). Wanneer we op talloze andere momenten wél zelf mogen beslissen wat we doen, waarom dan niet bij het verscheiden, één van de handelingen van het leven? Wel is het volgens Seneca relatief wanneer je wel of niet je lot in eigen hand moet nemen. Het is wezenlijk aan verstandigheid om elke situatie in te schatten. Bovendien gaat het steeds om mensen die bij hun volle verstand zijn op het moment dat ze tot zelfmoord besluiten. Wat nu als iemand bijvoorbeeld in coma ligt? In principe maakt het niet uit wanneer iemand besloten heeft dat hij bereid is te sterven, en formuleert onder welke voorwaarden hij niet langer wil leven. Een stoïcijn zou het leven waarin de mens niet meer redelijk kan denken, geen menselijk leven meer noemen, en het op diens eerdere verzoek perfect toelaatbaar vinden dat een ander de helpende hand biedt. Het is paradoxaal dat mensen die zich beroepen op ‘traditie’ als motivatie van hun handelen, en de klassieke oudheid daarbij als wezenlijke component van de Europese geschiedenis zien, deze zo uiterst selectief en verwrongen door christelijke inmenging toepassen. Juist de secularisering biedt de unieke kans om de klassieke tradities uit te zuiveren, en de filosofie als therapie en meditatie te herstellen – niet als instituut dat voorschrijft hoe we moeten denken en onze boeken verbrandt, maar als individuele, zelf gekozen weg tot morele verbetering. Hoe meer mensen daar zelf toe beslissen, hoe minder luid de stem van de beregeling, overheidsinvloed en tirannieke (religieuze) supervisie kan klinken.
Isabelle Buhre Isabelle Buhre Linksmailto:isabellebuhre@hotmail.com |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|