Mooi toch, hoe iedereen uit een crisis altijd de bevestiging puurt van zijn eigen gelijk. Ook uit de financiële crisis. De linkerzijde was er als de kippen bij om de doodsklokken te luiden over het casinokapitalisme en het neoliberalisme. ‘Het verhaal van de rechterzijde, van de ongebreidelde vrije markt, heeft afgedaan,’ stelde Louis Tobback triomfantelijk vast. Ook zijn partijvoorzitter Caroline Gennez zette tevreden de Vlaamse liberalen in de hoek: ‘Het neoliberalisme is in een paar weken failliet gegaan, net zoals het communisme in 1989.’ Enige schadenfreude is hen gegund. Maar ik voel me, als liberaal, niet aangesproken door hun kritiek en ben al evenmin, als beleidsmaker, overtuigd door hun argumenten. Wel ongerust. Want in die politieke aanval op de liberale recepten schuilt een gevaar dat de economie zwaarder kan treffen dan het mismanagement van de voorbije jaren al gedaan heeft. Kapitalisme in vrije val Afgelopen september heeft het kapitalisme zich zeker van zijn meest onaangename kant laten zien. De dromen van hefboomfondsen en financiële wonderboys bleken niet meer dan dat te zijn: onwerkelijke dromen, onwezenlijke cijfers op basis van onbegrijpelijke wiskundige modellen die enkel virtuele winsten genereerden. Tot de Amerikaanse subprime mortgages - minderwaardige leningen uitgereikt door banken die, dronken van overvloedige geldstromen, iedere voorzichtigheid aan hun laars lapten – het op slag voor iedereen begrijpelijk maakten: dit klopt niet. De opgewarmde lucht van speculanten heeft een financiële orkaan in gang gezet die iedereen raakt. Overal ter wereld is de overheid de banksector ter hulp geschoten om een nog ergere escalatie te voorkomen. Het prijskaartje daarvoor wordt door iedereen gedeeld. Ook de reële economie - de bedrijven en investeerders wiens omzet wel grotendeels hun oorsprong vindt in tastbare vooruitgang - deelt in de klappen. Door het inkrimpen van de geldmarkt raken bedrijven moeilijker aan kredieten. Burgers denken twee keer na vooraleer ze geld uitgeven en toekomstplannen maken. Herstructureringen worden onafwendbaar, mensen verliezen loon en werk en de vicieuze cirkel van slecht nieuws begint aan een volgende ronde. Logisch. In een wereld waar de virtuele omzet en winsten vele keren groter zijn dan de reële kern van activiteiten veroorzaakt een echt probleem ook een buitensporig grote terugslag. Wie bevestiging zocht voor de vernietigende kracht van losgeslagen kapitalisme en irrational exuberance leest de jongste maanden met plezier de krant. Deze financiële crisis raakt inderdaad het hart van het kapitalisme. De bedreiging zit bovendien ingebakken in het systeem zelf. Ons woord ‘krediet’ is afgeleid het Latijnse ‘credo’ – geloven, vertrouwen. Als dat vertrouwen wegvalt, als het beschaamd wordt zoals bij de rommelkredieten het geval was en het gevoel van verantwoordelijkheid manifest ontbreekt, is de kredietcrisis in de meest letterlijke betekenis van het woord nabij. Maar zelfs een dergelijke storm hoeft niet de ondergang van het kapitalisme te betekenen waar Karl Marx en de mensen die hem recent afgestoft hebben op rekenen. Integendeel, crisissen maken onlosmakelijk deel uit van een kapitalistisch systeem. Dat blijkt ook uit The Ascent of Money, Niall Ferguson’s overzicht van de financiële wereld door de eeuwen heen: ‘The ascent of money has not been, and can never be, a smooth one. Financial history is a roller coaster ride of ups and downs, bubbles and busts, manias and panics, shocks and crashes.’ De reden daarvoor is eenvoudig. Financiële instrumenten houden zich per definitie met het inschatten van onzekerheid en risico’s bezig. Die afweging wordt bovendien gemaakt door mensen, met al hun eigenaardigheden, angsten, paniekreacties, zelfoverschatting, wishful thinking en volggedrag. En uit het kromme hout waaruit de mens gemaakt is, kan niets dat volmaakt recht is getimmerd worden. Er is niemand die die les beter geleerd heeft dan John Meriwether, hedge fund manager van het legendarische LTCM. Long-Term Capital Management, het fonds dat hij in 1994 oprichtte samen met absolute toppers van de academische wereld en van Wall Street, was ooit de avant garde van de financiële investeringswereld. De bollebozen van LTCM - waaronder twee latere Nobelprijswinnaars - leken de wiskundige formule gevonden te hebben om marktrisico’s te slim af te zijn. Een droom die werkelijkheid werd. En de winsten leken de eerste jaren dan ook buitengewoon. Tot ineens, begin 1998, de onvoorspelbaarheid terugkeerde en LTCM meegezogen werd in evenementen die in hun simulaties nergens voorkwamen. De crisis die begon in Rusland, waar de overheid moest vaststellen dat ze haar schulden niet meer kon afbetalen, raakte de hele financiële markt en binnen geen tijd stortte LTCM in. Op minder dan een jaar was het wonderfonds failliet en uitverkocht aan meer traditionele investeringsfondsen. Een ontnuchterde Meriwether moest toegeven dat hij doorheen de mooie theoretische modellen de al te menselijke werkelijkheid verloren geraakt was, ook al had de geschiedenis hem beter kunnen leren: “If I had lived through the depression, I would have been in a better position to understand events.” Ook nu weer verbaasde en verblufte de beurscrash iedereen. Zelfs Alan Greenspan – die meer dan 10 jaar geleden al waarschuwde voor het irrationele enthousiasme van beurzen – geeft nu toe zich verkeken te hebben op de mate waarin het eigenbelang van investeerders ertoe zou leiden dat ze zichzelf beschermden tegen onverantwoorde avonturen. Liberalisme in verdrukking De oorzaken van de crisis zijn dus zo oud als het kapitalisme zelf. Ook de aanpak ervan is niet zo nieuw als we zouden denken. De paradox van het kapitalisme is dat de overheid regelmatig moet ingrijpen om de vrije markt overeind te houden. Bij alle grote crisissen van de recente geschiedenis maakten overheidstussenkomsten en –garanties in de banksector deel uit van het vangnet. Geld is als het bloed in de aderen van een economie. Geen enkele overheid – van welke politieke overtuiging dan ook – kan zich veroorloven die stroom te laten stilvallen. Is het liberale wereldbeeld daarmee fundamenteel ondergraven zoals critici van links beweren? Zeker niet. Liberalisme is immers veel meer dan kapitalisme, dan het slaafs ondergaan van de wetmatigheden van de markt, toegeven aan de zelfzuchtigheid van het grootkapitaal en naďef hopen op het zelfregulerend vermogen ervan. Het liberalisme staat niet voor de ongebreidelde vrije markt waar Tobback het over heeft. Liberalisme neemt de vrije markt voor wat ze is – een verre van perfect systeem maar desondanks het minst slechte om economische groei, menselijke creativiteit en welvaart te verzekeren – en bouwt er de politieke structuren op om haar idealen te verwezenlijken. Structuren waarin de overheid niet afwezig is maar wel binnen de perken blijft, de spelregels vastlegt maar niet in de plaats van de markt probeert op te treden. Waarin economie geen doel op zich is maar een middel om ieders vrijheid uit te bouwen. Ieders recht op life, liberty and the pursuit of happiness te garanderen, zoals de Amerikaanse Declaration of Independence dat zo mooi uitdrukt. In het Vlaamse liberalisme is die evenwichtige wisselwerking tussen staat en markt altijd nadrukkelijk aanwezig geweest. U zult mij nooit een survival of the fittest-kapitalisme horen verdedigen hebben waarin iedere overheidstussenkomst uit den boze is. De markt heeft een staat nodig die regels vastlegt, er controle op uitvoert en ze doet naleven. Die bijstuurt voor domeinen waarop de vrije markt faalt – zoals milieu en gezondheidszorg – en herverdeelt voor zij die op de reguliere markt moeilijk terecht kunnen. In het mismanagement van de opties, securities en hefboomfondsen speelden life, liberty and the pursuit of hapiness volgens mij geen al te grote rol. Hun tijdelijke successen heb ik nooit als overwinningen voor het liberalisme gezien. In mijn boek De toekomst is vrij had ik het in 2002 al over de verantwoordelijke vrijheid als medicament tegen ‘de kater van de bubbeleconomie’. (De Toekomst is Vrij, Houtekiet, 2002, p. 85). En ik hoef dus hun falen ook niet op mijn ideologische schouders te nemen. Etatisme in bloei Door de onverantwoordelijkheid van de financiële sector komt de vrije markt wel degelijk in de verdrukking. Ook de werkelijke verwezenlijkingen ervan, al zijn die zeker zo indrukwekkend als de virtuele winsten van LTCM. De overheidstussenkomst in de banksector smaakt blijkbaar naar meer. Zo is er het pleidooi van de Franse president Sarkozy voor het oprichten van Europese staatsfondsen om zogezegd strategisch belangrijke industrieën te beschermen tegen buitenlandse kapers. Ook Caroline Gennez kondigde ‘de terugkeer van de overheid’ aan, die voortaan slim en efficiënt is waar de markt gefaald heeft, die garant staat voor eerlijkheid en zekerheid tegenover de jungle van de vrije markt. Haar topminister Frank Vandenbroucke ziet in het Keynesianisme weer de oplossing voor een actief investerende Vlaamse regering. En dan was er nog de Vooruitgroep die, onder de bijna aandoenlijke titel Bankencrisis vraagt om staatshervorming (als staaltje van zelfbevestigende redenering kan dat tellen), een pleidooi hield tegen ‘de ideologie van privatisering en destabilisering van vitale maatschappelijke activiteiten als kredietverlening, maar ook telecommunicatie, post, energiebevoorrading, vervoer, gezondheidszorg en noem maar op.’ De pragmatische en tijdelijke verstaatsing in de financiële sector dreigt zo het fundament van het vrij ondernemerschap weer te ondergraven - slechts enkele decennia nadat het falen van rechtstreekse overheidstussenkomst in vele sectoren zo overtuigend bleek uit de toestand van onze staatsbedrijven en uit de budgettaire toestand van onze overheden. De fouten uit het verleden zijn niet de oplossing voor de toekomst. Waarom uit deze crisis zou blijken dat de overheid er beter dan de markt in zou slagen zaken als ‘post, energiebevoorrading, vervoer, gezondheidszorg en noem maar op’ te besturen is mij onduidelijk. Want de oorzaken van de crisis zijn ňňk te vinden in de onmacht van de overheid om toe te zien op de bestaande regels en ze af te dwingen. Ook de overheid heeft de huidige crisis niet zien aankomen en politieke verantwoordelijken hebben mee het klimaat gecreëerd waarin de crisis zich verder uitbreidde. Het is al te gemakkelijk daar een bewuste, ideologische blindheid in te zien. Het toont gewoon de beperkingen van de overheid aan in het omgaan met de permanente revolutie waarin de economie zich bevindt. ‘There was something of a perfect storm in which policy mistakes combined with Wall Street’s excesses,’ vatte The Economist het netjes samen. De lessen die getrokken moeten worden zijn te zoeken op het vlak van betere regulering en het beter leren omgaan met de instabiliteit van de markt. Wie nu doet alsof de overheid alle onhebbelijkheden van de markt uit de weg zal ruimen, maakt een totaal verkeerde inschatting van hoe onze economie werkt. Ook daarin ligt het ideologische verschil met links. Ik ben geen liberaal omdat ik geloof dat de markt alle problemen kan oplossen. Ik ben liberaal omdat ik weet dat de overheid dat evenmin kan. Omdat tegenover de irrational exuberance van de markt een inflexibele regeldrift van de overheid staat die haar eigen beperkingen in zich draagt. Toch is de verleiding om in dat verhaal van verstaatsing mee te gaan bij vele politici groot. Het is ongetwijfeld een makkelijkere boodschap tegenover de angst en frustratie waarmee burgers, volkomen terecht, worstelen. Maar dat maakt ze nog niet correct. Als liberaal moet je durven toegeven dat je alleen rozen krijgt als je er de doornen bijneemt. Globalisering in achteruit Ook voor politici geldt dat ze met enige kennis van de geschiedenis beter geplaatst zijn de problemen en bedreigingen van nu te begrijpen. Inzicht in de problemen die leidden tot het einde van de eerste globaliseringsgolf en die opvallend herkenbaar zijn. In de bedreigingen ook die uitgaan van een wereld waarin de tussenschotten tussen landen en markten weer opgetrokken worden. De economische, politieke en ideologische geschiedenis dreigt zich immers te herhalen, en ik zie niet in waarom het resultaat dit keer zoveel beter zou zijn. Ook tussen 1870 en de Eerste Wereldoorlog kende de wereld een ongeziene groei van grensoverschrijdende handel en investeringen, van internationale financiële stromen, van technologie, cultuur en ideeën die letterlijk en figuurlijk geen grenzen meer kenden en - meer nog dan nu – van migratiestromen. Toch werd ook die globalisering begraven onder wetten en praktische, ideologische en politieke bezwaren, verstikt door de druk die globaliseringsverliezers en machtige drukkingsgroepen op de nationale politiek uitoefenden. Toch werd er een eind gemaakt aan de integratie van de wereld door tegenreacties tegen buitenlands kapitaal, tegen economische en politieke concurrentie die van andere landen uitging, tegen angst. Die tegenbeweging was al ingezet lang voor WOI uitbrak. Eerst in de praktijk, daarna in de ideologie. Duitsland zette de toon door in 1879 tarieven in te voeren op alle industriële- en landbouwproducten en zowat alle Europese staten volgden. De klassieke liberale recepten van vrije markten, beperkte overheidsinterventie en een betrouwbare munt – dogma’s zelfs in het grootste deel van de 19de eeuw – werden verlaten voor politieke sturing op steeds meer vlakken. De ideologie volgde de feiten. Nationalisme bleek immers ook een machtig politiek wapen om maatschappelijke stoom af te laten, om malcontenten aan het bestel te binden en interne tegenstellingen op externe elementen af te wentelen. Voortaan was het ieder voor zich, zowel op economisch als politiek vlak. De beurscrash van 1929 dienden de economische vrijheid de doodslag toe. Banken gingen over de kop, de kredietmarkt stortte in en de meeste landen verscholen zich achter tariefmuren, quota en controles. Op nauwelijks 3 jaar tijd was de wereldhandel met 2/3 gekrompen. ‘By the 1930s the combination of collectivist ideas, protectionist interests, war, monetary disorder and economic depression had destroyed the assumptions, beliefs, policies and practices that had underpinned the liberal world economic order’, schrijft Martin Wolf in Why Globalisation Works, ‘Multilateralism was replaced by bilateralism, non-discrimination by discrimination, free trade by comprehensive protection, freedom of capital flows by exchange controls and free movement of labour by rigorous restrictions.’ De kettingreactie klinkt ons maar al te bekend in de oren. Ook nu weer is het de angst voor de onvoorspelbaarheid van vrije financiële markten die onze hoop op de overheid doet vestigen. Ook nu is het schrikbeeld van buitenlandse concurrentie genoeg om de grenzen te willen sluiten voor buitenlands kapitaal en vreemde bedrijven. Ook nu vertrouwen we op de goede bedoelingen van onze eigen nationale overheid, in tegenstelling tot de slechte wil van de onpersoonlijke markt. Er gaan ook buiten het Westen meer en meer stemmen op tegen die westerse paniekkramp tegen de globalisering. Kishore Mahbubani bijvoorbeeld - een invloedrijk academicus en voormalig topdiplomaat uit Signapore - verwijt ons in The New Asian Hemisphere slecht om te gaan met de globalisering. Terwijl de rest van de wereld zich ontwikkelt op een schaal en aan een tempo die nooit eerder in de geschiedenis vertoond zijn, reageren de Verenigde Staten en Europa volgens hem alleen maar met angst en afgunst. ‘Why is the west not celebrating?’, vraagt hij zich af. Hoe komt het dat Azië zich aan een gigantisch tempo ontwikkelt dankzij de economische recepten die het aan het Westen ontleend heeft – terwijl het Westen die net nu aan het vergeten is en op zichzelf dreigt terug te plooien? ‘It takes confidence to open up to international competition’, stelt hij vast, ‘Diminishing confidence results in less openness’. Dat gebrek aan zelfverzekerdheid kan ons duur te staan komen. Want de periodes waarin de wereldeconomie de sterkste groei kende, waren telkens deze waarin de globalisering het meest toenam. Veruit de slechtste cijfers werden gehaald vňňr de eerste grote globaliseringsgolf en in de jaren tussen de 2 wereldoorlogen in, telkens toen de nationalistische en protectionistische tendensen het sterkst waren. En een van de schijnbare paradoxen van de globalisering is, dat het vrijmaken van de economie om een sterke politieke sturing vraagt. Waar politiek en burgers hun geloof in de economische vrijheid verliezen en aan hun overtuiging gaan twijfelen, ontbreekt het de globalisering aan het noodzakelijke maatschappelijke draagvlak. Protectionisme is dan de gemakkelijkheidsoplossing. Ook nu kondigt zo’n periode zich aan. Het gebrek aan succes in de Doha–ronde en het aftakelen van het economische multilateralisme zijn daar de beste tekenen van. De opkomst van nieuwe economische en politieke grootmachten doet de vrees nog toenemen. En de financiële crisis schetst het perfecte klimaat om de nefaste kettingreactie verder in gang te zetten. Het zou een politieke misdaad zijn de gevolgen van de kredietcrisis te onderschatten, maar we moeten ons ervoor hoeden het kind met het badwater weg te gooien. Ondanks de soms misselijkmakende golfbewegingen van de vrije markt is ze veruit het sterkste middel om welvaart te creëren. De liberale economische recepten blijven ook in deze tijden van cholera overeind. De liberale waarden, het liberale mens- en wereldbeeld komen onder druk van zodra de nuttigheid van vrijheid in vraag gesteld wordt. Maar de geschiedenis toont dat enkel verantwoordelijke vrijheid crisissen weet te overwinnen.
Karel De Gucht Karel De Gucht Linkshttp://www.kareldegucht.be/ |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|