De intellectuele geschiedenis van het liberalisme is een mooie traditie vol met denkers die hebben bijdragen tot een groot aantal onderwerpen. John Locke, Immanuel Kant, Adam Smith, Karl Popper, Milton Friedman, Friedrich von Hayek en Amartya Sen – om maar enkelen te noemen – hebben niet alleen bijdragen op het vlak van de politieke filosofie op zich, maar ook op het vlak van de morele filosofie, de methodologie, de epistemologie, de economie, de sociologie en, bij uitbreiding, nog zoveel meer. Het zou jammer zijn dat deze mooie en – vooral – diverse groep van denkers uit elkaar gehaald wordt door jammerlijke discussies over wie de ‘werkelijke’ traditie mag claimen van het liberalisme. Het doel van deze tekst is drieledig. Eerst en vooral zou ik graag willen pleiten voor een brede definitie van de liberale beweging, met argumenten uit de historische traditie om dit pluralisme als een logisch gevolg van de traditie naar voor te schuiven. Een tweede doel is om de verschillen – die (soms) aanleiding geven tot een dispuut over de ‘correcte’ invulling hiervan – te nuanceren en, vooral, de gelijkenissen te benadrukken. Een traditie is immers geen vast stel heilige regels die in de stenen tafelen staan geschreven – voor dogmatiek bestaan er al genoeg maatschappelijke invloeden. Diversiteit is de kracht van onze traditie en door al het gefocus op de verschillen, vergeten we al eens de gelijkenissen. Zaken zoals de moraliteit van de eigendom, de morele rechtvaardiging van herverdeling en de visie op (vrije) markten zijn maar enkele van de zaken waarop de verschillen waarschijnlijk kleiner (of eenvoudiger te overbruggen) dan we al eens het gevoel zouden krijgen. Natuurlijk wens ik niet te zeggen dat er geen verschillen zijn, maar die zijn al genoeg benadrukt doorheen de tijd. Een derde doel dat ik graag zou bereiken is om trachten een wederzijds respect te krijgen voor enerzijds zij die ook al eens ‘libertariërs’ genoemd worden en de ‘progressef’ liberalen anderzijds. Beide kunnen, terecht, claimen dat ze in de traditie van het liberalisme staan. In een wereld waarin de overheid niet alleen 50% van het BNP controleert door middel van directe geldstromen, maar ook nog eens zoveel meer controleert door middel van regulering is het duidelijk dat de vijand niet ligt in de andere stroming binnen de liberale beweging maar ver, ver daarbuiten, bij het staatsnationalisme, het antikosmopolitisch socialisme en de conservatieve staat die onze vader en moeder tegelijkertijd speelt. Er wordt vaak terecht op gewezen dat een zuiver ‘anti-overheid’ liberalisme verre van gededuceerd kan worden uit deze traditie. Adam Smith zijn pleidooi voor de financiering van overheidsgebouwen, John Stuart Mill met zijn geschriften over de mogelijkheid van een vorm van overheidgesponsorde opvang of Thomas Paine met zijn beargumentering van wat we heden ten dage een basisinkomen zouden kunnen noemen. Zelfs in John Locke zijn ‘proviso’ kan een legitimering gelezen worden om vormen van herverdeling te regelen via de staat. Langs de andere kant kan er ook niet zomaar beweerd worden dat (alle) ‘Klassiek’ liberalen zomaar voorstander waren van dit soort schemata. Frederique Bastiat vond dat de wet niet kon uitgebreid worden voor iets anders dan de collectieve bescherming van het lichaam en de eigendom. Dezelfde Adam Smith was ook heel sceptisch om de overheid de leerkrachten uit te betalen – hij vond namelijk dat de ‘principal’ in dit verhaal de leerling was en die dus de leraar moet betalen. Of Jeremy Bentham die ooit op een waarschijnlijk onbewaakt moment beweerde dat elke wet een inbreuk was op de vrijheid van het individu. Of de Duitse Wilhelm von Humboldt, die ook beargumenteerde dat de strikte limiet van de staat niet verder mag gaan dat het aanbieden van veiligheid. Het punt is niet om hier te beweren dat een bepaalde vorm van liberalisme ‘correct’ is. Ik ga volledig akkoord dat er iets kernachtig is in deze gehele theorie die we allemaal te samen liberaal kunnen noemen. Het probleem zit hem echter in de bewering dat de idee van een (streng) gelimiteerde overheid niet aanwezig zou zijn, wat overduidelijk wel het geval is. Het lijkt me ook zo dat we binnen de grote verzameling van liberalisme bepaalde nuanceringen in visies kunnen aanbrengen, zoals een meer progressief liberalisme enerzijds of een meer minarchistisch liberalisme anderzijds. Alweer: het punt is niet om het grote gelijk hier van het ene of het andere te beargumenteren – alhoewel ik natuurlijk wel een voorkeur heb – maar om het pluralisme dat onze beweging zo kenmerkt te benadrukken en niet weg te definiëren. De zogenaamde onnoemlijke verschillen die er binnen de verschillende stromingen zijn, zijn vaak aanzet tot uitgebreide discussie. Maar iedereen die een stap terug neemt en vanuit een meer historisch standpunt op deze discussies kan neerkijken, weet dat de verschillen niet noodzakelijk zo groot moeten zijn. Daarmee is niet gezegd dat de verschillen niet belangrijk zouden zijn. Hoe groot of klein een meningsverschil is zegt niets over het belang daarvan. Alleen; hoe kleiner de meningsverschillen zijn – zeker als je het grotere plaatje niet vergeet – hoe groter de mogelijkheid om tot een eensgezind standpunt te komen. We zullen dit illustreren aan de hand van enkele voorbeelden. Een eerste voorbeeld is de (principiële) rechtvaardiging van het helpen van zwakkeren via de staat. Het hoeft geen betoog dat liberalen absoluut niet tevreden kunnen zijn met de manier waarop de huidige Westerse welvaartstaten werken (in vergelijking met wat ze potentieel zouden kunnen). Er zijn gigantische staatsschulden, de welvaartstaat wekt een antipathie op voor immigranten, lage uitkeringen, werkloosheidsvallen en dergelijke meer zijn allemaal problemen waarmee de Westerse welvaartstaten in het algemeen en België in het bijzonder door getroffen zijn. Als er een principieel verschil is – op basis van deze of gene theorie – dan zal het inderdaad moeilijk zijn om hier principieel tot een gelijk te komen. Als iemand principieel de overheid afwijst als een legitieme organisatie om hulp in nood te verschaffen, een gezondheidszorg te regelen, leeflonen uit te betalen en dergelijke meer dan zal het niet mogelijk zijn om (tenzij als over deze meta-theorie wordt gediscussieerd waarvan dit standpunt een gevolg is) tot een vergelijk te komen. Maar daaruit volgt natuurlijk niet dat er geen marginale verbeteringen kunnen voorgesteld worden die door beide partijen gedragen kunnen worden. Milton Friedman en Friedrich von Hayek – vaak bij de ‘libertariërs’ gerekend – hebben in hun respectievelijke boeken Capitalism and Freedom (of ‘free to choose’) enerzijds en The Constitution of Liberty anderzijds uitgebreid aandacht gespendeerd aan, in essentie, een plan om een ‘goede’, liberale welvaartstaat te hebben. Men kan perfect de ‘capability approach’ van Martha Nussbaum en Amartya Sen of de theorie van rechtvaardigheid van John Rawls volgen – als iemand die een voormalige fan is, maar nu een grote criticus van vele aspecten van John Rawls zijn theorie, irriteert me nog het meest dat zijn theorie als een kritiekloze bevestiging van de welvaartstaat wordt beschouwd. Maar er zijn wel degelijk goede redenen dat zelfs gegeven zijn eigen theorie, een (uitgebreide) welvaartstaat geen enkele legitimitatie heeft – en toch akkoord gaan met de Hayekiaanse of Friedmaniaanse voorstellen om de welvaartstaat te beperken en op deze manier mogelijkheden te creëren om mensen hun eigen leven te laten controleren. Vergeet immers niet dat de welvaartstaat niet alleen (uitgebreid) belast, waardoor mensen moeilijker zelfstandig kunnen worden, maar ook uitgebreid reguleert, waardoor mensen in het keurslijf van de overheid zitten. Liberalen van het gehele spectrum zouden deze invasie in de persoonlijke handelingssfeer van individuen in vraag moeten stellen. We kunnen overigens zelf nog een stapje verder gaan. Zelfs op basis van Nussbaum, Sen en Rawls zou het kunnen dat een welvaartstaat niet gerechtvaardigd kan worden. Immers: de welvaartstaat is maar een middel tot het bereiken van een bepaald doel, namelijk de rechtvaardige eindtoestand van mensen die hun capaciteiten kunnen gebruiken enerzijds of het bevorderen van de toestand van de slechts bedeelden anderzijds. Stel nu dat er (relatief) overtuigend bewijs kan gegeven worden dat private initiatieven over de tijd heen – voor de welvaartstaat – relatief in staat waren (gegeven de welvaartsniveaus van toen) om oplossingen te bieden die de gewenste toestand van deze auteurs kan bereiken? We hoeven dan zelfs de principiële rechtvaardiging van de welvaartstaat niet achter ons te laten, maar enkel op basis van pragmatische en prudentiële argumenten voorstander zijn van het verminderen of nihileren van de welvaartstaat. Het lijkt mij dat beide partijen er goed aan kunnen doen om de (empirische) literatuur te bestuderen: enerzijds die van mechanismen die er bestaan in de absentie van de staat (en dus in de civil society) en de mechanismen die er bestaan binnenin de staat. In beide gevallen zullen er betere en slechtere mechanismen zijn, maar het kan in ieder geval geen kwaad om daarover bij te leren. Zomaar stellen dat het ene noodzakelijkerwijze altijd (empirisch) beter is dan de andere lijkt mij eerlijk en oprecht een dogma. Het moet ook opgemerkt worden dat er ook in de liberale traditie verschillen zijn. Bijvoorbeeld: Adam Smith zag inderdaad geen graten dat het ‘systeem van natuurlijke vrijheid’ gepaard ging met fondsen voor schoolgebouwen, maar dat is nog iets anders dan het finale doel van het recht – zoals Rawls doet – zodanig denken dat we ons moeten focussen op het belang van de minstbedeelden. Iemand als Hayek of Friedman past dan, naar mijn inziens, beter in deze traditie omdat zij (net zoals Smith) geen principieel probleem hadden met herverdeling – dit zelfs wenselijk vonden voor de samenleving in zijn geheel – maar het niet, zoals Rawls, verheft tot het summum van rechtvaardigheid. Als we een strikte dichotomie maken van ‘was hij voor of tegen overheidsinterventie?’ dan gaan we vergeten dat er ook op het niveau van de argumenten voor bepaalde zaken verschillen zijn waarmee rekening gehouden moet worden. Ik heb om de vraag heen gecirkeld of dat er een principiële rechtvaardiging kan zijn van het helpen van mensen via de staat via allerlei mechanismen. Het zal misschien geen verrassing heten dat ik daar, inderdaad, in principe tegenstander van ben. Dit vereist een uitgebreid natuurrechtelijk en empirisch pleidooi, met vele nuanceringen op zich, dus daar ga ik niet geheel op in. Ik zal een argument geven. Deze theorie – dat de overheid zich bezig moet houden met herverdeling – is per definitie anti-kosmopolitisch. Het is afhankelijk van wat de overheid kan belasten van haar (eigen) burgers en creëert een tweedeling tussen ‘autochtonen’ en ‘immigranten’, waarbij de tweede worden uitgesloten van de mogelijke voordeling. De (principiële) theorie is simpelweg afhankelijk van de contingente factoren in de samenleving wat de kwaliteit en de kwantiteit is van de middelen die aangeboden kan worden. Er wordt al eens gezegd dat de welvaartstaat en immigratie incompatibel zijn. Mijn gevolgtrekking is dan: jammer voor de welvaartstaat. Dit is (in mijn ogen) veel minder inhumaan dan velen het zouden willen doen lijken: de welvaartstaat is immers vooral een herverdelingsschema waarbij het zelfs niet eens duidelijk is of de armen wel het meeste voordeel eruit halen. Wat echter wel heel duidelijk is, is dat immigratie daardoor enorm aan banden moet gelegd worden. Dus we ontzeggen zij die echt in de armste en slechtste landen ter wereld wonen (Haïti, Congo, Rwanda, Ethiopië) om naar hier te immigreren en een beter leven te stichten omdat we een mechanisme in stand willen houden waarvan de voordelen voor velen onduidelijk zijn en vooral de ‘relatief’ armen (in zoverre het al waar is) helpt. Dus zij die in de ogen van de gemiddelde Belg ‘arm’ zijn in het eigen land, maar zij de het nog veel slechter hebben, die worden uitgesloten. Jammer, maar helaas, maar ik vind dat geen principe dat ik op morele gronden kan steunen. Dit verandert natuurlijk als we spreken over vrijwillige giften, vormen van mutualiteiten waarbij mensen fondsen samen brengen om collectief elkaar te verzekeren en meer van dat. Deze vormen zijn niet a priori uitsluitbaar omdat er geen rechten kunnen geclaimd worden. Mensen die daar een onderdeel van willen zijn, die moeten de mensen die daar een deel van zijn, overtuigen. Het niet-geografische is natuurlijk een groot voordeel: daardoor kunnen immigranten naar hier verhuizen en hun bijdragen leveren, zonder dat ze uitgesloten moeten worden omdat ze (nog) geen bijdrage kunnen leveren. Alweer: vele nuanceringen zijn niet vermeld. Maar het is duidelijk dat deze vorm van redeneren in het kader van de liberale traditie valt. Meer zelfs: de argumentatie is op quasi Rawlsiaanse gronden gevoerd. (Ik heb hier niet beweerd dat Rawls hier mee akkoord zou zijn, maar dat belangrijke elementen uit het Rawlsiaanse denken aanwezig zijn in het argument.) Een tweede verschil is de legitimering van eigendom. De gondvader van deze gedachte is, natuurlijk, Locke met zijn arbeidstheorie van eigendom. Als gij grond of middelen met uw arbeid vermengt, dan is dat van u. Nozick is waarschijnlijk de meest bekende (moderne) verdediger van dit idee. Langs de andere kant past echter Rawls ook in de Lockeaanse traditie: niet omwille van zijn verdediging van de arbeidstheorie van eigendom (die, zover ik weet, simpelweg afwezig is in Rawls), maar omwille van een sociaal contract dat de overheid tot stand zou brengen ten einde een bepaald doel te bereiken. Iemand als Nozick vond dat eigendom een absoluut recht was en de rechtvaardigheid daarvan bestond in de rechtvaardige verwerving en de rechtvaardige overdracht daarvan. Op basis daarvan beargumenteert hij dat Rawls zijn theorie van herverdeling niet voldoende is. (Hij heeft nog andere argumenten, maar zijn eigen positieve theorie ligt in het verlengde van Locke.) Wat Nozick doet is eigendom – en de eigendom over het eigen lichaam en handelingen – verabsoluteren tot het recht. Het is nogal logisch dat op principiële grond er dan geen legitimatie meer kan zijn voor herverdeling of inbreuken daarop. We kunnen echter geen strikte scheidingslijn trekken van enerzijds ‘zij die eigendom absoluteren en daarom geen welvaartstaat willen’ en ‘zij die dat niet doen en dus wel een welvaartsstaat wensen’. Ludwig von Mises vond bijvoorbeeld al het spreken van ‘eigendomsrecht’ maar onzin. Hij was een utilitarist, maar op basis van utilitaristische en consequentialistische argumenten verwierp hij de staat. Langs de andere kant kan Locke zelf – ondanks al zijn praat over de suprematie van eigendom – gelezen worden als voorstander van herverdeling, via zijn bekende proviso, dat stelt dat we over moeten laten voor zij die niets hebben. Het is niet omdat je eigendom de kern van jouw betoog maakt, dat het daarom zo is dat bepaalde vormen van noodzakelijkheid of urgentie geen dominantere claim kunnen hebben op bepaalde vormen van middelen. Alweer: de diversiteit moge duidelijk zijn, net zoals de moeilijkheid om strikte scheidingslijnen te trekken. Een volgende voorbeeld is de theorie van het marktproces. Dit is, strikt genomen, een zuiver positieve analyse, dit is een descriptief-wetenschappelijke. ‘Zo werkt het marktproces’ en ‘daar faalt het’. Deze verschillen in descriptieve analyse hebben echter een wezenlijke invloed in de legitimatie van bepaalde vormen van overheidsinterventie. Als je denkt dat er overal publieke goederen zijn die onmogelijk opgelost kunnen worden door middel van de markt en de overheid noodzakelijk is, ga je een andere visie hebben dan iemand die stelt dat publieke goederen door de markt geleverd kunnen worden en als ze niet door de markt geleverd worden er niet voldoende vraag naar is. Op basis van hoe men de problemen (of het gebrek daaraan) analyseert, komt men tot andere conclusies. Het heeft in deze discussie niet zoveel zin om naar autoriteiten per se te verwijzen – ‘Adam Smith zei dat x, y en z publieke goederen zijn die door de staat geleverd moeten worden!’ helpt ons niet verder. Dat is interessant dat Smith dat vond, maar we zouden de argumenten toch meer op hun eigen waarde moeten zien. Het is in dit verschil – denk ik – dat we de kern van vele verschillen – die potentieel gelijkenissen kunnen worden – vinden. Om even terug te grijpen: als je denkt dat mensen (voldoende) empathie hebben en via het mechanisme van vrijwillige interactie veel efficiënter kunnen werken om de (werkelijke) problemen die de welvaartstaat nu aanpakt op zich te nemen, dan maakt de (rechts-)filosofische analyse op zich niet meer zoveel uit: het heeft niet zoveel zin om voorbeeld van een mechanisme (de staat) te zijn als je denkt dat een ander mechanisme (vrijwillige coöperatie) het veel beter zal kunnen. Op het vlak van het marktproces is een gelijkaardig iets aan de gang. Als iemand beweert dat wegen echte publieke goederen zijn, dan zal hij waarschijnlijk voorstander zijn van deze via de overheid aan te bieden. Als iemand denkt dat wegen geen publiek goed zijn, waar wel degelijk marktconcurrentie mogelijk is, zal hij dat minder zijn. Als iemand denkt dat onderwijs niet aangeboden zou worden aan de zwakkeren, kan hij al eens voor hulp van de staat zijn om dit toch aan te bieden. Als iemand het tegengestelde denkt – om welke reden dan ook – dan zullen er daaruit meningsverschillen ontstaan. Als iemand meent dat een markt zonder anti-trust regulering vol zal zijn met private, door het marktproces gecreëerde, monopolies dan zal hij daar waarschijnlijk eerder voorstander van zijn dan als iemand die denkt dat het marktproces een continue concurrentie is en dat het concept ‘marktmonopolie’ niet meer is dan een onrealistisch theoretisch concept. Zelfs als er een ‘enkele verkoper’ is van een goed, dan nog concurreert die immers met alle anderen goederen in de samenleving. Nu goed; het punt is niet om een bepaalde monopolietheorie uit te doeken te doen; het punt is dat deze verschillen voortkomen uit een descriptieve analyse – die juist of fout kan zijn – maar die niet emotioneel hoeft te verlopen en waar veel mogelijkheden zijn om nader elkaar toe te groeien. Het mag niet verbazen dat het mijn mening is dat zij die positiever staan tegen de mogelijkheden van het marktproces om problemen zoals ‘publieke goederen’, ‘toegankelijkheid voor de armen’ en dergelijke aan te pakken mijn voorkeur wegdragen. Er is geen liberaal in de wereld denk ik die uitsluit dat auto’s of voedsel producten zijn die door middel van vraag en aanbod, ondernemende creativiteit en dergelijke gecreëerd en aangeboden moeten worden op de markt. De presumptie zou inderdaad moeten zijn dat vrijwillige interactie – niet alles hoeft immers ‘om het geld te draaien’ – problemen kan oplossen die een (beperkte) analyse van het marktproces niet kan inzien. Alweer: de argumenten daarvoor ga ik hier niet behandelen, maar ik denk dat het geen kwaad kan als beide partijen de argumenten van de andere kant eens nader bekijken. Er is zoveel interessante literatuur over het marktproces – zowel pro als contra – dat het een intellectuele misdaad is om daar niet dieper op in te gaan. Discussies over de aard en verantwoordelijk van de overheid inzake het geld en bankieren, inzake olie boren in de diepe zee, inzake rampenbestrijding en zoveel meer, zijn discussies die op het vlak van het descriptieve eerst gevoerd moeten worden en dan pas op het niveau van het normatieve. Immers; als je vooronderstelt dat ‘de markt’ enerzijds of ‘de overheid’ anderzijds verantwoordelijk is, dan ligt je conclusie al vast. Maar het is juist die vooronderstelling waar doorgaans het meningsverschil ligt en dat is dus ook het niveau van de rationele discussie. Het moge duidelijk zijn dat er binnen het liberalisme een algemene tendens is dat op een dieper, fundamenteel niveau, gelijk is in al deze ideeën. Men kan hier, misschien wel terecht, opmerken dat er ook iets is dat op een dieper en fundamenteel niveau verschillend is. Maar dan nog zou ik beargumenteren dat de gelijkenissen die ze hebben groter zijn dan de verschillen die ze hebben met andere stromingen. Hoe fundamenteel de mogelijke verschillen zijn die misschien wel aanwezig zijn; ze zijn nog eens zoveel groter met andere, niet liberale stromingen. Een van deze ideeën kan je omschrijven als de decentralisering van macht: daar waar de ene kiest om de overheid als een actor op zichzelf te zien die een deel van de macht kan hebben om bepaalde zaken te bereiken, zie de ander de overheid (hoogstens) als een instantie die macht mag hebben om geweld te voorkomen. Daar waar ze beide uitgaan van het individu in een veranderlijke schaarse wereld, ziet de ene mogelijkheden om het individu te versterken via de overheid, terwijl de andere daar sceptisch naar kijkt en denkt dat dit niet mogelijk is zonder nefaste effecten vanuit die overheid. (Waaronder ook morele redenen gelden!) Beide stromingen hebben – voor de andere stroming en anderen daarbuiten – iets utopisch. De ene gaat er immers (aldus de andere) verkeerdelijk vanuit dat de overheid – zelfs als het in theorie mogelijk is – in staat is goed te doen, vermits het politieke mechanisme perverse incentives creëert, met negatieve gevolgen. De andere gaat er dan weer (aldus de ene) verkeerdelijk vanuit dat het proces van vrijwilligheid altijd het comparatief voordeel heeft in het oplossen van (grootschalige) problemen. Er zullen natuurlijk nog wel andere ideeën zijn die ze van elkaar als onrealistisch zullen voorstellen, maar dit lijkt me toch een van de meer fundamentele. Maar dit soort meningsverschillen mag ons niet stoppen om door middel van rationele argumentatie de anderen te proberen te overtuigen. Zelfs als de andere stroming een argument maakt waar je niet mee akkoord gaat, blijf dan onthouden dat als je geen andere liberaal kan overtuigen, wat heeft het dan voor zin om mensen trachten te overtuigen die buiten het liberalisme staan? Ik heb doorheen deze tekst getracht om een wederzijds begrip te creëren. Het heeft overigens iets ironisch dat in een tekst die gericht is op het beargumenteren van een (voorzichtige) eenheid, er de hele tijd wordt gesproken over twee kampen. Dit is spijtig, maar de feiten zijn nu eenmaal dat er doorgaans wordt gesproken over een ‘wij’ versus ‘zij’ en dat beide kampen (in meerdere of mindere mate) al eens het liberalisme voor hen zelf durven te claimen. Zij die de ogen wensen te sluiten voor de dreiging van deze definitieve breuk mogen dat – maar het lijkt me niet echt intelligent. Het wordt tijd dat we terug gaan inzien dat de vijand niet zij is waarmee we 60% mee overeen komen, maar dat er mensen zijn die een visie op de maatschappij waarmee we nog geen 10% overeen komen. Mensen die denken dat euthanasie verboden moet worden, dat de NMBS en de Post eeuwig en altijd een staatsmonopolie moeten blijven, mensen die denken dat vakbonden alleen maar positieve effecten veroorzaken voor de werknemers, mensen die denken dat de overheid nauwelijks negatieve effecten kan veroorzaken, mensen die de presumptie van vrijheid onzinnig vinden en altijd de schuld leggen bij de vrije handelingen van individuen. Die mensen zijn de echte intellectuele vijanden; het zijn zij die we binnen de liberale beweging moeten krijgen. Nergens was het mijn bedoeling om te zeggen dat we intern niet meer mogen discussiëren – meer zelfs; die discussies vind ik doorgaans zelfs interessanter. Maar het is wel belangrijk dat het gebeurt in een sfeer waarbij beide partijen kunnen erkennen dat ze liberaal zijn en daar, terecht, trots op zijn. Lode Cossaer Lode Cossaer Linksmailto:lode51188@hotmail.com |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|