|
Onlangs vierde Vlaanderen’s oudste sociale huisvestingsmaatschappij De Gentse Maatschappij voor de Huisvesting haar eeuwfeest. Al die tijd heeft ze net zoals vele tientallen andere sociale huisvestingsmaatschappijen ontelbare gezinnen en personen naar behoren gehuisvest. Velen werden daardoor van de armoede en de willekeur van de particuliere huursector gered. Het is echter niet langer peis en vree in de sociale huursector. Sinds enkele jaren zijn klachten over financiële en sociale niet uit de lucht. Een bezinning dringt zich dan ook op. Sinds de oprichting van de eerste huisvestingsmaatschappijen tijdens het eerste kwart van de vorige eeuw, is de maatschappij grondig veranderd. Was toen een meerderheid van de bevolking erbarmelijk gehuisvest, dan geldt dit vandaag nog slechts voor een kleine minderheid. Pakweg 30 jaar geleden was de typische klant van een sociale huisvestingsmaatschappij een gezin bestaande uit een werkende man, arbeider of lagere bediende, met een thuisblijvende vrouw die voor de kinderen zorgde. Dit gezinstype domineert niet meer en dit heeft belangrijke repercussies op de vraag naar sociale woningen. De omvang van de doelgroep zal in de toekomst vermoedelijk niet alleen kleiner maar ook en vooral meer divers van samenstelling zijn. Dit heeft onder andere te maken met de groeiende arbeidsparticipatie van vrouwen, wat ertoe geleid heeft dat vele huishoudens vaker meerdere inkomens hebben. Gezinnen met twee inkomens hebben, zelfs met de huidige economische condities, nauwelijks problemen om zichzelf naar behoren en betaalbaar te huisvesten. Mede daardoor verandert de samenstelling van de doelgroep van de sociale huursector. Tevens verandert daardoor de aard van het maatschappelijk probleem. Dat is al zichtbaar. Sociale huisvestingsmaatschappijen worden net zoals andere locale actoren met bredere maatschappelijke problemen geconfronteerd: ouderenhuisvesting, een plotselinge toename van het aantal asielzoekers, de gevolgen van de extramuralisering van de psychiatrie en veiligheids- en leefbaarheidproblemen in de wijken. Steeds meer staan deze maatschappelijke problemen voorop en vormt de huisvesting een substantieel onderdeel van de maatschappelijke oplossing. Het betaalbaarheidvraagstuk kantelt daardoor. Het huisvestingsprobleem is immers steeds meer gekoppeld aan andere maatschappelijke vraagstukken. Langdurig werklozen die ook betaalbaarheidproblemen hebben, mensen met een handicap die bijzondere huisvesting vragen en asielzoekers waarvan niet zeker is dat ze lang blijven, maar die wel gehuisvest moeten worden. Voor de rol van het openbaar bestuur betekent dit dat de samenhang tussen het volkshuisvestingsvraagstuk en de andere beleidsterreinen sterker wordt. Bovenop een confrontatie met de problemen van de ‘nieuwe’ doelgroepen wordt de sociale huisvesting ook geconfronteerd met de fysieke erfenis uit het eigen verleden. De maatschappelijke problemen blijken zich immens in hoofdzaak te concentreren in grootschalige wijken, met nogal wat hoogbouw. Daardoor is de volkshuisvestingsoplossing, die destijds voor vele huishoudens effectief een belangrijke verbetering van de woonsituatie inhield – en die in de ons omringende landen een nog veel ruimere toepassing heeft gekend – niet tegen de tand des tijd bestand gebleken. Meer zelfs, ze lijkt een deel van het probleem te zijn geworden. Werd de modernistische huisvesting vaak als totaalproject geconcipieerd, het werd zelden als dusdanig uitgevoerd. Er kwam geen werk, voorzieningen blijven uit - of kwamen pas veel later - en vele woningen bleken te klein voor gezinnen met kinderen. Kinderen dienen daardoor in de gangen te spelen, ze zijn lawaaierig en hun spel leidt occasioneel tot vernielingen. Dit genereert ergernis, waarbij een interetnisch tintje niet zelden als een versterkend element fungeert. Het gevolg is dat de sociale huisvesting zich vandaag geconfronteerd ziet met een dubbele uitdaging: omgaan met de veranderde noden van de doelgroep en de fysieke rehabilitatie van de bestaande complexen. Eigenlijk betekent deze analyse dat de sociale huursector zich dient te bezinnen over de herdefinitie van haar doelen en middelen. De missie van de sector, het louter voorzien van woningen, geldt nog steeds, doch ze is niet langer voldoende. Een verbreding van de maatschappelijke taakstelling is nodig. De sector moet beseffen dat haar klanten, gezien hun cumulatie van problemen, ook andere dan huisvestingsdiensten moeten aangeboden krijgen. De sector moet zich van haar (ruime) zorgtaak bewust zijn. Want ze heeft geen keuze. ‘The good old days’ komen niet terug. De sociale huisvesting zal dan bijvoorbeeld samenwerken met allerlei diensten die aan thuisverzorging doen (die ook met verzelfstandiging worden geconfronteerd). Er moet, met het oog op een hogere efficiëntie naar een symbiose in producten gestreefd worden. Waarom zou de sector bijvoorbeeld geen gezamenlijke balie met thuiszorginstellingen aanbieden? Dit zou zeer tot de verbeelding van de individuele burger spreken. Hoe dan ook voor het beleid impliceren de ontwikkelingen dat de samenhang tussen het huisvestingsvraagstuk en de andere beleidsterreinen sterker verweven zal moeten worden. Een verbreding van de doelstelling impliceert ook dat de sector meer samen met de bewoners zal moeten werken. Uit de lange ervaring met probleemcomplexen in het buitenland blijkt dat een reddingsplan pas zal slagen als er een echt pact tussen bewoners, verhuurders en overheid ontstaat. De discussie over de fysieke opwaardering van een deel van het bestaande sociale huurpatrimonium en de even noodzakelijke uitbreiding van de sociale dimensie van het management, betekenen niet dat een discussie over de omvang van de sociale huursector opzij mag worden geschoven. Integendeel. Een uitbreiding van het aanbod is een essentieel onderdeel van de aanpak van de uitdagingen. Nu zitten we immers met een dilemma. Enerzijds is het bekend dat het samenleven van een hoge concentratie van arme mensen niet goed is, noch voor de maatschappelijke integratie van de mensen, noch voor de sociale en financiële leefbaarheid van de sector zelf. Anderzijds betekent het louter verruimen van de doelgroep – dé natte droom van de sector – zonder een evenredige uitbreiding van de voorraad, dat maatschappelijk kwetsbaren naar de nauwelijks te regelen particuliere huursector en andere marginale woonvormen gedraineerd worden. Daar moeten ze vaak veel geld betalen voor slechte woningen zonder woonzekerheid. En ook dit is, omdat ze dan op de particuliere huurmarkt concentraties van kansarmen vormen, niet goed voor hun maatschappelijke integratie, noch voor de maatschappij als geheel. Met andere woorden, zolang de voorraad betaalbare woningen niet is uitgebreid, is er beleidsmatig enkel de keuze tussen de cholera en de pest. Ofwel wordt de sociale huursector op termijn een armenhuisvesting ofwel worden de armen in de particuliere huursector verstopt. Wil de sociale huursector op termijn overleven, dan zal ze uit haar huisvestingscocon moeten stappen. Ze moet haar veranderde maatschappelijke rol erkennen en als logische conclusie daarvan brede allianties met de zorgsector aangaan. Dit kan echter niet zonder een uitbreiding van de voorraad. Het is pas een ruimere voorraad die een naar inkomen gediversifieerde bevolkingssamenstelling waarborgt. Die voorraad moet bovendien een zodanige kwaliteit hebben dat de gezinnen niet vertrekken van zodra hun maatschappelijke positie verbetert en ze zich een eigen woning kunnen veroorloven. Wil de sociale huursector op termijn overleven, dan zal ze een ‘face lift’ moeten ondergaan.
Pascal De Decker Pascal De Decker Linksmailto:fa066219@skynet.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|