|
Pleidooien voor het verhogen van de sociale mix in achterstandsbuurten zijn momenteel ‘megapopulair’. Niet alleen in Vlaanderen, waar het debat zowel in sociale huisvesting (Heeren, 2002) als in de stadsvernieuwing (De Decker, 2004) prominent aanwezig is, maar ook in het buitenland. In Nederland woedt het onder de noemer van het ‘herstructureringsbeleid’: in oude en nieuwe achterstandswijken worden (sociale) huurwoningen gesloopt en vervangen door duurdere woningen, bij voorkeur koopwoningen. De bedoeling is ‘opwaartsmobielen’ de mogelijkheid te bieden om in de wijk door te stromen en om hogere inkomens aan te trekken (Beaumont e.a., 2003). In het extreme Rotterdamse voorbeeld, wil de stad om de bestaande mix te behouden zelfs een rem zetten op de instroom van arme kandidaat-Rotterdammers (Stad Rotterdam, 2003). In Frankrijk vigeert ‘la mixité sociale’. Ook daar worden in diverse steden (delen van) sociale hoogbouwwijken (HLM’s) gesloopt en probeert men door het inbrengen van duurdere woningen en nieuwe activiteiten de stad te ‘hermaken’ (‘refaire la ville sur place’) (Donzelot, e.a., 2003). Complementair wordt beoogd de instroom van armen in de centrumstad te beperken: een recente wet, die het stedelijke beleid uitbreidt naar de gehele agglomeraties, legt de randgemeenten op 20% sociale huurwoningen te voorzien. Daar waar in genoemde cases (1) beoogd wordt in de achterstandswijken de schijnbaar verdwenen sociale mix terug te krijgen, heeft men in de V.S. de moed om achtergestelde buurten (getto’s) weer op het goede spoor te krijgen blijkbaar opgegeven.’ Hoewel er ook programma’s zijn, zoals ‘Housing opportunities for People Everywhere’ (HOPE) die concentratiewijken proberen te herstructuren, domineert reeds enige tijd de geest van programma’s zoals ‘Moving to Opportunies’ (MTO). Men probeert ermee de armen te deconcentreren door hun verhuis naar een betere wijk te subsidiëren of door kleinere projecten met betaalbare woningen buiten de getto’s te bouwen, gaan domineren (Rubinowitz & Rosenbaum, 2000; Goering & Feins, 2003; Goetz, 2003; Katz, 2004). Nieuw? Mocht dit nieuw lijken, het is niet nieuw. Wat sociale (2) mix ook moge zijn, pleidooien en programma’s voor sociale mix zijn niet van recente datum. In Nederland riepen de vier grote steden al in 1973 om maatregelen om een evenwichtige stedelijke bevolkingssamenstelling te waarborgen (Van Engelsdorp Gastelaars, 1973), terwijl Sarkassian’s klassieke artikel over dit thema uit dezelfde periode dateert (Sarkassian, 1976). En wie zich de moeite getroost om oudere Vlaamse documenten door te nemen, zal bijvoorbeeld in de teksten van de stadsvernieuwingscampagne van het begin van de jaren 1980 warme pleidooien voor de zegeningen van sociale menging kunnen lezen (De Decker, 2004). Dit ‘teken van de tijd’, vindt men bijvoorbeeld ook terug in een nota Ontwikkelingsporgramma Wonen (1981) ter voorbereiding van het (toen nooit beëindigde) structuurplan Gent. De auteurs beseffen dat de ideale samenstelling van een buurt moeilijk in algemene normen is weer te geven. Maar toch staat er op bijvoorbeeld het volgende te lezen: “Er kan gesteld worden dat, om een levendige buurt te behouden, het aangewezen is de leeftijdsverdeling zo dicht mogelijk bij het algemene gemiddelde van de stad te houden of te brengen. Hetzelfde geldt voor de verdeling van de verschillende sociale klassen in de stad, waarbij moet gesteld worden dat segregatie dient te worden tegengegaan. Om de gezinsgrootte niet verder te laten dalen, moeten de gezinnen met kinderen terug in de stad kunnen komen wonen” (Stad Gent, 1981, p. 38). Ook de – toen - aan gang zijnde concentratie van vreemdelingen wordt aangekaart. Er wordt voor een tussenvorm gekozen ‘waarbij de vreemdelingen weliswaar iets meer gespreid wonen, maar dan wel in buurten die niet te ver van elkaar gelegen zijn’ (Stad Gent, 1981, p. 38). Dat de problematiek toen ook al leefde, blijkt uit een niet meer van toepassing zijnde wettelijke regeling (3) die in 1980 discriminatie oplegde. Met het oog op een meer heterogene spreiding werd het bepaalde categorieën vreemdelingen verboden zich te vestigen in bepaalde gemeentes waar reeds een sterke concentratie aan migranten verbleef. Men streefde daarmee eveneens naar het vermijden van gettovorming. De wet stond bepaalde categorieën vreemdelingen toe zich enkel te gaan vestigen in gemeentes met een lage concentratie aan vreemdelingen. (Centrum voor gelijke kansen en racismebestrijding, 2003). Eigenlijk kunnen we pleidooien voor een betere sociale/etnische mix in de Vlaamse steden als een ‘evergreen’ catalogeren: ze komen als doelstelling in vrijwel elke relevante beleidstekst, die sinds het einde van de jaren 1970 over de vernieuwing van stedelijke buurten is geschreven, naar voor (De Decker, 2004). Objectieven Pleidooien voor een betere sociale mix worden zowel met negatieve als positieve argumenten ingevuld. Een betere sociale mix moet in de eerste plaats remediëren. Ze moet de negatieve effecten van concentratie van achterstelling wegwerken of op zijn minst verdunnen. De sociale mix moet – om een modieuze term te gebruiken – de ‘leefbaarheid’ vergroten. Niet zelden moet ze echter ook het financiële draagvlak versterken. De concentratie van achterstelling gaat immers gepaard met een daling van de inkomsten voor voorzieningen (Kok, 1980), voor sociale huisvestingsmaatschappijen (VVH, 2004), of voor de steden zelf (cf. Rotterdam hoger). Een verhoging van de sociale mix wordt echter niet alleen negatief ingevuld. Protagonisten, zoals onder andere Gans (1961) en Sarkassion (1976) aantoonden, verwachten er meer van. Er zou als gevolg van de sociale mix onder andere een sfeer van wedijver ontstaan wat de opwaartse mobiliteit van de lagere klassen ten goede zou komen. Verder verwachten sommigen dat de esthetische standaarden zullen toenemen, net als het aantal interklassen- en inter-ethnische huwelijken. Er wordt ook gehoopt dat de buurten stabieler worden en de sociale harmonie toeneemt. Meer recent wordt mix vooral gerelateerd aan de integratie van allochtonen (zie bijv. Cornelissen, 2003 in een reactie op Stad Rotterdam, 2003). Gefaald in het verleden? Tenzij het ook toen al niet meer was dan een discours (waar sterke argumenten voor zijn), kan de huidige populariteit van de sociale mix geïnterpreteerd worden als een falen van pogingen uit het verleden. In de vakliteratuur worden potentiële effecten van ‘mixen’ in elk geval sterk betwijfeld en recente, coherente Amerikaanse onderzoeksresultaten die het tegendeel aantonen (zie bijv. Rubinowitz & Rosenbaum, 2000; Popkin, 2002; Goering & Feins, 2003; Goets, 2003; Katz, 2004) worden vooral door Europese auteurs sterk gerelativeerd. Voor velen blijkt de sociale mix helemaal geen paardenmiddel te zijn ter bestrijding van de problemen die met geconcentreerde achterstelling geassocieerd worden (Gans, 1961; Sarkassian, 1976; Duyvendak & Hortulanus, 1999; Loopmans, 2000; Ostendorf e.a., 2001). Kesteloot beargumenteerde dit al eerder in Planologisch Nieuws (Kesteloot, 1998) en Inslegers in Alert (Inslegers, 2003). We laten dit niet opgeloste debat over de potentiële effecten even terzijde en gaan louter op de haalbaarheid ervan in . ‘Moving to opportunities?’ Het is moeilijk meetbaar, ‘bewijsbaar’, zo stelt de Duitse socioloog Friedrichs (1997), maar men voelt het met de ellebogen aan: het is niet goed dat arme mensen bijeenwonen in van de rest gesegregeerde buurten. Enerzijds omdat de kans groot is dat het hun achterstelling bestendigt en versterkt; anderzijds omdat het de anderen toelaat om alle engagementen op te zeggen en de achtergestelde buurten aan hun lot over te laten. Er kan dan ook gesteld worden dat in een pluralistisch democratische samenleving sociale mix de norm zou moeten zijn. ‘Zou moeten’, want onze samenleving is niet alleen pluralistisch, ze is ook op competitie en concurrentie gebaseerd en draagt prestige en status, dus differentiatie en beter zijn dan anderen, hoog in het vaandel. Deze facetten vullen de discussie over de effecten van de sociale mix aan met een debat over de haalbaarheid ervan. Is het verhogen van een sociale mix een haalbare kaart? Is de geest van de ‘gated community’ reëler dan deze van de heterogeniteit? Feit is dat een lange geschiedenis aantoont dat wie succesvol is, niet in de buurt van wie niet succesvol is/wil gaan wonen (De Decker, 2004). De kans is daarom klein dat succesvolle huishoudens in achtergestelde buurten blijven of gaan wonen. En de kans is al even klein dat welgestelde buurten of residentiële stedelijke randgemeenten hun grenzen vrijwillig en genereus voor goedkope (sociale!) woningbouw, armen en etnische minderheden open zullen stellen. Hun behandeling van vluchtelingen illustreert dit: niet zelden worden ze per kerende naar de grote stad teruggestuurd. De ‘oude’ discussie ging in essentie over het verhogen van de sociale mix in achtergestelde buurten. We wezen er al op, in de VS bewandelt men een andere piste en stimuleert men de verhuis van armen, doorgaans alleenstaande niet-blanke moeders, uit de getto’s naar betere buurten. De vraag of dit werkt is belangrijk. Meer en meer gaan ook in Europa stemmen op om armen ‘buiten’ de steden te houden. We wezen al op de Rotterdamse (4) en Franse piste, maar ook bij ons zijn er voortekens. In nota’s van de Gentse schepen voor Huisvesting Martine De Regge (2003) bijvoorbeeld wordt onder andere beoogd door middel van quota nieuwe sociale woonwijken/wijkjes buiten de bestaande achtergestelde buurten in te planten. In het Vlaamse parlement lijkt een consensus te groeien rond het idee om alle gemeenten te verplichten een minimum aantal sociale huurwoningen op hun territorium te voorzien en aldus een deel van de inspanning op zich te nemen (5). Te veel gemeenten hebben immers geen of vrijwel geen sociale huurwoningen en exporteren daardoor hun armen naar de steden en gemeenten met sociale en andere betaalbare huurwoningen. Maar werkt het in de V.S.? We stelden het al, onderzoek toont aan dat de effecten voor de verhuizers positief zijn. De volwassenen hebben vaker werk, de kinderen doen het beter op school en ze zijn minder slachtoffer van criminaliteit. Er is echter een grote ‘maar’. Het betreft al bij al kleine aantallen, waardoor de initiatieven ‘fall short of making a significant impact on the problem of concentrated poverty’, zoals Goetz (2003) stelt. Of, ‘mix’ is helemaal geen ‘max’. Goetz heeft de redenen waarom het met die spreiding zo’n vaart niet loopt op een rijtje gezet in een boeiend boek. Het Amerikaanse systeem is gebaseerd op het verlenen van een subsidie, een “voucher” – een soort verhuispremie of huurcheque – aan gezinnen die een achtergestelde buurt verlaten. Het potentieel van dit ‘vouchering out’ berust volgens Goetz op gammele veronderstellingen, waarvan een deel zo naar Vlaanderen vertaald kunnen worden. De meest essentiële is dat er buiten de stedelijke achtergestelde buurten genoeg woningen zijn waarnaar de doelgroep kan verhuizen (De Decker, 2004) (6). De subsidie verandert daar niets aan. Daar komt bovenop dat suburbane gemeenten, middenklassenwijken en de vastgoedmanagers niet staan te springen om arme gezinnen toe te laten. En wil men de spreiding bereiken door middel van de bouw van kleine sociale woonwijken, dan wordt daartegen vaak succesvol geageerd. Het verzet neemt bovendien toe als de huidskleur van de kandidaten niet-blank is. Blanke huishoudens zijn dan ook succesvoller wanneer ze van de programma’s gebruik maken. Goetz wijst dan ook op een paradox: de programma’s en projecten moeten op het terrein klein zijn of ze hebben geen politiek draagvlak, maar omdat ze klein zijn, bieden ze geen antwoord op de problemen, want die zijn groot. In feite bepleit Goetz het nodige realisme. Niet alleen zijn heel wat doelgroep-gemeenten financieel in staat hun onverantwoordelijkheid af te kopen, ze zijn vaak zo sterk dat ze de maatregelen juridisch kunnen bestrijden. Met als neveneffect dat gemeenten die toch een inspanning gedaan hebben, ook op de rem gaan staan. De argumenten daartoe zijn bovendien ongekunsteld: “Too many poor people are a serious problem for us, so it is necessary for you to take some” (Goetz, 2003). De spreidingsgedachte bepleiten door het benadrukken van de pathologieën van geconcentreerde armoede – zoals bij ons de sociale huisvestingsmaatschappijen doen (De Decker, 2005) – plaatst de pleidooien voor faire huisvesting volgens Goetz dan ook in de slechtst mogelijke politieke context (7). Maar de problemen betreffen niet alleen de beschikbaarheid en de toegang tot de woningmarkt buiten de getto’s. Niet zelden zijn middenklassenbuurten niet bijzonder geschikt voor arme mensen omdat noch de sociale voorzieningen noch de winkels zich op loopafstand bevinden. Daardoor ontstaan perverse effecten. Niet alleen neemt de sociale isolatie (voor sommigen) toe omdat hun sociale netwerken (familie, vrienden, kinderopvang) zijn verbroken (8), vaak lijkt een ‘mobility trap’ te ontstaan: de transportkosten lopen voor sommigen zo hoog op dat ze op het einde van de maand minder overhouden. De Amerikaanse benadering heeft ook gevolgen voor de buurten die worden verlaten. Het zijn doorgaans de meest gemotiveerde, de meest talentvolle die de buurt verlaten. Niet zelden komen nog armere bewoners in hun plaats. Of anders gesteld, de implicatie is dat de toestand in de oorspronkelijke buurten nog slechter wordt. Dit bevestigt dan weer dat ‘place-based programma’s’ niet werken en worden teruggeschroefd, wat de achterstelling dan weer verder aanzwengelt. Tot slot herinnert Goetz eraan dat een spreidingsbeleid of een beleid ter verhoging van de sociale mix niet inwerkt op de oorzaken van de problemen. Deze hebben te maken met het functioneren van de economie, het onderwijs, de woningmarkt, die allen op zich en ook samen niet alleen ongelijkheid produceren, maar ook doorspekt zijn met vooroordelen en racisme. Mixen om andere redenen Ook Gans relativeerde al vele jaren terug de mogelijke impact van heterogeniteit, toen een doelstelling in hoofde van vele ruimtelijke planners (Gans, 1961). In essentie is de redering dat de planner met het mixen van bevolkingsgroepen de ongelijkheden denkt te doen verdwijnen. Nobel, maar om zojuist aangehaalde redenen, niet geschikt. Toch benadrukt Gans dat op het niveau van de politiek gedefinieerde gemeente heterogeniteit wenselijk is. Haar wensbaarheid moet met twee waarden worden verbonden. Op het eerste wezen we al: in een pluralistische samenleving dient het lokale niveau dit pluralisme te weerspiegelen. Twee en zeer belangrijk wanneer de gemeentelijke inkomsten ook afhangen van lokale belastingen. Hoge inkomensgemeenten kunnen dan lage belastingen innen, of goedkopere en betere voorzieningen aanbieden. Ze hebben dan bijvoorbeeld moderne scholen-met-alles-erop-en-eraan, terwijl in lage inkomensbuurten dikwijls minimum niet eens wordt gehaald. Bij ons loopt het nog zo’n vaart niet. Lokale besturen ontvangen immers nog steeds een behoorlijk groot deel van hun middelen via centrale kanalen. Maar het is een feit dat wanneer residentiële segregatie samengaat met gemeentegrenzen, het een ruimtelijk kader voor de-solidarisering vormt. Geef één goede reden waarom Brasschaat, Sint-Genesius-Rode of Sint-Martens-Latem uit eigen beweging plots sociale woonwijken zouden gaan bouwen. Fainstein (2004) stelt dan ook dat een sterke centrale poot nodig is in de verdeling van de middelen – ook voor huisvesting – over en door lokale besturen. De afgelopen jaren is er in Vlaanderen heel veel gezegd en geschreven over sociale mix. Vooral in de sociale huursector dient er zich een ware morele paniek aan over het verdwijnen ervan. Als gevolg daarvan moet mix. Of mix goed is, wordt niet ingeschat. Of mix haalbaar is nog minder. Feit is dat de pro’s noch contra’s, de haalbaarheid of niet, nog nooit in opdracht van een overheidsinstelling bestudeerd zijn.
Pascal De Decker Pascal De Decker |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|