|
Is globalisering een nieuw fenomeen? De hype rond globalisering doet ons soms vergeten dat het fenomeen niet echt nieuw is. In de tweede helft van de negentiende eeuw was de wereldeconomie sterk geïntegreerd. Dit was het geval zowel voor wat betreft de financiële stromen als de handelsstromen. Recentelijk is heel wat onderzoek gedaan over de financiële stromen in de negentiende eeuw in vergelijking met vandaag. Daaruit blijkt dat de financiële markten in de tweede helft van de negentiende eeuw een vergelijkbare graad van mondialisering hadden bereikt als vandaag. We kunnen afleiden uit verschillende indicatoren. De netto stromen van kapitaal bereikten toen een omvang die in vergelijking met het BNP van toen dezelfde ordegrootte hadden als vandaag; Het aandeel van buitenlandse investeringen in de kapitaalvorming van de "emerging markets" van toen (de VS, Zuid-Amerikaanse landen) was minstens even groot, indien niet groter dan vandaag het geval is in de "emerging markets". Een zelfde verhaal kan verteld worden over de handelsstromen. Ook hier constateren we dat het aandeel van de handel in het BNP vandaag nauwelijks hoger is dan in de tweede helft van de negentiende eeuw. We stellen het verloop van de handels-en financiële integratie gedurende de laatste 150 jaar grafisch voor in fig 1. Gedurende de tweede helft van de negentiende eeuw tot aan de eerste wereldoorlog kende de wereld een ongeëvenaarde wereldwijde integratie van goederenmarkten en van financiële markten. De eerste wereldoorlog en later de depressie van de jaren dertig brachten een breuk in deze tendens naar mondialisering. Protectionisme zowel ten aanzien van handelsstromen als van kapitaalbewegingen waren de orde van de dag. Het gevolg was dat landen economisch meer en meer op zichzelf aangewezen waren, en dat ook de economisch welvaart een flinke duik nam. De ommekeer kwam er na de tweede wereldoorlog. Meer vooruitziende staatslieden waren tot het inzicht gekomen dat open markten en handelsliberalisatie de motor van de heropleving moest worden. Dit legde de basis voor een nieuwe trend naar mondialisering. Of we vandaag meer of minder "gemondialiseerd" zijn dan op het einde van de negentiende eeuw is niet van groot belang. Wel is het van belang te weten dat een vroegere trend naar mondialisering vroegtijdig werd afgebroken, door oorlog en economisch nationalisme. Men kan nooit uitsluiten dat iets gelijkaardigs gebeurt met de huidige trend.
Figuur 1: Graad van globalisering
Het leidt geen twijfel dat de tendens naar mondialisering zich gedurende de laatste decennia heeft versneld. Dit is vooral het resultaat geweest van technologische ontwikkelingen die de transportkosten en de communicatiekosten spectaculair hebben doen dalen (zie Frankel(2000)). Indien deze trend wordt voortgezet zullen we zeker de graad van mondialisering die voor het begin van de eerste wereldoorlog was bereikt overstijgen. Alvorens in te gaan op de uitdagingen die een dergelijke graad van mondialisering stellen, is het goed nog even verder nuanceringen aan te brengen aan de huidige globaliserings-hype. Hoe ver staan we van volledige integratie? De globaliseringsliteratuur zit vol overdrijvingen. We krijgen de indruk dat de wereld economisch uitgegroeid is tot één grote eenheid. De feiten zijn anders. We staan nog heel ver van een volledig geïntegreerde wereldeconomie. en dit is waar zowel voor wat betreft de handelsintegratie als de kapitaalmarktintegratie. Om dit duidelijk te maken, stellen we de vraag hoe het consumptiepakket van een wereldburger er zou uitzien in een volledig geïntegreerde wereldeconomie. In zo een geglobaliseerde economie zou onze wereldburger zijn consumptie volledig onafhankelijk van de nationale oorsprong van goederen en diensten laten bepalen. Hij zou het pakket van goederen en diensten kiezen die zijn welvaart maximiseert ongeacht de nationale oorsprong van deze producten. Veronderstel dat deze wereldburger toevallig een Belg zou zijn. Hoeveel Belgische producten en diensten zou hij consumeren? Vermits het aandeel van deze Belgische producten in de totale wereldconsumptie niet meer dan 2% bedraagt, zou onze Belgische wereldburger die zich niet laat leiden door de nationale oorsprong van zijn consumptiepakket niet veel meer dan 2% Belgische producten consumeren. Hij zou dus 98% van zijn consumptie uit andere landen betrekken. We staan vandaag heel ver van deze ideale volledig geïntegreerde wereld. Ondanks het feit dat België één van de meest open economieën ter wereld is, vertegenwoordigen de Belgische goederen en diensten nog altijd ongeveer 60% van het totale consumptiepakket van de gemiddelde Belg. Een stuk hoger dus dan de 2% die in een volledig geïntegreerde wereldeconomie het geval zou zijn. Er is dus nog altijd een enorme "home bias" ten voordele van nationale consumptie, die het gevolg is van transportkosten, handelsbelemmeringen, en culturele en sociale barrières. Terloops kan hier gesteld worden dat de courante maatstaf van de openheid van een land, m.n. het aandeel van de export (of van de import) in het BBP, de openheid van het land overschat. Neem het geval van België: de export en de import vertegenwoordigen nu ongeveer 70% van het BBP. Export en import zijn echter niet zomaar vergelijkbaar met het BBP, omdat deze laatste een concept van toegevoegde waarde is. Wanneer we export delen door het BBP delen we teller waar voor een stuk import vervat zit door de noemer waar import afgetrokken is. OP die manier blazen we de exportratio op en overschatten we de openheid van de Belgische economie. Corrigeren we hiervoor dan vinden we dat de export (in toegevoegde waarde) 40% van het BBP vertegenwoordigt. Een stuk minder dan 70%. Ook op het financiële vlak staan we nog ver van volledige wereldintegratie. In landen zoals de VS, Duitsland, Japan, het Verenigd Koninkrijk bestaat het portefeuille van financiële activa van de gemiddelde belegger voor meer dan 90% uit nationale activa. Dit is ver verwijderd van wat een wereldbelegger zou doen in een volledig geïntegreerde economie. Een van de belangrijkste redenen van deze "home bias" van beleggers is ongetwijfeld het feit dat elk van die landen een eigen munt uitgeeft, met het gevolg dat hoge risico-barrières worden opgeworpen voor diegenen die een international portefeuille wensen samen te stellen. De uitdagingen van de globalisering In het voorgaande hebben we een aantal nuanceringen aangebracht aan het beeld dat vandaag bestaat alsof de wereld een volledig geïntegreerd geheel is. We zijn hiervan nog ver verwijderd. Toch is het ook zo dat de dynamiek van toenemende integratie van de wereldeconomie volop aan de gang is. Deze dynamiek leidt tot een aantal uitdagingen. En zoals altijd hebben uitdagingen een positieve en een negatieve dimensie. Laten we eerst de positieve dimensie van de globalisering belichten. Globalisering: een positieve uitdaging De positieve dimensie van globalisering geraakt de laatste tijd steeds meer in de verdrukking vooral ten gevolge van de actie van de NGOs. Deze laatste hebben van de strijd tegen de globalisering hun voornaamste strijdkreet gemaakt, met het gevolg dat velen nu zijn gaan denken dat globalisering verderfelijk is. Niets is minder waar. Globalisering is goed nieuws voor alle landen, rijk en arm. Laten we dit thema verder ontwikkelen. We zullen de economische, de politieke en de culturele voordelen van globalisering toelichten. De voordelen van globalisering op het economisch vlak zijn de meest voor de hand liggend. Ze zijn door de economen sinds Adam Smith benadrukt. En sinds Adam Smith zijn pleidooi voor vrijhandel meer dan 200 jaar geleden hield is aan deze analyse niets veranderd. Het openstellen van de grenzen laat elk land toe die dingen te doen waar ze relatief het best in is. Of nog anders uitgedrukt, het laat landen toe die activiteiten af te stoten waar ze niet goed in is, en dus schaarse productiefactoren op een meer productieve wijze in het productieproces in te schakelen. Deze fundamentele regel geldt voor elk land, rijk en arm, groot en klein, machtig of machteloos. Er bestaat hiervoor geen uitzondering. Sommige landen hebben gedacht dat het anders kon. Ze hebben tot hun schade en schande ondervonden dat ze met heel veel moeite en veel verspilling producten en diensten produceerden die elders veel gemakkelijker geproduceerd worden. Ze hebben tegelijk hun arbeid en kapitaal belet zich te ontplooien in die activiteiten waar ze een grotere productiviteit konden realiseren. We vergeten het al te dikwijls, mede dank zij de propaganda van vele NGOs die vrijhandel identificeren met het kwaad, maar de voordelen van internationale handel gelden ook voor de arme landen, inclusief zwart Afrika, het armste werelddeel. Er is geen speciale economische theorie voor zwart Afrika. Tenzij voor diegenen die zich laten inspireren door een racistisch erfgoed. We komen op dit thema nog terug. De traditionele economische voordelen van vrijhandel (globalisering) benadrukken de voordelen van specialisatie. Er is echter een andere dimensie die misschien nog belangrijker is geworden. En deze heeft te maken met kennis. Kennis op wetenschappelijk en technologisch vlak wordt op vele plaatsen in de wereld ontwikkeld. Het openstellen van de grenzen laat toe op twee manieren te scoren: het land dat zijn grenzen openstelt kan zijn kennis exporteren en te gelde maken; het kan ook de kennis die elders werd ontwikkeld invoeren en op goedkope wijze toepassen. Dit laatste is nog veel belangrijker dan de export van kennis. Kennis wordt immers slechts verworven door veel inzet van tijd en energie. Vrijhandel laat toe op veel snellere wijze deze kennis te vergaren dan indien het land dit allemaal op zijn eentje had moeten doen. Een mogelijke objectie tegen deze redenering is dat kennis ook kan verworven worden zonder vrijhandel, m.n. door een vrij verkeer van ideeën. Voor een deel is dit waar. Veel kennis zit echter vervat in producten, diensten, productieprocessen en managementmethoden die slechts kunnen bekomen worden door de grenzen open te stellen. Bovendien constateren we dat landen die hun grenzen afsluiten voor goederen en diensten meestal dezelfde landen zijn die hun grenzen afsluiten voor ideeën. Globalisering biedt dus grote economische voordelen aan alle landen die zich in de wereld economie inschakelen. Recentelijk zijn een aantal empirische studies ondernomen die dit bevestigen. Deze studies hebben onderzocht hoe de openheid van landen hun economische groei beïnvloedt. Een studie van Frankel en Romer(1999) wijst uit dat elk percent punt extra openheid het inkomen per hoofd van het land in kwestie met 1% doet stijgen. De impact is van grote betekenis. Vergelijk Birma en Singapore. Birma heeft een openheidsgraad van ongeveer 0%, Singapore van 100%. Dit betekent dat dank zij zijn openheid Singaporezen een inkomen per hoofd genieten dat 100% hoger is dan dat van de Birmanen. Er zijn talloze andere voorbeelden van vergelijkbare landen die een verschillende handelsstrategie hebben gevolgd met dramatische gevolgen op het inkomen. De best gekende voorbeelden zijn Noord- en Zuid Korea; West- en Oost Duitsland tot in 1990. De evidentie dat internationale handel de groei van het inkomen bevordert is zo overweldigend dat het moeilijk te begrijpen is dat sommigen dit nog altijd (of opnieuw) in vraag stellen. De voordelen van globalisering situeren zich niet alleen op het economische maar ook op het politieke vlak. Vrijhandel ondermijnt de machtsposities van de locale potentaten. Deze machtspositie is meestal gebaseerd op de mogelijkheid van de locale dictator om zich te verrijken door het creëren van locale monopolies. En deze verrijking heeft hij nodig om onderdanigheid af te kopen. Vrijhandel vernietigt deze locale monopolies en op die manier ook de machtbasis van de dictator. Vrijhandel is een politiek paard van Troje dat landen er toe dwingt democratische beslissingsprocessen in te voeren. Globalisering is de beste manier om op termijn dictaturen te verjagen en te vervangen door democratieën. Het zal natuurlijk niet in een hand omdraai gebeuren. Op termijn is het echter onvermijdelijk. De meest recente voorbeelden van een dergelijke dynamiek hebben we in Zuidoost Azië zien gebeuren, in landen als Zuid-Korea, de Filippijnen en Indonesië. Tenslotte leidt globalisering ook tot nieuwe perspectieven op het culturele vlak. In tegenstelling van wat hierover dikwijls wordt beweerd als zou globalisering tot eenvormigheid en vervlakking leiden, is precies het omgekeerde waar. Overal waar landen hun grenzen hebben opengetrokken, is een nieuwe culturele wind gaan waaien. Locale culturen hebben zich door het contact met andere culturen kunnen verrijken en verdiepen. Onze eigen geschiedenis is een groot voorbeeld hoe het contact met andere landen tot culturele verrijking en verdieping leidt. Er zijn natuurlijk ook uitdagingen met een negatieve dimensie verbonden aan globalisering. Op deze negatieve aspecten gaan we nu in. De gevaren van globalisering Globalisering stelt een aantal uitdagingen. We gaan hier in op een aantal van deze uitdagingen. Sommige zijn ernstig, andere helemaal niet en zijn eerder het resultaat van voortdurende propaganda tegen globalisering. Globalisering en werkloosheid Het openstellen van de grenzen met de arme landen stelt een belangrijk probleem voor de ongeschoolde arbeiders bij ons. Deze kunnen nog nauwelijks concurreren met de arbeiders in de arme landen die voor een fractie van het loon bij ons worden tewerkgesteld. Een oplossing zou erin kunnen bestaan het loon van ongeschoolde arbeid bij ons te laten zakken. Deze daling zou echter een dramatische omvang moeten aannemen om onze ongeschoolde arbeid aan het werk te houden. Het is duidelijk dat dit niet gewenst is. Dit heeft natuurlijk tot gevolg dat ongeschoolde arbeid bij ons massaal werkloos wordt. Globalisering leidt dus inderdaad tot werkloosheid bij ongeschoolden. Daar tegenover staat dat voor geschoolde arbeid precies het omgekeerde van toepassing is. Globalisering laat ons toe ons te specialiseren in die domeinen waar we relatief goed in zijn. Dit zijn de producten die intensief gebruik maken van geschoolde en hooggeschoolde arbeid. Daar zorgt globalisering precies tot een netto toename aan tewerkstelling. Het netto effect van globalisering op de tewerkstelling kan dus positief of negatief zijn. Studies wijzen uit dat het positieve effect domineert. Het probleem van globalisering is dus niet dat ze netto jobs vernietigt wel dat er grote verschuivingen plaats grijpen van ongeschoolde naar geschoolde arbeid. Deze verschuiving creëert op zijn beurt nieuwe mogelijkheden. Vermits geschoolde arbeid een grotere toegevoegde waarde realiseert, gaat de verschuiving gepaard met een hoger inkomen. Dit hoger inkomen maakt het dan mogelijk om twee dingen te doen De sociale zekerheid spijzen die het mogelijk moet maken ongeschoolde werklozen een menswaardig bestaan te garanderen Onderwijs- en omscholingsprogramma’s financieren die van ongeschoolde geschoolde werknemers maakt. Conclusie: alhoewel globalisering een probleem creëert, reikt ze ook de instrumenten aan om dit probleem op te lossen. Globalisering en milieu Welk is het effect van globalisering op het milieu? Het probleem is ingewikkeld. Er zijn twee kanalen langs hetwelk globalisering een negatieve invloed kan uitoefenen op het milieu. Het eerste kanaal gaat langs het groei-effect van globalisering. Het tweede is het transportkanaal van globalisering. We hebben eerder gesteld dat globalisering een sterke positieve invloed uitoefent op de economische groei. Materiële groei leidt echter tot een groter gebruik van milieugoederen, en werkt belastend voor het milieu. Het succes van globalisering in het verheffen van het inkomen is dus ook de bron van een probleem, m.n. dat landen met een hoog niveau van productie en inkomen een grote last leggen op het milieu. Een tweede kanaal waarlangs globalisering een negatieve invloed uitoefent op het milieu is het transport. Internationale handel is gebaseerd op specialisatie. Hoe meer landen zich gaan specialiseren hoe groter het vervoer van goederen zal zijn. Transport is echter erg belastend voor het milieu. Dit zijn onmiskenbaar belangrijke problemen van globalisering. Alvorens in te gaan op de vraag hoe deze problemen kunnen aangepakt worden, moeten toch eerst een aantal correctieve mechanismen besproken worden. Ten eerste is het zo dat landen die zich inschakelen in de wereldeconomie haast noodzakelijkerwijze markteconomieën zijn. Welnu markteconomieën slagen er meestal beter in schaarse milieugoederen een juiste prijs te geven dan landen die zich afsluiten van de wereld en ver verwijderd zijn van markteconomische mechanismen. Een goed voorbeeld is het contrast tussen West een Oost Europa toen beide delen totaal andere economische principes volgden. Oost-Europa was niet ingeschakeld in de wereldeconomie en volgde een model van centrale planning. Het resultaat was niet alleen een laag inkomen maar ook een buitengewone inefficiëntie in het gebruik van grondstoffen en schaarse milieugoederen. Het resultaat was dat de graad van milieuvervuiling in Oost-Europa veel hoger was (en steeds is) dan in West-Europa. Ondanks het feit dat dit laatste werelddeel volop geprofiteerd had van globalisering. Er is een tweede correctief dat hier op zijn plaats is. Wanneer het inkomen van de mensen stijgt, neemt ook het verlangen toe om te genieten van een proper milieu, en stijgt derhalve de bereidheid om hiervoor te betalen. Dit is ook de reden waarom in West Europa, Amerika en Japan meer inspanningen worden gedaan voor een schoon milieu dan in andere werelddelen. Ondanks deze twee correctieven die aanwezig zijn in de globaliseringdynamiek blijft er toch een probleem bestaan. Hoe kunnen we dit probleem aanpakken? Sommigen pleiten voor nieuwe vormen van protectionisme, m.n. een groen protectionisme. Dit betekent dat landen het recht zouden hebben goederen te weren die geproduceerd werden zonder inachtneming van een voldoende beveiliging van het milieu. Het groene protectionisme is volgens mij een slechte benadering. Om te beginnen dwingt het vooral de arme landen die niet dezelfde hoge milieunormen toepassen, opnieuw in een protectionistisch keurslijf. Hun verlangen om te ontwikkelen, en dus veel te produceren, zal er niet door verminderen. Ze zullen wel op een minder efficiënte manier produceren, en dus niet noodzakelijk minder vervuilen. Nog anders uitgedrukt. Indien we morgen Chinese producten weigeren omdat ze het milieu vervuilen in China, dan zal dit protectionisme de Chinese overheid er niet toe aanzetten de industrialisering van China stop te zetten. De last op het Chinese milieu zou nog kunnen toenemen omdat deze productie niet de state-of-the-art technologie zal gebruiken. Groen protectionisme is uit den boze. Wat kan er dan wel gedaan worden. Zoals eerder betoogd is transport een belangrijke bron van vervuiling. In vele landen weerspiegelt de kostprijs van het transport niet de volle maatschappelijk kost ervan (inclusief de milieukosten). De rijke landen moeten hier het voortouw nemen en een correcte kostprijs opleggen aan de transportsector. Dit veronderstelt natuurlijk dat een sterke overheid tegen de belangen van lobbies ingaat en door een aangepaste belastingpolitiek deze juiste kostprijs aanrekent. De vrije markt alleen kan dit probleem niet oplossen. Dit impliceert ook dat de politieke overheden zich gaan globaliseren om de wereldwijde milieuproblemen aan te pakken. Dit is waarschijnlijk de grootste uitdaging die door de globalisering van de economie wordt gesteld. Indien deze uitdaging niet wordt beantwoord bestaat er een reëel gevaar dat het wereldwijde milieuprobleem uit de hand loopt, en tot wereldwijde conflicten leidt. Een ommekeer in de globaliseringbeweging, zoals we die gekend hebben in de jaren dertig van de twintigste eeuw, kan dan niet uitgesloten worden. Globalisering, ongelijkheid en armoede Op geen enkele ander domein is er meer aan desinformatie gedaan als op dit domein. Er wordt nu door talloze NGOs beweerd dat globalisering de rijken rijker maakt en de armen armer. Niets is minder waar. Het brute feit is dat de arme landen die resoluut hun grenzen hebben opengetrokken, m.a.w. de weg van de globalisering zijn ingeslagen veel sneller zijn gaan groeien dan de rijke landen en hun inkomensachterstand spectaculair hebben opgetrokken. China, de Zuid-Oost Aziatische landen die voor kort tot de armste landen van de wereld behoorden komen elk jaar dichter bij ons inkomensniveau. Andere landen, vooral Afrika, die een gesloten economisch model hebben gevolgd boeren achteruit. De volgende grafiek illustreert dit fenomeen op spectaculaire wijze. In vijftien jaar tijd wist China (meer dan 1 miljard inwoners) het inkomensniveau van de Chinezen als percent van het Amerikaanse niveau te verdubbelen. Afrika daarentegen zag haar relatief inkomensniveau verder dalen. Merkwaardig is dat twintig jaar geleden China en Afrika even arm waren. Nu verdienen de Chinezen bijna driemaal zoveel als de Afrikanen. En dit is bijna uitsluitend het resultaat van globalisering.
De snelste weg naar ontwikkeling gaat langs de globalisering. Om dit duidelijk te maken is het goed twee honderd jaar geleden te starten. In 1800 was het inkomen per hoofd in Europa, Azië en Afrika ongeveer op hetzelfde peil. Er was overal armoede en ellende, behalve voor de rijke elite natuurlijk. Het industrialiseringsproces startte toen in Engeland. Andere Europese landen, bij voorbeeld Duitsland waren laatkomers, en begonnen te groeien in het midden van de negentiende eeuw en haalden Engeland geleidelijk in. De afstand tussen Engeland en de achtervolgers in termen van inkomens- en kennisniveau was echter niet zo groot. Het gevolg was de groei van de laatkomers niet echt spectaculair groter was dan dat van Engeland. In de tweede helft 20 eeuw waren de laatkomers de Aziatische landen. Vermits ze zo laat begonnen was er een grote afstand van hun inkomensniveau t.o.v. het inkomensniveau van de Westerse landen. Er was ook een enorme kloof in termen van technologische en wetenschappelijke kennis. Maar deze enorme kloof creëerde precies de voorwaarden voor een zeer snelle groei. De achterblijvers konden in de twintigste eeuw dank zij de globalisering snel gebruik maken van een enorme hoeveelheid kennis die zij maar moesten overnemen. En de groei was spectaculair. Al deze landen hebben die groei mogelijk gemaakt door openstellen van grenzen. Globalisering is dus een middel voor die landen om veel sneller dan wij uit de onderontwikkeling te geraken. We tonen de voorgaande analyse schematisch in de volgende grafiek. Vele Afrikaanse landen hebben voor een gesloten en protectionistisch model gekozen. Ze hebben dus bewust geopteerd voor een model waarin ze alles zelf nog eens zouden uitvinden. Het resultaat is stagnatie geweest. De rest van de wereld die zich wel inschakelde in de wereldeconomie bleef groeien, en zelfs sneller dan voordien. Moeten we hieruit besluiten dat de globalisering de oorzaak is van een toenemende inkomenskloof tussen arme en rijk? Het antwoord is negatief. De armoede in Afrika is het resultaat van te weinig globalisering in dit continent.
Figuur 2: Globalisering en versnelde groei voor laatkomers
We moeten ons neerleggen bij het onvermijdelijke. Het enige praktische alternatief voor de arme landen, en vooral voor Afrika, bestaat erin dat deze landen radicaal hun economie inschakelen in de wereldeconomie en hun grenzen open stellen. Geen enkele criticus van globalisering heeft een concreet plan om zonder globalisering en internationale handel, de arme landen tot economische groei te brengen. De reden waarom ze dat niet hebben is heel eenvoudig: er is geen ander alternatief. Er is wel veel sentimenteel denken, maar niets dat werkt. Globalisering moet de motor zijn van de groei van de arme landen. Betekent dit noodzakelijkerwijze dat iedereen in de arme landen, zowel de rijken en de armen in die landen van deze groei zullen profiteren. Nogal wat critici van globalisering zijn wel geneigd om te aanvaarden dat globalisering de groei van arme landen bevordert. Maar deze groei zou niet, of weinig ten goede komen aan de armste bevolkingslagen in deze landen. Ook hier weer geven de feiten deze critici ongelijk. In een recente studie van de evolutie van de inkomensverdeling in arme landen door David Dollar en Aart Kraay(2000) blijkt dat de armste bevolkingslaag in de landen met snelle groei evenveel profiteert van deze groei als het gemiddelde van de bevolking. Nog anders uitgedrukt, als ten gevolge van de globalisering het inkomen van een land met, bij voorbeeld, 10% stijgt, dan neemt het inkomen van de armen ook toe met 10%. Groei komt evenzeer ten goede aan de armen als aan de rijken in de ontwikkelingslanden. Vele critici van globalisering zijn niet alleen verkeerd in hun analyse. Ze vertonen een sterk paternalistisch trekje. Zij vertellen de arme landen hoe ze hun ontwikkeling moeten organiseren. Wat meer is ze willen de arme landen wijs maken dat hun ontwikkelingsmodel anders moet zijn dan het ontwikkelingsmodel waarvan de rijke landen zoveel geprofiteerd hebben, m.n. een ontwikkelingsmodel waarin de internationale handel de stuwende factor was. Wat goed was voor ons, toen wij arm waren, zou niet meer goed zijn voor de arme landen van vandaag. De feiten zijn dat meer en meer arme landen precies op dezelfde manier rijk willen worden als wij, en dat ze niet begrijpen dat wij hen vertellen dat hetgeen goed was voor ons niet goed zou zijn voor hen. Globalisering en sociale normen Dit brengt ons tot de sociale normen die de critici van globalisering zouden willen opleggen. Het opleggen van sociale normen zal de arme landen niet vooruit helpen. Diegenen die vandaag zeggen dat eerst allerlei normen moeten voldaan zijn en pas dan internationale handel kan toegelaten worden, treffen arme landen tweemaal. Ten eerste, leggen ze obstakels op voor een versnelde ontwikkeling van de arme landen. En die versnelde ontwikkeling kan er alleen maar komen door internationale handel. Ten tweede, bevestigen de voorstanders van opgelegde sociale normen de lage sociale grondvoorwaarden in de arme landen. Neem kinderarbeid. Kinderarbeid is in vele arme landen nog altijd een economische noodzaak. Met economische groei zal die economische noodzaak verdwijnen en zal ook kinderarbeid verdwijnen, al dan niet bespoedigd door interne (niet externe) politiek druk. Door nu als voorwaarde tot handel de afschaffing van kinderarbeid te eisen, zal er minder handel zijn, dus minder economische groei waardoor ook kinderarbeid langer blijft bestaan. De critici van de globalisering zijn dikwijls ook gesofistikeerde racisten. De arme landen (vooral dan in Afrika) zouden niet rijp zijn voor een marktsysteem, noch voor democratie. Voor de arme Afrikanen zouden andere normen gelden. De tegenstanders van globalisering zeggen dat ze bekommerd zijn om de mensenrechten in de arme landen, en willen handelsbeperkingen gebruiken om mensenrechten en sociale normen af te dwingen. Ze gaan er hier impliciet van uit dat de arme landen daar zelf niet zouden toe komen. In tegenstelling met het rijke Westen dat zonder de bemoeienis van externe mogendheden wel ontdekt hebben dat mensenrechten belangrijk zijn. De arme Afrikanen, daarentegen worden verondersteld daar zelf niet toe in staat te zijn. Omdat ze niet zoals de westerse critici hetzelfde hoog moreel en sociaal gevoelen hebben. Het is moeilijk om op een meer subtiele wijze racistisch te zijn. Besluit Globalisering stelt grote uitdagingen. In deze paper hebben we geargumenteerd dat veel van deze uitdagingen positief zijn. Meer in het bijzonder brengt globalisering een dynamiek tot gang van economische vooruitgang. Deze dynamiek is nog het meest uitgesproken in de arme landen. Deze zijn het die het meest kunnen winnen van globalisering. Globalisering is voor de arme landen als een geschenk uit de hemel waardoor deze landen veel sneller dan wij hun economische ontwikkeling kunnen voltrekken. Het voorbeeld van landen als Korea, China toont dit ten overvloede aan. Bovendien komt globalisering ten goede aan alle bevolkingslagen in deze landen. Het wekt dan ook veel verwondering dat de critici van globalisering zich situeren in het kamp van de NGOs die beweren in naam van de arme landen te spreken. Deze critici komen nu op voor vormen van protectionisme die de arme landen in hun strijd tegen de armoede jaren achter uit zulle duwen. Op die manier zijn nogal wat NGOs in feite de grootste vijanden van deze landen geworden. Het voorgaande betekent natuurlijk niet dat er geen problemen zijn met globalisering. Het belangrijkste probleem heeft te maken met de toenemende belasting van het milieu tengevolge van de economische groei. Protectionisme is hier ook geen goed antwoord. De arme landen zullen sowieso willen industrialiseren. Zonder globalisering zullen ze minder snel groeien, maar dit betekent helemaal niet dat ze het milieu niet minder zullen belasten. Andere middelen moeten gezocht worden in een prijszetting van milieuonvriendelijke activiteiten die rekening houdt met de maatschappelijke kost van deze activiteiten. Dit veronderstelt sterke politieke overheden die het aandurven door een belastingpolitiek de juiste kostprijs aan te rekenen voor het gebruik van schaarse milieugoederen. De vrije markt kan dit probleem alleen niet oplossen. Ook zullen de politieke overheden zich in navolging van de markten moeten globaliseren om het hoofd te bieden aan de wereldwijde milieuproblematiek. Indien dit niet gebeurt, bestaat er een reëel risico dat het milieuprobleem uit de hand loopt. Wereldwijde conflicten en een ommekeer in de globaliseringtendens zijn dan niet uit te sluiten.
© Paul De Grauwe Paul De Grauwe |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|