De financiële markten kenden opnieuw een turbulente week. Een Grieks drama werd opgevoerd met drie spelers. De eerste speler was de Griekse overheid die de crisis heeft uitgelokt. Wanbeleid en bedrog kenmerken deze speler. Gedurende jaren werd de ware aard van het budgettaire probleem van Griekenland verborgen door systematische vervalsing van de cijfers. Het gevolg is dat deze speler geen enkele geloofwaardigheid meer heeft. De tweede speler is de financiële markt, en meer in het bijzonder de ratingbureaus. Het kenmerk van deze laatste is dat ze nooit de crisis zien aankomen, en als de crisis uitbarst, overreageren ze en maken ze het probleem erger. De crisis in de markten van overheidsobligaties startte in feite op het einde van verleden jaar. De overheid van Dubai kondigde toen aan dat ze de terugbetaling van obligaties die ze eerder had uitgegeven zou uitstellen. Pas toen dit nieuws in de Financial Times verscheen, reageerden de ratingbureaus en verlaagden ze de rating van Dubai. Ze hadden het dus weer niet zien aankomen. Wat doet zo een instelling wanneer ze zich zo manifest heeft vergist? Juist. Ze gaat op zoek naar potentiële probleemlanden om de rating van die landen naar beneden te halen. Griekenland was natuurlijk een uitgelezen slachtoffer (slachtoffer is hier wel niet het juiste woord, Griekenland is een probleem). Maar het bleef niet bij Griekenland, ook andere landen werden getroffen door de woede van de ratingbureaus. De derde speler was de overheid van de Eurozone. Die overheid bestaat in feite uit twee. De regeringen van de eurozone en de Europese Central Bank. De eersten waren hopeloos verdeeld. Sommigen waren niet bereid om Griekenland financieel te steunen; anderen wel. Het gevolg was een weinig overtuigende verklaring op het einde van de Europese Top die de markten niet gekalmeerd hebben. De Europese Centrale Bank kwam in het verhaal nauwelijks voor, hoewel ze een centrale rol vervult. De ECB moet in feite beslissen of ze in de toekomst Griekse overheidsobligaties zal accepteren als onderpand wanneer banken komen aankloppen om geld te lenen. De onzekerheid die hierover bestaat hangt als een zwaard van Damocles boven de financiële markten. Welke financiële instelling wil Griekse staatsobligaties nog aanhouden als ze deze niet kan gebruiken wanneer ze in liquiditeitsnood zit. Trichet, de President van de ECB, had hier na de Europese Top houvast kunnen brengen door te verklaren dat de ECB in de toekomst Griekse overheidsobligaties zal aanvaarden. Hij ging wel op de foto staan maar vertikte het zo een verklaring af te leggen. Het gevolg van het schrijnend gebrek aan leiderschap in de Europese Unie is dat een gelokaliseerde Griekse crisis ontaard is in een systeemcrisis van de eurozone. De overheden van de eurozone hebben de financiële capaciteit om Griekenland bij te staan. Hun aarzeling om die financiële mogelijkheden te gebruiken verklaart waarom een crisissfeer voor het hele systeem is ontstaan. Het argument dat de Grieken het allemaal aan zichzelf te danken hebben en dus niet op de steun van anderen moeten rekenen werd gretig gebruikt door de tegenstanders van financiële bijstand. Er is inderdaad een probleem. We zien het niet graag dat regeringen die een wanbeleid hebben gevoerd nog zouden beloond worden door financiële steun. Maar toch moeten we op een bepaald moment kiezen voor het minste kwaad. Het eerste kwaad is dat we wanbeleid belonen. Het andere kwaad is dat deze Griekse crisis leidt tot een crisis in Portugal, Spanje en andere landen. Zo een crisis zou ook de banken treffen die gedurende het laatste jaar massaal veel overheidsobligaties hebben gekocht. We komen dan terecht in een nieuwe bankencrisis die de regeringen zou dwingen om opnieuw financiële steun te verlenen aan de banken. Wat mij deze week uitermate heeft geïrriteerd is het feit dat economen van grote banken zonder de minste schroom verklaarden dat een lesje moest gegeven worden aan regeringen die hun budgettaire huis niet in orde brengen. Dit waren economen van banken die na jarenlang roekeloos beleid werden gered door diezelfde regeringen. Indien regeringen toen hetzelfde betoog hadden gehouden dan zouden die banken er niet meer zijn en zouden de economen niet meer in de gelegenheid hebben gezeten om een zedenpreek te houden over deugdelijk gedrag. De crisis van de eurozone leidt tot de vraag naar de toekomst van de eurozone. De crisis heeft een structureel probleem van de eurozone blootgelegd. Dit probleem bestaat erin dat in de eurozone het geldbeleid volledig gecentraliseerd is in de handen van de ECB. De rest van het economische beleid (budgettair beleid, loonbeleid, sociaal beleid, enz. ) is haast volledig in de handen van de nationale regeringen gebleven. Een dergelijk onevenwicht leidt tot uiteenlopende economische tendensen binnen de eurozone die niet gemakkelijk gecorrigeerd kunnen worden. Om de eurozone op termijn te laten bestaan zullen we moeten evolueren naar meer politieke integratie. Dat laatste is vandaag echter heel onpopulair. We zullen echter een keuze moeten maken. Ofwel gaan we de weg op van meer politieke unie en dan kan de eurozone blijven bestaan; ofwel weigeren we zo een verdere politieke integratie maar dan zal de eurozone niet blijven bestaan.
Paul De Grauwe Paul De Grauwe Linksmailto:Paul.Degrauwe@econ.kuleuven.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|