Globalisering is een abstracte term voor een vrij eenvoudig verschijnsel, namelijk de toegenomen integratie in de wereldeconomie. Dat is het gevolg van een combinatie van enerzijds de liberalisering van handel in zowel goederen als diensten, kapitaal en arbeid en anderzijds van nieuwe ontwikkelingen in informatie- en communicatietechnologie, transport en logistiek. As simple as that. Het verschijnsel is niet nieuw - een eerste golf van globalisering vond al aan het eind van de negentiende eeuw plaats - maar de snelheid en kracht waarmee de huidige globaliseringsgolf ons overspoelt, is wel indrukwekkend en nog nooit vertoond. Door de mondiale economische integratie, die afgelezen kan worden van de hoge vlucht van buitenlandse handel en investeringen, is de wereldeconomie in ongemeen goede doen. Nooit in de geschiedenis is ze zo snel gegroeid als in het huidige decennium, sneller bijvoorbeeld dan in de 'golden sixties'. Dat komt voornamelijk door de steile klim van de 'opkomende landen'. Zij vertegenwoordigen voor het eerst de helft van het wereld-bnp. Door zich open te stellen voor handel en investeringen hebben die landen een geweldige spoorslag gekregen. Een klein voorbeeld. In 1960 hadden Zuid-Korea en Congo een vergelijkbaar welvaartsniveau; Zuid-Korea heeft nu een levensstandaard zoals die van Spanje. In veel landen groeit geleidelijk een nieuwe middenklasse met koopkracht voor westerse goederen. Door de opkomst van de nieuwe economieën schuift het zwaartepunt geleidelijk weg van Amerika, Europa en Japan. De opkomst van China en India is daarbij het meest in het oog springend maar de omwenteling die de landen buiten de OESO doormaken, is veel breder. Zo is het bijvoorbeeld opmerkelijk dat van de totale groei van die landen in 2005 slechts een kwart op het conto te schrijven is van China en India. De Duitse bondskanselier Angela Merkel haalde onlangs een verhaal aan van een Duitse machinefabrikant met filialen over de hele wereld die met verbazing te horen kreeg dat een belangrijke Chinese klant voortaan grotendeels vanuit Botswana zou opereren, omdat... de lonen daar lager zijn. Het is een treffend voorbeeld van hoe snel het concurrentiële landschap zich internationaal wijzigt. Tot in de jaren tachtig ging men naar Italië om goedkoop schoenen en textiel te produceren. Dan werd Italië te duur omdat het competitiever werd in meer hoogwaardige producten en diensten en verschoof de productie naar Spanje en Portugal. Maar ook die werden te duur voor gewoon textiel en dus verhuisde de productie weer; deze keer naar Noord-Afrika en Turkije of naar het Verre Oosten. In het Verre Oosten speelt zich nu hetzelfde proces af. China wordt stilaan 'te duur' en de industrie verhuist naar Vietnam en Bangladesh en wellicht, laat het ons hopen, wordt vroeg of laat ook zwart Afrika intensief geïntegreerd in dat proces. Dat geeft meteen ook aan dat de strakke wind van de globalisering ook voelbaar is buiten het Westen. Diegenen die de Chinese textielproductie het meest te duchten hebben, zijn niet zozeer de hoogtechnologische Vlaamse producenten, maar wel de ateliers in Turkije en Noord-Afrika. Concurrentiekracht is niet voor lang een verworvenheid. Voor je het weet, zijn er nieuwe, sterkere spelers op de markt. Dat geeft een enorme stimulans aan efficiëntie en dus welvaart en biedt de consument grote voordelen in de vorm van lage prijzen en een verbreed keuzegamma. Keerzijde van de medaille is dat men als ondernemer en werknemer voortdurend waakzaam moet blijven. De enige constante is verandering. En verandering maakt onzeker en ongemakkelijk. Daaruit besluiten dat ons sociaal model gedoemd is te verzwelgen in de globaliseringsgolf is evenwel onterecht. Dat er druk is op dat 'model' is ontegensprekelijk en het hertekenen van onze welvaartsstaat is de belangrijkste opdracht waar de Europese regeringen momenteel mee bezig zijn. Politics as usual is geen optie. Maar uit de feiten blijkt dat alarmisme niet gepast is. Het is níét zo dat sociale bescherming en concurrentiekracht water en vuur zijn. Professor Paul De Grauwe (KU Leuven) heeft de sociale uitgaven van de OESO-landen naast elkaar gelegd en kwam tot de vaststelling dat die relatief gezien gestégen zijn naarmate de globalisering toenam. Tussen 1980 en 1995 stegen de sociale uitgaven in al die landen, met uitzondering van Noorwegen, samen van 19,5 tot 24 procent van het bnp. Van de race-to-the-bottom waar velen voor vrezen, is dus geen sprake. Bovendien blijken landen met een sterk sociaal vangnet ook competitiever te zijn. Een sociale overheid en concurrentiële economie kunnen elkaar dus versterken. De openbare sector maakt deel uit van de concurrentiekracht van een land. Een overheid die veel 'value for tax money' levert, maakt het land tot een aantrekkelijke vestigingsplaats. Hier heeft ons land nog een lange weg af te leggen. Een voorbeeld ter illustratie: België heeft meer ambtenaren op het ministerie van Financiën dan in Nederland, dat nochtans zes miljoen inwoners meer telt. Niettemin is onze afhandeling van dossiers trager en zijn onze controles zwakker. Werken aan een 'lean state' moet hoog op de toekomstige agenda staan. Het beste voorbeeld van dat samengaan van groei en sociale voorzorg is te vinden in Scandinavië, met zijn 'flexicurity'. De arbeidsmarkt werkt er soepel, veel soepeler dan bij ons, maar werknemers die uit de boot vallen, worden meteen opgevist en individueel begeleid naar een nieuwe betrekking. De tewerkstelling van mensen tussen de vijftien en vierenzestig jaar ligt er ook veel hoger dan bij ons. De lessen voor de hervorming van onze eigen sociale zekerheid liggen voor de hand. Zoals Bea Cantillon, directeur van het Centrum voor Sociaal Beleid van de Universiteit van Antwerpen, twee weken terug in deze krant stelde, is het cruciaal dat we zoveel mogelijk werklozen aan de slag krijgen om het draagvlak van het hele stelsel te verbreden. Tevens moeten we durven een aantal vormen van steun tegen het licht te houden. Welke sociale risico's moet de samenleving in de toekomst prioritair afdekken? De huidige stelsels van tijdskrediet en veralgemeend brugpensioen horen daar wellicht niet bij. Kansen voor het Zuiden. Ook in landen van het Zuiden brengt globalisering niet alleen economische groei, maar ook sociale vooruitgang. Zo berekende de International Labour Organization (ILO) dat, als de huidige trends zich doorzetten, de ergste vormen van kinderarbeid binnen tien jaar uitgebannen zullen zijn. Tussen 2000 en 2004 is het aantal kinderen dat zware arbeid verricht met 11 procent gedaald, waarbij de jongste kinderen eerst ontsnappen. Ook op wereldschaal gaan de sociale normen er dus op vooruit. Globalisering heeft zeker zoveel bijgedragen tot de vooruitgang van de derde wereld als ontwikkelingshulp. Als die laatste doorslaggevend zou zijn, zou zwart Afrika koploper moeten zijn inzake groei, quod non. Ontwikkelingshulp moet meer gericht worden op 'Aid for Trade', het beter uitrusten van achtergebleven landen om hun troeven in de wereldeconomie uit te spelen. Een land als Congo heeft een geweldig ertsen- en landbouwpotentieel. Maar om dat te realiseren, heeft men wegen, havens, logistiek, douanediensten en fytosanitaire en veterinaire inspecteurs nodig. Zolang die niet voorhanden zijn, heeft vrije toegang tot de Europese markt geen enkele praktische betekenis. Vooral voor het Zuiden is het van belang dat de Doha-onderhandelingsronde van de Wereldhandelsorganisatie met succes wordt afgerond. De afbouw van landbouwsubsidies en -invoerheffingen, en het verlagen van tarifaire en niet-tarifaire belemmeringen voor industrie en diensten zullen het globaliseringsproces een nieuwe duw in de rug geven. Het succes van de ronde hangt nu in de eerste plaats af van Amerikaanse toegevingen op het vlak van handelsverstorende landbouwsubsidies die vorm moeten krijgen in hun aanstaande 'Farm Bill'. Anderzijds zou het falen van Doha de autoriteit van de WHO een zware slag toebrengen en de neiging verder in de hand werken om de internationale handel te versplinteren door het afsluiten van een kluwen van bilaterale akkoorden. Dat zou zeer jammer zijn. De WHO krijgt veel kritiek maar die komt er juist omdat zij - in tegenstelling tot vrijwel alle andere internationale instellingen - afdwingbare regels heeft, waar zelfs de Verenigde Staten zich naar plooien. De WHO is de voorpost van 'effectief multilateralisme'. Een pak huiswerk. Als je de globalisering van naderbij bekijkt, is het hoegenaamd geen proces waarbij wij Belgen op voorhand verloren zijn. Integendeel, we hebben enkel sterke troeven in handen om er beter uit te komen en de paarse regering heeft een aantal maatregelen genomen in het kader van het Europese 'Lissabonproces' om onze concurrentiekracht op te vijzelen. Als je de balans opmaakt van de laatste acht jaar, zeg maar de periode van paars, dan stel je vast dat wij het beter hebben gedaan dan Nederland, Frankrijk en Duitsland wat economische groei betreft. De OESO heeft ons daarvoor deze week nog een pluim gegeven. In een recent rapport van Dresdner Bank en Allianz Versicherungen staat zelfs dat België samen met Zweden bovenaan prijkt qua resultaten in het decennium tot dusver inzake groei, productiviteit, werkgelegenheid, scholing, publieke financiën, en investeringen in toekomstsectoren. Toegegeven, als men bijkomende indicatoren, zoals werkloosheid, neemt of de weging wijzigt, zoals het VBO doet, komt België op een beduidend minder fraaie plaats uit. Maar er is hoe dan ook beterschap in onze prestaties in vergelijking met andere lidstaten. Trouwens, ondanks alle onheilspellende berichten over verlies aan concurrentiekracht gekoppeld aan het gemor over de te dure euro heeft ons land jaar in jaar uit een positief saldo op de handelsbalans. De huidige, relatief gunstige, situatie mag er ons evenwel niet van weerhouden om de fundamentele vraag te stellen welke economische activiteiten er in de toekomst in ons land ontwikkeld kunnen worden. We zijn overigens niet de enigen die zich die vraag stellen. Bij onze oosterburen wordt dat debat gevoerd onder het thema 'Standort Deutschland'. Want dat internationaal opererende Belgische bedrijven puike prestaties neerzetten, wil niet zeggen dat ze bijdragen aan de economische activiteit en werkgelegenheid op Belgische bodem. Investeren in het buitenland is een noodzaak voor veel bedrijven en helpt indirect jobs in België in stand te houden of zelfs te creëren. Maar als Belgische bedrijven investeren in het buitenland of er lokale diensten verlenen, is het directe positieve effect op de Belgische economie vrij gering. De eindbelasting op de winst situeert zich niet zelden buiten België. Toegevoegde waarde en jobs creëren in België moet de hoofdbekommernis zijn van het beleid en kan worden bereikt via maatregelen op federaal, regionaal en Europees vlak. Om met dat laatste te beginnen: de interne markt heeft als een blaasbalg gewerkt op de efficiëntie van de Europese economieën. Volgens de Europese Commissie heeft ze sinds 1992 de groei in de lidstaten met 2,2 procent doen stijgen en zo'n 2,75 miljoen extra jobs opgeleverd. De uitbouw van de interne markt in de jaren tachtig en negentig en haar bredere armslag dankzij de uitbreiding naar op dit ogenblik een half miljard burgers is eigenlijk een vorm van globalisering avant la lettre, en één van zeer beschaafd allooi. Immers, de vrijmaking van de handel en de investeringen ging steeds gepaard met flankerende, dikwijls wetgevende, maatregelen die erover waken dat de mededinging op een faire leest geschoeid blijft, zonder ongeoorloofde staatssteun of sociale of milieudumping. Bovendien krijgen achtergebleven landen en regio's aanzienlijke hulp om beter voor de dag te komen op die interne markt. De architectuur van onze interne markt zorgt er ook voor dat Europa als ervaringsdeskundige het woord kan nemen in het ruimere globaliseringsdebat. Door critici van globalisering, zoals Nobelprijswinnaar Joseph Stiglitz, wordt dikwijls gesteld dat de kwalijke neveneffecten niet worden aangepakt bij gebrek aan corrigerende of begeleidende maatregelen op wereldvlak. Dat is precies wat wij in onze eigen binnenmarkt wél hebben gedaan. Wij Europeanen kunnen en moeten dan ook in het debat over de hervorming van 'global governance' het voortouw nemen. Het debat over globalisering geeft soms de indruk dat dat een onvermijdelijke kracht is, iets waartegen niets te beginnen valt, een beetje zoals onweer. Die indruk is fout. We mogen in deze onze eigen Belgische of Vlaamse verantwoordelijkheid niet ontlopen. De WHO wordt overladen met alle zonden van Israël en de Europese Unie wordt vaak verantwoordelijk gesteld voor al wat misgaat met de positie van onze bedrijven. Dat zijn zwakke alibi's. Voor onze positie op de Europese en wereldmarkt zijn we in de eerste plaats zelf verantwoordelijk. En we kunnen nog heel wat doen om de weerbaarheid en het potentieel van onze burgers en bedrijven te verbeteren. Op federaal vlak liggen de vraagstukken van fiscaliteit en sociale bijdragen en uitkeringen, kortom zo goed als alle determinanten van belastingen en armoedevallen. Als volgens cijfers van de Europese Commissie blijkt dat 14 procent van de Belgen in een huishouden leeft waarin niemand een betrekking heeft, dan kunnen we niet anders dan toegeven dat er inzake de arbeidsmarkt nog veel werk aan de winkel is. Op regionaal vlak bevinden zich de hefbomen voor het aanmoedigen van investeringen, scholing, innovatie en onderzoek. België is met zijn 1,8 procent voor onderzoeksuitgaven als percentage van het bnp nog een eind verwijderd van het doel van 3 procent. Daarvoor zijn in eerste instantie de gewesten verantwoordelijk. Ook het departement Buitenlandse Zaken zou meer kunnen doen. Ik heb van bij mijn aantreden als minister van Buitenlandse Zaken het belang van economische diplomatie onderstreept. Het economische belang en potentieel van de diplomatie is bij ons lang onderschat en door onze unieke staatsstructuur hebben we de binnenlandse, communautaire discussies ons buitenlands economisch beleid laten overheersen. Ik heb nooit een pleidooi gehouden voor het weer federaal maken van buitenlandse handel. De economische realiteit in de drie gewesten is daarvoor vaak te verschillend, en een handelsbeleid sluit het best zo goed mogelijk aan bij het niveau waar de knowhow te vinden is en andere beleidsdomeinen bestuurd worden. Vlaanderen kan dat, zeker binnen de Europese Unie, grotendeels zelf aan. Maar het federale niveau, het goede diplomatieke netwerk waarover we federaal beschikken, ervan weerhouden zich met het ondersteunen van Belgische bedrijven in het buitenland in te laten, is gewoon onzinnig. "Een goede economische vertegenwoordiger op het terrein is voor de uitvoerbevordering meer waard dan een prins", stelde De Tijd onlangs. Het is een noodzaak die bedrijfsleiders op het terrein als een vanzelfsprekendheid aanvoelen. Hoe verder je van huis verwijderd bent, hoe moeilijker exportpromotie wordt. Betekent dat dan dat een Vlaamse ondernemer met plannen in Brazilië het maar zelf moet uitzoeken? Ik wil de bestaande taboes daarover doorbreken. Wat goed is voor de uitvoer van Vlaamse bedrijven is goed voor Vlaanderen. Punt uit. Of er nu een Vlaamse economische vertegenwoordiger ondersteuning biedt of een federale diplomaat, dat mag de vraag niet zijn. Als de kat maar muizen vangt. Daarom denk ik dat de federale regering en de gewesten het best een nieuw samenwerkingsakkoord sluiten over buitenlandse handel. Dat, in zijn geheel genomen, de snelle integratie in de wereldeconomie zowel voor ons in het rijke Noorden als voor de snel opkomende delen van het Zuiden een grote spoorslag blijkt voor de welvaart betekent niet dat binnen onze samenleving de globalisering, net zoals de technologische vooruitgang, geen verliezers oplevert. Die zijn er wel degelijk, en we moeten de druk die daarvan uitgaat niet onderschatten. Verlies en onzekerheid zijn kweekbodems voor wrevel, die vervolgens een politieke uitlaatklep zoekt. Voor veel waarnemers was het 'non'-resultaat in het Franse referendum over het nieuwe EU-verdrag in grote mate toe te schrijven aan de onvrede over globalisering. Ook de opkomst van extreem rechts en uiterst links is daarmee verbonden. De grote winnaars van de moderne wereldeconomie zijn de aandeelhouders en het leidinggevende kader van internationale ondernemingen. Die weten goed in te spelen op de kansen zowel van de productie als verkoop in de opkomende landen als China, India, Rusland, Brazilië, Mexico en ga zo maar door. De salarissen van bedrijfsleiders en andere directeurs van multinationale ondernemingen zijn fenomenaal, zeker in de VS. Twintig jaar geleden was het totale vergoedingspakket van een topmanager ongeveer veertigmaal het loon van een gemiddelde werknemer. Vandaag is het gestegen tot 110-maal. Bij ons in Europa is die spanning veel kleiner, maar de jongste vijftien jaar is zij ook hier sterk toegenomen. Het meest controversieel zijn de uitermate riante opstappremies, ook voor bedrijfsleiders die er heel weinig van bakten, zoals recentelijk nog geïllustreerd werd door de honderden miljoenen dollars die zowel de uit de laan gestuurde baas van Pfizer als van het Amerikaanse Home Depot te beurt vielen. Daartegenover staat dat gewone arbeiders en bedienden, ook zij die universitair geschoold zijn, op het hart wordt gedrukt dat ze hun looneisen moeten matigen, willen de bedrijfsvestigingen waarin ze werken concurrentieel blijven. Vanuit een zuivere economische analyse onderschrijf ik dat pleidooi, omdat het arbeidsaanbod op de wereldwijde markt met verscheidene honderden miljoenen mensen is toegenomen, waarvan trouwens een groeiend aantal uit geschoolden bestaat. Willen we onze sociale zekerheid betaalbaar houden, dan moeten we er in België bovendien voor zorgen dat er veel meer mensen werken en moet derhalve het rekruteren en behouden van oudere werknemers aantrekkelijker gemaakt worden. Maar dat matigingspleidooi is politiek niet altijd makkelijk te verkopen tegen de achtergrond van vorstelijke salarissen aan de top en het nog nooit zo hoge aandeel van de bedrijfswinsten in het totale inkomen van onze economie. De laatste jaren zijn de reële lonen veel minder snel gestegen dan de productiviteit. In tegenstelling tot de gevolgen van technologische vooruitgang gaat het daarbij allang niet meer om laaggeschoolden alleen, maar ook om het middenkader, dat gesqueezed dreigt te worden. De internationale verhandelbaarheid van goederen en diensten veeleer dan hun sofisticatie bepaalt of men in de vuurlijn van de globalisering zit of niet. Poetsvrouwen, verplegers, kinderoppassen en taxichauffeurs zijn beter beschut tegen internationale handel dan IT-personeel, of boekhouders, ja zelfs radiologen. Die situatie is niet zonder gevaar. Aan de linker- en aan vakbondszijde gaan almaar meer stemmen op om tegen de globalisering een dam op te werpen, ook in de VS. In tegenstelling met wat doorgaans wordt aangenomen, is globalisering alles behalve onstuitbaar. De eerste golf op het einde van de negentiende eeuw werd volkomen tenietgedaan door het op hol geslagen economisch nationalisme en protectionisme tijdens de jaren dertig. De top van het westerse bedrijfsleven moet goed beseffen dat zij ook beter wat matigt om populistische tendensen niet in de kaart te spelen. Men mag nooit uit het oog verliezen dat een markteconomie haar morele en politieke legitimiteit ontleent aan de veronderstelling dat inkomen grosso modo overeenstemt met de bijdrage aan de economie. Die legitimiteit moet gevrijwaard blijven. Of om het heel simpel te stellen: in een democratie kan er geen duurzame steun zijn voor globalisering als de modale werknemer niet voelt dat hij daar beter van wordt. Een van de belangrijkste uitdagingen voor de regeringen in het Westen is derhalve manieren te vinden om de vruchten van de globalisering billijker te spreiden zonder daarbij die vruchten meteen te vernietigen. Het goede antwoord op die wrevel kan dus nooit protectionisme zijn. Een daarmee nauw verwante problematiek is de erosie van de grondslag van inkomensbelastingen en socialezekerheidsbijdragen door de internationale mobiliteit van kapitaal en hooggeschoolden. Om bedrijven te lokken of te behouden, zijn landen in een fiscale competitie verwikkeld die de effectief betaalde vennootschapsbelasting verlaagt. Verdragen ter vermijding van dubbele socialezekerheidsbijdragen zijn noodzakelijk om buitenlandse investeringen aan te trekken, maar leiden tot minder ontvangsten in de sociale zekerheid. Hogere kaderleden zorgen ervoor dat zij door middel van constructies zoals 'split pay' belastingen omzeilen en sociale bijdragen vermijden in België. Aan de onderkant van de arbeidsmarkt probeert de overheid via middelen als dienstencheques laaggeschoolden binnen de 'witte' arbeidsmarkt te loodsen. Die evoluties leiden tot minder inkomsten voor de staat. Die moeten gecompenseerd worden door ofwel andere bronnen van ontvangsten ofwel minder uitgaven. De 'lean state' waarover eerder sprake kan tot dat laatste bijdragen, maar van de vergrijzing gaat de omgekeerde impuls uit. Een verschuiving van directe naar indirecte fiscaliteit, onder de vorm van btw en milieuheffingen, is aangewezen, ook al omdat de invoer uit derde landen dan bijdraagt tot de financiering van ons socialezekerheidsstelsel. Van die verschuiving van directe naar indirecte fiscaliteit zullen de economisch niet-actieven nadeel ondervinden, wat aan de linkerzijde de roep om een kapitaalbelasting zal versterken. Het zoeken naar de gepaste antwoorden op die grote, met globalisering verbonden vragen zijn in de eerste plaats de taak van de overheid, maar ook van werkgevers en werknemers. Vakbonden hebben zich tot dusver veelal defensief opgesteld, ook al geven ze toe dat dankzij de globalisering de armoede in de wereld flink is teruggedrongen. Wij beleven de hoogdagen van de globale economie en als liberaal kan ik die alleen maar verwelkomen. Het zou goed zijn mochten de captains of industry over deze kwesties concrete, constructieve ideeën kunnen ontwikkelen. In die oefening zouden zij de volgende wijze woorden van Churchill in het achterhoofd kunnen houden: "Always be magnanimous in victory."
Karel De Gucht Karel De Gucht Linksmailto:egbert@liberales.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|