Deëscaleer het debat over islam en integratie

essay vrijdag 30 april 2004

August Hans den Boef

Er woedt in Nederland een stellingenoorlog over religie en integratie: hier lig ik en ik kan niet anders. Paul Cliteur had volkomen gelijk dat hij zich hieronder ongelukkig voelt. Ik interpreteer zijn actie dan ook vooral als een pleidooi voor minder trommels, trompetten en mitrailleurvuur. Een probleem scherp in beeld brengen, vergt niet altijd pejoratieven. Keer dus terug naar een tussengebied waarin weer de reguliere termen van het publieke debat een rol spelen. Niet verketteren, maar verkennen, geen sweeping statements, maar onderbouwde observaties.

Concentreren op de kwesties waarom het eigenlijk gaat: het afvuren van losse flodders, het knutselen van onhandige adhoc-wetgeving, het selectief hanteren van wetenschappelijk onderzoek en van de politieke geschiedenis. Wees hierbij uiterst voorzichtig en terughoudend met geladen termen die de afgelopen tijd zozeer zijn gesleten dat ze slechts een rituele functie binnen de eigen kring hebben: liberale jihad, verlichtingsfundamentalisme, intolerant, linkse Kerk, funest, rechtse Kerk, apartheid, gevaarlijk, deportatie, achterlijk, geitenneukers, islamofobie, discriminatie en racisme.

Het debat zou in ieder geval twee extreme posities moeten laten vallen. Ten eerste de kwalificatie van het moslimsvolksdeel als achterlijk en gevaarlijk. ‘Problematisch’ is al voldoende, mits de scribent exact aangeeft welke problemen hij signaleert en waar hij die lokaliseert. De tweede kwalificatie is die van de moslim als de nobele wilde, argeloos uit een andere cultuur in Nederland neergeplant en vervolgens gedwongen zich stante pede te assimileren aan een dominante, seculiere, monocultuur van de blanke middle class waarin ook vrouwen zich nadrukkelijk roeren Merkwaardig overigens, hoe juist degenen die anderen van verlichtingsfundamentalisme beschuldigen, impliciet een van de meest gênante en tragische fouten van de lumières overnemen: Rousseaus kwalificatie van Amerikaanse indianen als ‘nobele wilden’.

Die posities moeten verdwijnen, bijvoorbeeld omdat het op zijn zachtst gezegd niet leuk is wanneer iemand jou, of anderen die vergelijkbare ideeën uitdragen, afschildert als botte en gevaarlijke verlichtingsfundamentalisten die de vrijheid van godsdienst negeren en stelselmatig een gelovig volksdeel schofferen. Het is vooral onprettig omdat je het gevoel hebt dat die ideeën eerst worden geperverteerd en vervolgens in die geperverteerde vorm worden aangevallen. Publicisten als Cliteur, die uit de sfeer van de VVD komen, hebben bovendien het nadeel dat zij medeverantwoordelijk worden beschouwd voor het politieke gedrag van ongeleide projectielen als Ayaan Hirsi Ali en Geert Wilders. Dat hun stellingname en die van geestverwante publicisten volgens de AIVD, de Nederlandse inlichtingendienst, moslims zouden opwekken tot radicalisering, zullen rechtse burgers zich dan ook veel meer aantrekken dan een oude communist als ik, voor wie de openbare orde nog maar steeds niet de zijne is geworden.

Anders dan Paul Cliteur, die zich vooral (en terecht) gegriefd voelt door een verzameling inderdaad nogal ergerlijke oude sociaal-democraten, krijg ik het meer benauwd bij de pseudo-wetenschappelijke manier waarmee Thomas von der Dunk (VN, NRC Handelsblad) Sjoerd de Jong (NRC Handelsblad) en Dick Pels (Volkskrant, VN) de laatste tijd opereren. Zij behoren als serieuze en niet partij-angehauchte publicisten tot mijn intellectuele Umwelt.

Inburgeren

Waarom moet iemand inburgeren? Omdat hij zich anders niet kan redden en omdat grotere groepen die zich niet goed kunnen redden, een maatschappelijk probleem vormen. We hebben het niet over Japanners en Amerikanen in Buitenveldert, over veel Chinese gemeenschappen en over de orthodoxe joden in Antwerpen. Dat zijn voorbeelden van mensen die de taal niet nodig hebben en in hun omgeving beschikken over lieden die de weg weten in de samenleving. Ze missen daardoor helaas veel aardige en boeiende Dutch experiences, maar kunnen zichzelf redden en vormen daardoor noch een probleem voor zichzelf, noch voor de Nederlandse dan wel Vlaamse samenleving.

Wie niet over zo’n netwerk beschikt, de taal niet spreekt en laag is opgeleid, die is in een land als Nederland letterlijk aan de heidenen overgeleverd, zeker als hij geen werk heeft. Die moet daarom op een inburgeringcursus. Niet omdat hij uit Turkije of Marokko komt en evenmin omdat hij moslim is. Maar, nogmaals, omdat hij zich anders niet kan goed redden. Dat het kabinet-Balkenende op inburgeringcursussen gaat bezuinigen, is daarom uiterst onverstandig.

Het omgekeerde is schadelijker, de ronduit harteloze attitude als van de oude sociaal-democraten en hun geestverwante publicisten, die suggereert dat via verborgen assimilatie-agenda’s gejaagd wordt op die arme muzelmannen. Het probleem van deze publicisten is dat zij hun oor nog te veel te hangen laten naar het oude multicultarisme-discours waarin deficiënties juist positieve verworvenheden heetten en allochtonen de slachtoffers van blanke uitsluiting. Dat discours is onder veel allochtonen nog altijd springlevend. Het ontlast hen immers van zelfkritiek.

Radicale jonge moslims hebben als rolmodel de cultuur van hun veelal laaggeschoolde en vaak zelfs analfabete ouders, wier wortels liggen in de plattelandssamenleving. Turkse kranten stonden onlangs bol van het verhaal over een jonge imam die in een Anatolisch dorpje de bevolking had uitgelegd dat mannen wat meer in het huishouden konden doen. Niet omdat de Turkse media deze aansporing bizar vonden, nee, ze waren verbaasd dat de brave plaatselijke bevolking voortaan de moskee meed en dat de imam werd overgeplaatst. Het geval doet mij denken aan een oude communistische film, die ik ooit zag en misschien De eerste leraar heette, maar ik via het internet niet kan lokaliseren.

Hirsi Ali, Wilders, Cliteur en vele anderen hebben natuurlijk niets tegen zo’n imam als eerste leraar, integendeel, maar wel tegen die plattelanders, want hun cultuur vormt het leeuwendeel van de islamitische medelanders alhier. Willens en wetens suggereren en de oude sociaal-democraten desondanks dat hun liberale antagonisten de islam in het algemeen onder schot nemen en lijden aan islamofobie. De Jong, Von der Dunk en Pels maken dit verschil soms wel, maar willen die arme plattelanders beschermen tegen het geweld van de eerste leraar, in casu de assimilator. Soms heb ik het gevoel dat zij aan een nostalgische sympathie met de simpele boerenbevolking lijden, een klassiek orientalism, waarbij de oosterse stedelijke bevolking als decadent geldt. Nobele wilden, wederom.

Vanuit deze invalshoek betogen De Jong, Von der Dunk, Pels en de oude sociaal-democraten dat je tolerant moet zijn en ‘je niet in een generatie mensen door de Verlichting kan halen’. Dat hoeven die mensen echter helemaal niet! Wat hun liberale antagonisten wensen, is niets anders dan dat burgers zich talig en vaardig kunnen redden in hun omgeving, optimaal kunnen profiteren van de verworvenheden die de Nederlandse samenleving hun biedt – ook op het niveau van faciliteiten waarop zij recht hebben – en zich houden aan de vigerende wetten en regels.

Vinden nieuwe Nederlanders die wetten en regels raar en dom – dat recht hebben zij volgens de vrijheid van meningsuiting. Dezelfde vrijheid van meningsuiting die anderen de mogelijkheid biedt scherpe kritiek te uiten op degenen die de wetten en regels raar en dom vinden. Die kritiek is misschien niet in het belang van de openbare orde zoals de AIVD en regenten die definiëren, het gaat te ver om haar als ‘verlichtingsfundamentalisme’ af te doen. Zeker als de kritiek zich uitstrekt tot handelingen en opvattingen die tegen de wetten en regels ingaan. Eerwraak is een motief voor het misdrijf moord, een bepaalde opvatting over de rol van de vrouw kan gelden als motief voor huiselijk geweld, maar als er een zekere consensus onder substantiële groepen moslims inhoudt dat die motieven tot hun cultuur behoren, krijgen zij een probleem en de overheid eveneens.

Als oriëntatiepunt voor de overheid zou dan ook veel vaker het land van herkomst moeten fungeren. Daar wonen immers veel hoger geschoolden, onder wie ook liberale moslims. Wat zijn hun ideeën over de bevolkingsgroep die in ons land kwam wonen? En welke opvattingen huldigen hoger geschoolde liberale moslims die zich in West-Europese landen hebben gevestigd? Op een terras in Casablanca kun je wijndrinkende intellectuelen aantreffen die ‘onze’ Marokkanen beschouwen als achterlijke boeren en de problematische zonen als dégénérés.

Je kunt zo’n observatie te simpel vinden, maar vooral Sjoerd de Jong gaat categorisch voorbij aan deze mogelijke ‘input’. Wanneer hij weer eens een publicatie bespreekt van een kritische, liberale moslim uit Frankrijk, reageert hij tegenwoordig bijna pavloviaans met de kritiek dat de auteur zich niet met ‘de werkelijke problemen’ bezighoudt. Dat zijn namelijk niet de sluiers en de vrouwenonderdrukking, maar de werkeloosheid, slechte huisvesting en de discriminatie & uitsluiting door de dominante blanke monocultuur. Die dominante cultuur laat immers alleen maar geassimileerde bounty’s of bananen (bruin of geel van buiten, wit van binnen) toe, geen nobele wilden.

Politieke islam

De verdedigers van de nobele wilden gaan bovendien bewust voorbij aan het politieke karakter van de islam. Eigenlijk is ‘politieke islam’ een pleonasme, voor een religie die vooral bestaat uit een serie regels voor het dagelijks leven. Vooral na 911 is die politisering verhard. Moslims willen nadrukkelijk hun aanwezigheid in de openbare ruimte manifesteren, eisen gebedsruimten, willen kitscherige megamoskeeën op opvallende locaties en steeds meer vrouwen besluiten al dan niet gedwongen om zich te sluieren. Partijen als de HUT en in iets mindere mate de AEL, exploiteren de islamitische onderbuikgevoelens door verschijnselen als uitsluiting en discriminatie te overdrijven, door arabisering van de Turkse en Berberse populaties voor te staan, een herstel van het wereldkalifaat te ambiëren en totdat deze ambitie is verwezenlijkt een parallelle moslimsamenleving alhier te propageren waarin de sharia heerst en verder van ook van ongelovige smetten vrij. Ze sympathiseren openlijk met terroristische organisaties als Hamas, waardoor ze zinnige politieke coalities frustreren met landgenoten die de Israëlische politiek jegens de Palestijnen afwijzen.

Kortom, het gaat niet om mensen die wanhopig vasthouden aan tradities die ze ooit van het thuisland hebben meegekregen. Ze reageren via politiek gedrag op nieuwe omstandigheden en onttrekken zich daardoor aan het publieke debat. Met name de oude sociaal-democraten beschouwen moslims nog steeds louter als objecten van discriminatie, niet als subjecten daarvan. Klagen over de toon van rechts, maar reppen zelden over de verongelijkte, gefrustreerde, ongedisciplineerde, agressieve toon waarop jonge moslims het debat voeren. Hoor een kleine AEL’er spreken over de ‘zionistische entiteit’ en Leon de Winter lijkt opeens een modelvoorbeeld van redelijkheid. Kijk op tv naar de Tilburgse gevangenisimam Ali Eddaoudi en rabiaatste aanval die Pim Fortuyn op de islam deed, lijkt het gepiep van een poedel die om een koekje bedelt.

Analogie

Het is altijd riskant om een analogie te gebruiken. Een tot de huidige dag populaire is de analogie tussen het Nederlandse katholieke volksdeel in het midden van de negentiende eeuw en de hedendaagse moslims. De bedoeling daarvan is: vroeger gingen de dominante protestanten ook al te keer tegen de emanciperende katholieken, dus matig je toon. En: het zal dus met die moslims ook wel loslopen. De meest consequente vertolker hiervan is Ronald van Raak, lid van de Socialistische Partij. PvdA-er Thijs Wöltgens, die de vileine opmerkingen maakte over Cliteur, waardoor de Leidse hoogleraar het benauwd kreeg, is een andere. Maar de verschillen tussen de situatie in 1853 en 2004 alleen al zijn zo groot - katholieken woonden vanouds in Nederland, spraken de taal, kenden de cultuur - dat die analogie langzaam maar zeker verandert in een vage speculatie. Een politieke variant van de homeopathie.

Sjoerd de Jongs belangrijkste argument tegen de inburgeringvoorstellen van de regering berust eveneens op een analogie. Namelijk met het assimilatieproject dat de Amerikaanse regering aan het eind van de negentiende eeuw op de indianen toepasten en waarvan in 1929 al werd vastgesteld dat het was mislukt. Kennelijk is de Amerikaanse overheid daarna op haar kwade schreden teruggekeerd.

Anno 2004 is het met de Amerikaanse noch met de Canadese indianen goed gesteld. In de reservaten tieren verslaving, misdaad en geweld welig. In een stad als Toronto bestaat een groot deel van de bedelaars uit native Canadians. De enige structurele welvaart komt uit casino’s (in veel Amerikaanse staten genieten reservaten een uitzondering op de gokwetten). Voor de rest zijn indianen afhankelijk van de toeristenindustrie. Ze verkopen kraaltjes en spiegeltjes, voeren rituele dansen uit en worstelen met alligators. Niet opwekkend allemaal, maar is deze situatie een bewijs voor de na 1929 door Sjoerd de Jong zo gewenste inburgeringspolitiek?

Historicus Von der Dunk gebruikt geen analogie, maar de stromantactiek. Hij doet een beroep op de ‘echte’ verlichtingsidealen en vat zijn bijdrage krachtig samen in de volgende karikatuur van de VVD-politiek: ’Bevrijd degenen die zichzelf nog niet bevrijden kunnen, omdat zij zich niet weten wat vrijheid is.’ Daarbij danst hij als een derwisj door de Verlichtingsgeschiedenis. Von der Dunk meent dat de VVD’ers beter een voorbeeld kunnen nemen aan Frederik van Pruisen die ieder op zijn manier zalig wilde laten worden. Hirsi Ali en Wilders opereren volgens hem echter als de terroristische jacobijnen van Robespierre. Maar is deze Friedrich wel zo’n goed voorbeeld? Toen Voltaire bij de hem te gast was en in 1752 het pamflet Akakia publiceerde, liet de keurvorst dat in het openbaar verbranden. Uiteindelijk huldigde Friedrich de machiavellistische ‘Raison d’État’. Zijn opvolger verbood per kabinetsorder aan Kant ‘het christendom verder te ondermijnen’. Verlicht land, dat Pruisen als tijdgenoot van het revolutionaire Frankrijk?

Dick Pels is eveneens een kampioen van de Verlichting (i.c. van de juiste richting) en betitelt VVD’ers en liberalen als ‘verlichtingsfundi’s’. Hij gebruikt de argumentatie die ik altijd ‘de dominee Van Vaaghuizen’ noem. Elke opvatting is namelijk een geloof en iemand die tamelijk standvastig aan zijn ideeën vasthoudt is dan ook een fundamentalist. Dit trucje bijt altijd in de eigen staart. Wie tegenstanders meent te diskwalificeren door hun van geloven te beschuldigen, diskwalificeert uiteraard het geloven als zodanig.

Wat is Pels’ visie op de Verlichting? Die van Frederik de Grote, Hume, Voltaire of Kant? Nee, de tolerantie als deugd, via een wel erg religieuzerige formulering. Keer uw andere wang naar de gene die u op de wang heeft geslagen. Je kunt tolerantie heel wel formuleren als: ‘je ergert je kapot aan het gedrag van anderen, maar meent dat ze zich, binnenin de kaders van een democratische rechtstaat, mogen gedragen zoals ze willen.’ Maar dat mag niet. In Vrij Nederland van 24 april draait Pels weer hetzelfde plaatje af en eindigt hij zijn stuk met de volgende observatie: ‘Wat nodig is, is een radicalisering van de Verlichtingstraditie van de godsdienstkritiek. Die treft immers niet alleen het fundamentalisme van de linkse en de islamitische, maar ook dat van de rechtse kerk’. Een stelling die zijn hele betoog ontkracht, want Pels doet niet anders dan naar hartelust shoppen in de geschiedenis en in de politieke filosofie. Dat gunnen wij hem, maar niet die triomfalistische toon van ‘ik heb het gelijk van de geschiedenis en de wetenschap aan mijn kant’, die ook de betogen van De Jong en Von der Dunk kenmerken.

Wat is de Verlichting? Er bestaan geen ‘heilige teksten’ uit de Verlichting, hoogstens heerst er onder politicologen, filosofen en historici een zekere consensus over ‘verlichtingsidealen’. Die komen neer op democratie, rechtsstaat, tolerantie, scheiding tussen kerk en staat, redeneren op basis van rationele (wetenschappelijke) van argumenten en ten slotte een zeker relativeringsvermogen. Omdat de meeste geschoolde Nederlanders en Belgen zich in al deze idealen kunnen herkennen, hebben publicisten de neiging – mijzelf incluis – hun particuliere invulling van die idealen te projecteren op het grote en zeer diverse corpus die traditioneel onder de noemer ‘Verlichting’ zijn verzameld.

Ik zou bijvoorbeeld de scherpe islamkritiek van Voltaire en David Hume daaruit kunnen lichten, anderen daarentegen juist de passages waarin deze filosofen van tolerantie jegens deze religie getuigen. Wij hebben dan beiden een ‘klein’ gelijk, maar ook een groot ‘ongelijk’ omdat we deze teksten niet alleen losmaken uit de context van het oeuvre, maar ook uit de historische. We beschouwen ze namelijk als bijna sacraal.

De ‘Verlichting’ is in feite niets anders dan een serie debatten over hoe de burger meende dat zijn samenleving het best kon worden ingericht en wat de rol van bestaande instituties daarin kan zijn. Elke schaakzet daarin is een reactie op een andere, bovendien bepaald door de destijds vigerende maatschappelijke omstandigheden. Wanneer we vaststellen dat de Verlichting een historisch proces is en geen bijbel (die immers ook verschillende auteurs, onder verschillende omstandigheden, heeft), hoeft dat nog niet in te houden dat wij dat proces niet meer als inspiratie mogen hanteren.

Het proces heeft geleid tot wetten, regels en praktijken waarvan wij tot de huidige dag profiteren. Uiterst belangrijk dan ook om ons te blijven verdiepen in het proces waarmee het gedachtegoed werd gevormd dat uiteindelijk tot die prettige omstandigheden heeft geleid. In mijn jeugd was ik geneigd om de volkse publicist Daniel Defoe als een voorvader van de Verlichting te beschouwen, anders dan bourgeoise tijdgenoten als Alexander Pope en Jonathan Swift. Nu denk ik veel meer dat de wisselwerking tussen de ideeën van deze uiteenlopende auteurs het Verlichtings-proces in Engeland telkens weer een stap vooruit heeft geholpen.

Pragmatisch

Paul Cliteur heeft ten slotte niet helemaal gelijk als hij meent dat ‘de linkse kerk’ een hysterisch klimaat rond het integratiedebat creëert. GroenLinks bleek onlangs over een onverwachte geestelijke mobiliteit te beschikken, toen de partij de nota Het hoofd koel, het hart warm. Integratie door emancipatie presenteerde. De toon, de analyse en de voorstellen zijn een stuk pragmatischer dan die van de oude sociaal-democraten. Kortom, de nota ademt meer Paul Scheffer, soms zelfs letterlijk, dan Paul Kalma. ‘In sommige culturele tradities in onze samenleving zijn man en vrouw niet gelijk, is de scheiding tussen kerk en staat afwezig, spelen eer, schaamte en wraak een grote rol en worden homo’s niet geaccepteerd.’ Vervolgt GroenLinks deze observatie als vroeger met de aanbeveling dat we dit gegeven nu eenmaal moeten accepteren, want in een diverse en pluriforme samenleving in een globaliserende wereld zijn onze Nederlandse normen & waarden nu eenmaal relatief? Neen, het consigne is geheel anders: ‘Wij nemen daar hard afstand van en willen dat veranderen.’

Hard, afstand, veranderen. GroenLinks neemt afstand van de idealen van de islamzuil en de permanente arbeidsmigratie. De nota signaleert het schadelijke karakter van extreme endogamie en importhuwelijken, ook vanwege de structurele relatieproblemen die de huwelijkspartners daardoor ondervinden. Eist daarom leerplicht daarom voor huwelijksmigranten.

Marokko moet het Nederlandse familierecht erkennen en bij scholen wil de partij niet meer kijken naar etniciteit, maar naar daadwerkelijke achterstand en voor probleemjongeren ondersteunt ze initiatieven als Den Engh. En last but not least: de partij gaat uit van de wereldwijde strijd tussen liberale en conservatieve moslims. Ik zie ook wel wat bezwaren in de nota, maar in de eerste plaats is Het hoofd koel, het hart warm een voorbeeld van pragmatisch deëscaleren van het debat over de gebrekkige integratie van moslims.

GroenLinks heeft ook keurig gewacht tot het rapport van de Commisie-Blok over het Nederlandse integratiebeleid van de afgelopen dertig jaar was verschenen. Net als de PvdA met Aan het werk! In deze pragmatische variant van de VVD-CDA-plannen over integratie, waarmee zij zojuist uit haar winterslaap is getreden, hanteert de partij evenmin als GroenLinks nog een ideologische toonzetting of scherpslijperij. Al zou je dat niet zeggen wanneer je voorzitter Schelto Patijn zijn PvdA-nota hoort toelichten. Tegen de geest van Aan het werk! in bagatelliseert hij op zalvende wijze allerlei integratieproblemen, alsof we nog in de tijd verkeren van Ed. van Thijn, die vroeger dit soort PvdA-initiatieven placht te presideren. Een laatste stuiptrekking van de oude sociaal-democraten?

Het gaat in ieder geval de goede kant op met de politieke partijen. Nu nog de journalistieke opinion leaders.



August Hans den Boef

August Hans den Boef

Share |

Nieuwsbrief

Schrijf je in op onze wekelijkse nieuwsbrief door hieronder je e-mailadres in te vullen.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be