Botsende meningen zijn het fundament voor de democratie

essay vrijdag 15 oktober 2004

Ignaas Devisch

Nog niet eens dertig jaar geleden was het duidelijk waarrond politiek draaide: de strijd om ideeën. Je had een aantal dominante ideologieën die om de zoveel jaar om de macht streden. Om die strijd te winnen, waren de verkiezingen al bij al van ondergeschikt belang. De ideologieën hadden een dermate grote greep op de samenleving dat de meeste kiezers als een soort van automatische piloot telkens opnieuw het vakje van de ‘juisten’ invulden. De zuilen bepaalden het perspectief van waaruit je de maatschappij benaderde. Zij hadden een dubbele functie. Elk op zich ondersteunden ze de individuele leden van de samenleving ‘van de wieg tot aan het graf’ en samen vormden ze het fundament dat nodig was om tot een stevig geordende samenleving te komen. De politiek had van daaruit een verhouding met groepen en niet zozeer met individuen. Individuen werden gerepresenteerd door de zuilen die natuurlijk naderhand vooral zichzelf representeerden. De kloof tussen burger en politiek was toen oneindig veel groter dan nu. Natuurlijk maakt de strijd om ideeën het wezen van een democratie uit. Het probleem was natuurlijk dat die strijd zich zelden in het parlement afspeelde. Politiek werd bedisseld op ‘canapés’ en beslecht via ‘wafelijzers’ om de verschillende breuklijnen en landsgedeelten in een maatschappelijk evenwicht te houden.

Politiek zoals hierboven kort beschreven was bij wijze van spreken een objectief gebeuren. Het vertrok vanuit een onweerlegbaar fundament van waaruit alles logisch voortvloeide en duidelijk aangaf waarheen de samenleving moest evolueren: naar God, naar Marx’ vrije maatschappij, naar de koning. In onze samenleving was die waarheid gelukkig gedeeltelijk gedemocratiseerd, zodat we kunnen spreken van een ‘gematigd objectivisme’. Pure objectiviteit vindt eigenlijk men alleen terug in een dictatuur. Daar zijn de waarheid en het doel van de politiek vastgelegd door één allesbepalende ideologie, zij het dat die waarheid vaak de waarheid van één persoon is. Objectivisme kan daarom evengoed uitmonden in louter subjectivisme. Zij delen immers één belangrijk kenmerk: de ideologische waarheid is niet voor discussie vatbaar en dus nooit weerlegbaar.

Progressief en conservatief

Vandaag zijn de zuilen niet verdwenen, maar hun maatschappelijke, bindende functie is dat wel. Het automatische verzuilde levenstraject van voorheen bestaat niet langer en we kiezen voortaan in eigen persoon voor wie we stemmen. We gaan uit van ons grillige en zo subjectief mogelijk verlangen van het moment. Vast staat vooral dat er maar zeer weinig meer vast staat. Alles beweegt en niemand heeft er eigenlijk vat op. Die voortdurende flux is boeiend, maar tegelijk problematisch omdat ze niet te stoppen lijkt en geen ankerpunten biedt. Dat zorgt blijkbaar voor angst. Angst om job en lief te verliezen, angst om het huis niet meer te kunnen afbetalen, angst zichzelf en de ander niet langer te kennen, angst om veel te veel.

Afhankelijk van het perspectief is de bovenstaande evolutie positief dan wel negatief. Vanuit een progressief liberaal standpunt zijn er vooral positieve geluiden op te vangen. Doordat het individu een rechtstreeks contact heeft met de politiek, is onze samenleving duidelijk democratischer georganiseerd. Het zogenaamde middenveld waar een zekere Verhofstadt ooit zo tegen fulmineerde, vormde een buffer tussen die beide in en werkte bevoogdend naar het individu. Vandaag kiezen wij zelf onze waarden en normen en dus ook onze politieke kleur. Wij steunen die personen die wij op dat ogenblik interessant, sexy of leuk vinden, kiezen zelf hoe we handelen en dragen persoonlijk de verantwoordelijkheid voor de kansen die het politiek bestel ons biedt. Het individu als moreel subject, zo luidt het verder in die analyse, is nu pas voor het eerst ‘bevrijd’ en daar kan de democratie alleen maar wel bij varen. Aan die democratie en aan onszelf om daar te leren mee omgaan. Angst valt dan te verklaren als het tijdelijke ongemak dat wij vertonen bij zoveel ‘snelle’ evoluties.

Vanuit een moralistisch conservatief perspectief luidt het verhaal net omgekeerd. Wij zijn losgeslagen, zo luidt het. We modderen maar wat aan en enig engagement is ons vreemd. We zijn individualisten die alleen in zichzelf geïnteresseerd zijn. Het hoger belang van de samenleving of gemeenschap zal ons worst wezen. Of het beleid nu goed is of slecht, het lijkt allemaal geen rol te spelen. Wij kiezen voor wat wij willen. Om aan die chaos te ontsnappen, moeten we dringend een morele restauratie organiseren, zo gaat deze analyse verder. Meer wellevendheid, meer opvoeding, meer respect voor de openbare ruimte, dat soort ‘waarden’ moeten jongeren dringend opnieuw aangeleerd krijgen of het loopt met de samenleving helemaal fout. Terug naar de gemeenschap dus, terug naar de tijd waarin het individu nog in vastgelegde kaders functioneerde en werd aangeleerd wat goed en fout was. Alleen dan komt het opnieuw goed.

Natuurlijk lopen die beide perspectieven behoorlijk door elkaar. Niet dat links en rechts niet langer bestaan. Een al te luie afwijzing daarvan is vandaag ons deel, maar zowel progressieven als conservatieven nemen stukken over uit beide analyses. Dat is niet eens zo verwonderlijk. Wat de beide perspectieven delen is minstens het volgende. Ze gaan er ten eerste allebei vanuit, goedkeurend of niet, dat we vandaag te maken hebben met het primaat van het individu. Niet de groep maar de individuele persoon is wat telt. Ten tweede laten ze allebei het perspectief van de economie zo goed als buiten schot. Het op kapitalistische leest geschoeide mondiale marktmodel staat voorop en dient als blauwdruk voor andere maatschappelijke terreinen zoals nutsvoorzieningen en onderwijs. Enkel aan de beide uithoeken van het politieke spectrum kan men nog kritiek horen hierop, maar ‘kritiek’ als zodanig is, samen met vele andere fenomenen, een uitgeholde aangelegenheid geworden. De waarheid, het fundament van waaruit ze opereert, bestaat niet langer. Kritiek heeft geen enkele status meer.

Subjectivisme

Vanuit deze en vele andere gegevens lijkt de conclusie onvermijdelijk de volgende te zijn: we hebben het stadium van het gematigd objectieve verlaten en we opteren momenteel vrij massaal voor het subjectivisme. In die constellatie telt elke mening evenveel. Niemand die nog durft te pretenderen de waarheid uit te spreken. Zij die nog een poging ondernemen, worden als ideologisch omschreven en uitgerangeerd. Wat telt is alleen wat zich in onze kop afspeelt en of iets nu klopt met de feitelijke realiteit is vaak bijkomstig. Om een voorbeeld te geven. Een aantal jaren terug liep een cameraploeg rond in Antwerpen met de vraag hoeveel vreemdelingen er in ‘t stad wonen. De meesten overschatten het aantal ruimschoots, maar wat vooral opviel is dat velen aan hun eigen cijfer bleven vasthouden, ook al werd hen daarna het enige echte en juiste cijfer meegedeeld. “D’r zain hier viel mier Marokkonen menier!” De feiten zijn wat ze zijn, maar ik blijf bij ‘mijn mening’. Punt andere lijn.

Ook de politieke en parlementaire debatten verlopen vaak in die sfeer. Men verdraait de feiten en vertelt halve of hele leugens. Niemand kan wat, want dé waarheid bestaat niet langer. Criminaliteitscijfers zijn daar een mooi voorbeeld van. Iedereen komt steevast met andere cijfers voor de dag en niemand die nog de positie of de autoriteit kan innemen om te oordelen wat waar is en wat niet. Indien ieders waarheid evenveel telt, dan is elk tegenargument even (on-)geldig, ook al weerlegt het de leugens van anderen. Niemand die nog een weg uitkan in deze situatie van veralgemeend relativisme. De conclusie van velen is dat het bijgevolg ‘allemaal zever’ is en dat zij niets of niemand nog geloven, tenzij, zo blijkt uit de verkiezingsuitslag, enkel zij die dezelfde conclusies uitspreken en zich tegen de politiek als zodanig keren.

De status van de waarheid

Het hierboven geschetste subjectivisme of relativisme zo je wil, raakt de kern van ons huidig maatschappelijk bestel. Willen we enigszins helderheid verschaffen over een aantal recente maatschappelijke en politieke evoluties, dan moeten we dit zeker in rekening brengen bij de analyse ervan. Het betreft een vrij fundamentele aangelegenheid en zowel de weg die onze samenleving inslaat als de politieke onzekerheid van het moment, hebben daar alles mee van doen.

Het lijkt er sterk op dat we in ons afscheid aan het gematigd objectieve, vrij driest tewerk zijn gegaan. Was de politiek voorheen gefundeerd in een waarheidsdenken, dan is de enige waarheid die overblijft, dat er niet langer waarheden bestaan. Deze paradoxale situatie zorgt er niet alleen voor dat politiek en democratie een bijzonder precaire aangelegenheid zijn geworden die zich volop in dat subjectivisme hebben vastgereden. Dit subjectivisme is bovendien een pervers nevenverschijnsel van democratisering.

Dat betekent concreet het volgende. Elke stem telt uiteraard en in een democratie moet ieders stem gehoord worden. Dat wij in vergelijking met een aantal decennia terug in een democratischer samenleving leven, is vanuit een formeel perspectief een juiste stelling. Het volk heeft meer contact met het beleid en het beleid zoekt meer contact met het volk. Of die toename aan ‘formele democratie’ (de betere toegang tot de politieke instellingen) heeft geleid tot een betere democratische cultuur die de uitwisseling van meningen stimuleert en richting geeft in functie van een toekomstig beleid, is een heel andere kwestie. Een veralgemeend subjectivisme gaat ervan uit dat alle meningen evenveel tellen. Iedereen verwacht bijgevolg zijn opinie of probleem in het beleid terug te vinden. Omdat niemand ooit zijn of haar mening volledig gerepresenteerd weet in het beleid, kunnen de ontgoocheling en het onbehagen alleen maar toenemen. Want indien ik mijn standpunt niet vertolkt zie in het beleid, is er iets mis met dat beleid, zo luidt de logische conclusie dan. Bijgevolg is elke vorm van beleid, hoe goed of hoe slecht ook, steeds een potentieel en ‘geldig’ alibi om zich tegen de politiek te keren.

Dit alles maakt anti-politiek zo ongrijpbaar en nooit met één maatregel uit te roeien. Het politieke onbehagen verplaatst zich voortdurend en op een lukrake manier van klacht naar klacht. Nog voor aan de ene klacht is verholpen, staat er al een tweede klaar. Teveel van dit, te weinig van dat, de hysterisch aandoende klachtenstroom houdt principieel nooit op, juist omdat de verwachting is gecreëerd dat onze klachten steeds geldig zijn en dus dringend moeten en zullen worden opgelost door ‘dé politiek’.

Subjectivisme brengt op termijn een democratie aan de rand van de afgrond. Een democratische samenleving kan zich nu eenmaal niet funderen op subjectivisme en relativisme, voor de goeie reden dat er in een toestand van veralgemeend relativisme niets meer te funderen valt. Als alles altijd waar is en dus absoluut onzeker en alle meningen kriskras elkaar kruisen zonder meer, kan niemand welke richting dan ook aangeven en komen we terecht in een situatie van pure vormeloosheid. Als alles altijd even geldig is, is er nooit meer iets juist, of is alles tegelijk fout én juist tegelijk. Als mijn opinie, los welke feitelijkheid ook, evenveel telt als een objectief cijfer, kun je geen samenleving besturen. Dan kom je terecht in een psychotische werkelijkheid en is elk beleid, goed of slecht, altijd nutteloos en hopeloos en resulteert het alleen maar in meer onbehagen. Dit onbehagen leidt vervolgens tot heimwee naar een periode waarin de dingen wel nog ‘objectief’ duidelijk waren, naar een politiek die dat frivole gezwets achter zich laat en een sterk leiderschap in het vooruitzicht stelt.

Gebrek aan democratische cultuur

Het ziet er naar uit dat onze democratie in een zware crisis verkeert. Wat er van haar overblijft is een uitgehold, louter formeel kader van democratische instellingen dat niet wordt ondersteund door een cultuur die zich daar rond centreert en aan democratische opvoeding of ‘Bildung’ doet. Dat komt in alle hardheid tot uiting in het feit dat wij tot nu toe geen enkel antwoord hebben kunnen bieden aan partijen of bewegingen die de democratische spelregels gebruiken om de democratie intern uit te hollen en desnoods van binnenuit op te heffen. Wij moeten toegeven dat zij inderdaad van die spelregels misbruik maken, maar veel verder komen we niet. We zien al dan niet lijdzaam toe hoe de democratie zichzelf aan het vernietigen is en onder het mom van democratisering zich langzaam maar zeker volledig aan het relativisme overgeeft.

Zij lijkt daarin gesteund te worden door de ideologie van onze tijd. Steeds meer maatschappelijke sectoren zoals onderwijs en tewerkstelling organiseren hun eigen failliet. Zij staan voor het louter ‘aanbieden van kansen’ of ‘leren leren’ en werken daarmee de veralgemening van het subjectivisme in de hand. ‘Woorden' als ‘kritiek’, ‘culturele opvoeding’ of ‘emancipatie’ staan vandaag nergens meer voor. Zij zijn samen met de ideologieën waaraan ze vasthingen, verdwenen of kunnen alleen nog maar in een louter gratuite geste worden gebezigd. Ze zijn haast betekenisloos geworden.

Niettemin worden wij meer dan ooit opgevoed of ‘gebildet’, maar dan op een perfide wijze. De klassieke opvoedingsidealen zijn weggeslagen, maar op de maatschappelijke plaats waar zij zich bevonden, heeft zich een listige ideologie genesteld. Deze stelt zich naar buiten toe bescheiden op en biedt naar eigen zeggen alleen maar kansen aan. Zij wil ons doen geloven dat de ‘neutrale’ staat niet langer tussenbeide komt en het individu zoveel mogelijk vrijheid verleent om zijn of haar eigenste ‘zelf’ te ontplooien, desnoods ten koste van de ander.

Diezelfde ideologie oefent haar maatschappelijke autoriteit nochtans uit op de meest heimelijke manier. De zogenaamde neutraliteit resulteert in een samenleving die het individu er gewoon toe dwingt zich terug te plooien op zichzelf en zijn subjectivisme. In die constellatie hoeven we niet verbaasd te zijn dat individuen zich steeds meer van de samenleving afkeren. Hoe anders zouden we zijn dan op onszelf gericht, wanneer men ons vertelt dat wij economisch vooral onze eigen boontjes moeten doppen? Voor wat anders zouden wij leven dan voor onze ‘eigen brokken’, wanneer de brokken steeds schaarser worden en wij allen tegen elkaar worden opgezet om er zelf zoveel mogelijk van binnen te halen.

Deze veralgemeende economische “war of every man against every man” (cf. Thomas Hobbes in zijn bekende boek Leviathan), dat is de ideologie van vandaag die ons zo hardnekkig wil laten geloven dat alle ideologieën voorbij zijn en dat er geen waarheid meer bestaat. Juist in de vastberaden prekerigheid over haar eigen bescheidenheid, legt ze haar eigen perfide strategie bloot. Omdat ze geen ideologie meer zou zijn, ontloopt ze handig elke vorm van kritische bevraging. Iemand die alsnog een poging daartoe onderneemt, krijgt het adjectief ‘intellectueel’, ‘ideologisch’ of ‘ivoren toren’ wijsheid mee. Er is nu eenmaal dé economie waarin we onze kansen moeten ontplooien en daar zou de ‘neutrale’ staat alleen het kader voor scheppen. Wie kan daar nu tegen zijn?

Een subjectieve democratie

Om te overleven heeft een democratische samenleving een ander perspectief nodig, het perspectief van wat ik het subjectieve zou willen noemen. Het subjectieve verschilt principieel van het objectieve en het subjectivistische. Het subjectieve gaat er vanuit dat je een samenleving alleen maar kan besturen vanuit ‘eindige waarheden’. Dat zijn waarheden die met elkaar in botsing treden, weerlegbaar en voor discussie vatbaar zijn, maar ook geldig zijn tot zolang het tegendeel bewezen is. Het parlement als democratische praatbarak is het forum voor die botsing van waarheden, van waaruit vervolgens een genuanceerd en weloverwogen beleid tot stand komt. Een beleid dat uiteraard soms goed en soms slecht is, maar ook hierover zullen en moeten de meningen verschillen. Dat meningsverschil is constitutief voor de democratie. Omdat het niet objectief vaststelbaar is waarheen de samenleving dient te evolueren, moet ‘het volk’ zijn uiteenlopende visies hierover met elkaar confronteren op een manier die verhelderend en voor rede vatbaar is. Indien daarentegen alles geldig is en een overtuiging niet voor rede vatbaar en dus onweerlegbaar is, kan een democratie geen kant meer uit. Dan blijven we hangen in het subjectivisme, met als groot gevaar dat dit leidt tot het hervallen in een of andere vorm van objectivisme (de waarheid is wat die ene partij of leider zegt wat ze is).

Een ‘subjectieve democratie’ komt niet zomaar tot stand. Zij is afhankelijk van een goed onderhouden en maatschappelijk gedragen democratische cultuur en niet enkel van formele democratische instellingen. Daarom is er vandaag dringend nood aan een grondige reflectie over de democratie. Wij moeten ons fundamenteel bezinnen over wat ik met Claude Lefort ‘het politieke’ noem. Dat staat voor de grondbeginselen van een samenleving, de fundamenten van waaruit men een samenleving kan of moet denken: macht, soevereiniteit, representatie, ga zo maar door. Nooit meer dan in onze tijd is de vraag naar de democratie zo nodig geweest. Niet alleen omwille van de totale onduidelijkheid die er op dat vlak heerst – het kader van waaruit wij samen leven, is nog maar voor weinigen onder ons bevattelijk. Het denkwerk over de democratie is vooral nodig omdat ‘denken’ als zodanig vandaag onder verdenking staat. De onmogelijkheid om vandaag nog aan ‘Bildung’ te doen, fnuikt de democratische discussie. De democratie is wezenlijk over zichzelf en haar eigen grenzen nadenken. Zij heeft daarom nood aan een intelligente politiek en ze is gegrond in een continue zelfreflectie.

Die reflectie vertrekt vanuit democratische instellingen, maar kan nooit tot stand komen zonder een democratische cultuur in alle geledingen van de bevolking. Het gaat om een cultuur die het subjectivisme achter zich laat, die onderwijs en andere sectoren naar behoren organiseert en niet nalaat de democratie dag in dag uit bovenop de agenda te plaatsen. Opiniëring en reflectie zijn dan maar enkele van de democratische opgaven, naast vele andere: politieke bewustwording, onderwijs, leren omgaan met de ander, een minimale vorm van publieke ruimte creëren, overleggen, protesteren, socialiseren, arbeid scheppen, taken verdelen, de res publica voor ogen houden, enzoverder, enzovoort.

Dat een aantal ideologieën en de erbij horende verzuiling zijn weggevallen en dat daarmee de formele democratie is toegenomen, lijkt mij potentieel een zeer goeie zaak. Dat daarmee ook politiek als een zaak van handelen én van hard nadenken binnen een maatschappelijk gedeelde en geïnstitutionaliseerde discussie niet langer als belangrijk wordt ervaren, lijkt me bijzonder nefast. Als de democratie vandaag ergens nood aan heeft, dan is het wel aan een op intelligente reflectie gestoeld handelen. Want laat ons dat misverstand nu eindelijk eens uit de weg ruimen: denken staat handelen niet in de weg. Zinvol politiek handelen komt enkel tot stand vanuit de meest kritische en aangehouden reflectie in een betekenis die de recente betekenisloosheid van die woorden overstijgt. Alleen dwaze en op termijn suïcidale politiek, zij ze uit linkse of uit rechte hoek, eist om het handelen te laten primeren op het denken.


Dr. Ignaas Devisch is docent moraal en filosofie aan de Arteveldehogeschool Gent

Ignaas Devisch

Ignaas Devisch

Links
mailto:ignaasdevisch@tiscali.be
Share |

Nieuwsbrief

Schrijf je in op onze wekelijkse nieuwsbrief door hieronder je e-mailadres in te vullen.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be