Waarom Verhofstadt II de arbeidsmarkt moet hervormen

essay vrijdag 03 oktober 2003

Marc De Vos

Tweehonderdduizend nieuwe banen tegen het einde van de legislatuur: ziedaar de lakmoesproef waarmee de nieuwe federale regering haar succes wil meten. Dat tewerkstelling bovenaan de politieke agenda staat, mag verbazen. Vlak vóór de verkiezingen van 18 mei slikte de goegemeente nog een mediaoffensief waarin premier Verhofstadt de sterke stijging van de werkgelegenheid lauwerde. In een bedwelmende roes van beloofde lastenverlagingen en lustenverhogingen werd het paarse verbond triomfantelijk herkozen en van groene ballast bevrijd. Maar amper waren de stemmen geteld, of de Nationale Bank lanceerde een dramatische conjunctuurtijding die de zeepbel van de verkiezingsbeloftes deed barsten. De sinistere timing van de Nationale Bank plaatste de verkozene voor wat de keuze van de kiezer had moeten zijn: hoe de crisis beheren? Vijftig dagen moeizaam onderhandelen verder, en werkgelegenheid is thans dus de absolute prioriteit.

Voluntarisme en optimisme zijn de lijfspreuken van Verhofstadt II. Maar lijfspreuken scheppen geen banen. Is de fetisj van tweehonderdduizend nieuwe banen grootheidswaanzin die peptalk voor realiteit houdt? Niet noodzakelijk. De recente toename van de werkloosheid is voornamelijk conjunctureel. Een lichte verbetering van de conjunctuur kan reeds substantiële tewerkstelling genereren, zo voorspelt trouwens het Planbureau. Bovendien is elke baan goed: de regering wil ook deeltijdarbeid stimuleren. Het vergt geen rekenwonder om in te zien dat meer deeltijdarbeid de tewerkstellingsteller naar verhouding sneller doet stijgen dan arbeidscreatie in voltijdse termen.

Maar uiteindelijk blijft tewerkstelling de zaak van ondernemingen, niet van politici. Alleen in de vergane illusie van het communisme kon de overheid zogenaamd volledige werkgelegenheid decreteren, met de gekende gevolgen. Minister van Arbeid Vandenbroucke noemt zichzelf een modern socialist, en weet dus beter. In september organiseerde hij een heuse werkgelegenheidsconferentie waar de sociale partners “concrete inspanningen op het vlak van werk en vorming” moeten nemen. Resultaatsverbintenissen voor bijkomende tewerkstelling zijn de doelstelling. Als pasmunt wordt gezwaaid met een verlaging van de lasten op arbeid, tot € 800 miljoen op jaarbasis. Paars I gelooft in het economische dogma dat een daling van de arbeidskost de vraag naar arbeid moet doen toenemen. Maar zo eenvoudig liggen de zaken niet.

Ondernemingen zijn geen legbatterijen voor jobs. Zij moeten winst maken om te overleven in een markt met globale concurrentie. Tewerkstellen is voor ondernemingen geen doel, maar een middel. Naarmate het ondernemingsdoel vordert, is er meer middel nodig en groeit dus echte tewerkstelling. Een werkgelegenheidsconferentie die a priori tewerkstellingsnormen wil opleggen, draait die logica om en neigt naar neocommunisme. Tewerkstellingsquota kunnen op korte termijn werkloosheidstatistieken opsmukken, op lange termijn creëren zij schijnarbeid die het concurrentievermogen van de ondernemingen ondermijnt en daarmee uiteindelijk ook de werkgelegenheid.

Uiteraard is het essentieel om de loonkosten te doen dalen, althans de parafiscale en fiscale lasten die werkgevers bovenop de lonen moeten ophoesten. In verhouding tot de totale arbeidskost, zijn die lasten nergens in de Europese Unie hoger dan in België. De beloofde lastenverlaging is dus bittere noodzaak, geen cadeau waarvoor de ondernemingen in roerende dankbaarheid bijkomende tewerkstelling moeten beloven. Het is trouwens nog onduidelijk welke onderneming hoeveel lastenverlaging zal genieten voor welke werknemers. De 800 miljoen is op dit ogenblik alleen een streefgetal en moet gecompenseerd worden met verwachte lastenverhogingen zoals de stijgende belasting op brandstof, het implementeren van de Kyoto-norm of de verdere terugbetaling van woon-werkverkeer via openbaar vervoer. Elke onderneming moet voor zichzelf kunnen rekenen en beslissen hoe zij een eventuele lastenverlaging besteedt. De individuele ondernemingen zijn daarvoor immers het best geplaatst. Hun vrije beslissingen garanderen een betere allocatie van de beschikbare gelden en uiteindelijk dus ook betere en blijvender arbeidsresultaten dan een dirigistisch Gosplan op een werkgelegenheidsconferentie.

Lasten verlagen en vertrouwen op de daadkracht van vrij ondernemend België is dus de boodschap. Maar de krappe begroting verdraagt geen radicale stroomstoot ten voordele van de ondernemingen, en dat komt heus niet alleen door de conjunctuur. De hoge fiscale en parafiscale druk is in België erfelijk. Onze sociale zekerheid is politiek onaantastbaar en haar budget groeit even onweerstaanbaar als het heelal, voornamelijk door de vergrijzing en de technologische ontwikkelingen in de geneeskunde. Samen met de torenhoge staatsschuld, die in het gareel van de Europese muntunie moet worden afbetaald, dwingt zij België in een budgettaire dwangbuis. De federale regering die tewerkstelling wil bevorderen, zal arbeid dus ook aantrekkelijk moeten maken door andere middelen dan een verlaging van de loonlasten. Voor die alternatieve route is geen GPS nodig: de regulering van de Belgische arbeidsmarkt schreeuwt om modernisering.

De belangrijkste Belgische arbeidswetgeving is een opgepoetste versie van wetgeving uit de eerste helft van de twintigste eeuw. Dat maakt haar niet alleen oud, maar ook versleten. Zij ademt de geest van een vervlogen tijd: die van voltijdse banen voor onbepaalde duur, met vast loon en vaste arbeidsduur. Moderne tendensen zoals deeltijdarbeid, tijdelijke arbeid, oproeparbeid, flexibele arbeidsuren, variabel loon, uitbesteding en uitlenen van personeel, passen moeilijk in dat plaatje. Ondernemingen moeten duwen en wringen om een modern personeelsbeleid in wettelijke banen te kunnen leiden. De economische realiteit noopt tot flexibiliteit en de arbeidswetgeving die dat afremt, remt uiteraard tewerkstelling af.

Tijdens de vorige legislatuur werd het woud van de arbeidsregulering alleen maar dichter en ondoorgrondelijker. Nieuwe wetgeving maakte de ondernemingen tot het terrein en de agenten van samenlevingspolitiek: gezin en arbeid combineerbaar maken via tijdskrediet, de maatschappelijke problemen van discriminatie en pesten oplossen, en de privacy beschermen in het internettijdperk. De gecombineerde last van deze nieuwe rol en de verouderde klassieke arbeidswetgeving maakt van tewerkstellen een regelrechte corvee. In die context werven ondernemingen aan wanneer het echt moet, niet zodra het kan.

Minister Vandenbroucke staat dus voor een grote uitdaging en een duidelijke keuze. Een grootscheepse werkgelegenheidsconferentie moet met bombarie het zoveelste Belgische banenplan produceren. De kosmetische waarde van dergelijke plannen is in het verleden herhaaldelijk gebleken. Een hervorming van de Belgische arbeidsmarkt in de diepte is minder mediageniek maar veel belangrijker, en daarenboven budgettair neutraal. De arbeidswetgeving bijschaven zodat ondernemingen gemakkelijker kunnen tewerkstellen wanneer de conjunctuur herneemt, is de beste structurele ondersteuning voor werkgelegenheid die de overheid kan bieden. Het verraderlijke moeras van de arbeidsduur, de archaïsche loonreglementering, het ondraaglijke verbod tot uitlenen van personeel, de loden procedure voor deeltijdarbeid en de wildgroei aan ontslagprocedures en werknemersstatuten, zijn maar enkele van de terreinen die dringend sanering vergen. Saneren betekent overigens niet afbreken. De modernisering van de Belgische arbeidsmarkt hoeft niet op de rug van de werknemer te gebeuren. Het komt er vooral op aan een nieuwe visie en een nieuw evenwicht te vinden. De tijden dat paternalistische arbeidswetgeving de weerloze en onmondige werknemer moest beschermen tegen zichzelf en tegen uitbuiting door een onmenselijke patroon, zijn definitief voorbij.

In de discipline van moderne arbeidswetgeving moet België volgen waar haar belangrijkste handelspartners reeds zijn voorgegaan. Nederland is hier traditioneel de meester, maar Spanje en Italië zijn recente laureaten, en Duitsland en Frankrijk ijverige studenten. België moet thans die moeilijke oefening durven maken, anders dreigt ook op dat vlak een concurrentiehandicap. In een regering die verklaart elk taboe te schuwen, moet ook het taboe van de gebetonneerde arbeidswetgeving kunnen sneuvelen. Een sterke minister van Arbeid kan de sociale partners uit hun loopgraven en achter de onderhandelingstafel krijgen om met vereende krachten de Belgische arbeidsmarkt te schoeien op de leest van de eenentwintigste eeuw. De werklozen zullen hem dankbaar zijn.


De auteur is docent aan de Universiteit Gent.

Marc De Vos

Share |

Nieuwsbrief

Schrijf je in op onze wekelijkse nieuwsbrief door hieronder je e-mailadres in te vullen.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be