Europa is wel degelijk sociaal, alleen niet socialistisch

essay vrijdag 21 mei 2004

Marc De Vos

In de nasleep van één mei en in de aanloop naar de Europese verkiezingen hebben diverse socialistische partijen, onder meer in de lage landen, de socialistische vakbonden van het Europese continent vervoegd in een ideologische kruistocht voor een zogenaamd ‘sociaal’ Europa. In verenigde slagorde verguizen de politici en vakbondsleiders het ‘neo-liberale’ Europa van de vrije markt. Voor hen moet het roer om: Europa moet zich bevrijden van de ‘tucht van de markt’. Een Europese fiscaliteit en sociale bescherming moet onderlinge concurrentie tussen landen voorkomen. Maar de Europese eenmaking is geen asociale jungle onder marktdictatuur; zij is integendeel het meest sociale proces uit onze geschiedenis. De socialistische banvloeken zijn misplaatst.

Het refrein is inmiddels gekend en weerklonk ook unisono op de Belgische barricaden van één mei. Socialistische vakbond en socialistische partij verketteren het ‘liberale’ en ‘conservatieve’ Europa en roeren eendrachtig de trom voor een ‘sociaal’ en ‘progressief’ Europa. Kop van jut is de Europese vrije markt, die als een leviathan alle sociale bekommernissen zou versmachten in perverse neo-liberale doctrine. Dit schrikbeeld behoort tot het rijk der fabelen. Uiteraard bekleedt de vrije, interne markt een centrale plaats in de Europese eenmaking. Maar de vrije markt is geen kille ideologische abstractie, het is een feitelijke realiteit die miljoenen Europese burgers vrediger en welvarender doet samenleven.

De Europese interne markt stoelt op vier vrijheden: vrij verkeer van personen, goederen, diensten en kapitalen. Dankzij deze vrijheden kunnen de burgers van de Europese Unie in alle lidstaten vrij werken, wonen, reizen, studeren, investeren of produceren. Deze vrijmaking heeft ongekende voordelen gebracht, niet in het minst op het vlak van tewerkstelling en welvaart. Ondernemingen hebben een grotere thuismarkt en consumenten een grotere keuze aan hoogkwalitatieve producten. Sinds de start op 1 januari 1993 heeft de Europese interne markt geleid tot een bijkomende werkgelegenheid van 2,5 miljoen banen en tot een welvaartstoename van bijna 900 miljard EUR. Van sociale verwezenlijkingen gesproken.

De Europese Unie is dus geen asociale demon, maar integendeel wellicht de meest sociale operatie uit de geschiedenis van ons continent. Onze gewesten kennen, voor het eerst sedert de gloriedagen van het Romeinse Rijk, zes decennia onafgebroken en ogenschijnlijk onbedreigde vrede. Miljoenen Europese burgers - werknemers, ondernemers, studenten, consumenten, toeristen en gepensioneerden - plukken dagelijks de vruchten van de eenheidsmarkt. De enthousiaste nieuwe lidstaten, en de aspiranten die nu verlangend op de toegangsdeur kloppen, hebben dat goed begrepen. De socialisten - althans die der lage landen - klaarblijkelijk niet. Hun kritiek op het asociale Europa is een myope karikatuur en verhult een zeer partijpolitieke visie over een zogenaamd ‘sociaal’ Europa.

Sp.a-Spirit, ABVV, PvdA, FNV en consorten verwijten Europa een gebrek aan fiscale regels en aan sociale bescherming. Slechts door de uitwerking van een Europese arbeidswetgeving, sociale bescherming en fiscaliteit, zou Europa dus het label ‘sociaal’ verdienen. De teneur van dit discours is duidelijk: voor de socialisten kan alleen een socialistisch Europa sociaal zijn. Een Europese socialistische welvaartstaat is daarom het doel. Over de gigantische sociale verworvenheden van de Europese vrije markt wordt vakkundig gezwegen: het socialisme bezit nog steeds le monopole du coeur.

De retoriek tegen het perfide a-sociale Europa moet dus worden bijgesteld: niet zozeer een sociaal Europa, maar wel een socialistisch Europa is het leidmotief. Dat Europa bestaat echter al, maar dan wel op het niveau van elke lidstaat. Het is daar dat arbeidsbescherming, sociale zekerheid en fiscaliteit variaties van de zo gevierde verzorgingsstaat hebben gebracht. De Europese Unie heeft, alle slogans van neo-liberalisme ten spijt, die nationale stelsels nooit gecontesteerd. Zij heeft integendeel de nationale stelsels geconserveerd met een bovenbouw van sociale grondrechten, bescherming van werknemers in de Europese interne markt, en uitwisselbaarheid van socialezekerheidsrechten. Die dynamische mozaïek van diverse nationale systemen onder een Europese paraplu is typisch voor de Europese constructie. Europa zweert immers bij de zogenaamde subsidiariteit, waarbij pas op Europees niveau mag worden geregeld wat onvoldoende op nationaal niveau kan worden verwezenlijkt.

Het pleidooi voor sociale bescherming en fiscaliteit op Europees niveau vloekt met de subsidiariteit en duwt Europa op het dwaalspoor van de centralistische superstaat. Het kan best zijn dat de arbeidsmarkt bijkomende Europese regels nodig heeft naarmate zijn Europese dimensie toeneemt. Maar dat is niet de motivatie, noch de ambitie. De welvaartstaat op Europese schaal moet er a priori komen, om tussen de lidstaten concurrentie op grond van sociale bescherming en fiscaliteit uit te sluiten. Daarmee komt de aap helemaal uit de mouw. Onder het mom van een ‘sociaal’ discours wordt eigenlijk een maneuver van protectionisme opgevoerd. Een Europese sociale bescherming en fiscaliteit moet de eigen, zorgvuldig aangelegde voortuin afschermen tegen bestuiving uit de wilde achtertuin van nieuwe lidstaten met minder sociale bescherming en lagere fiscaliteit.

De conservators van de verzorgingsstaat zien met lede ogen hoe de burgers in de Oost-Europese lidstaten, in een historische slingerbeweging, het communisme hebben verlaten voor een maatschappij naar Angel-Saksisch model, met minder sociale bescherming en lage belastingen. Hun ronkende verklaringen voor een sociaal Europa zijn een verkrampte schrikreflex uit eigenbelang. Het sociale Europa van Sp.a-Spirit, ABVV en anderen moet de nationale welvaartstaat vrijwaren tegen stuwende krachten uit het Wilde Oosten. Die nationalistische en aartsconservatieve boodschap botst met de grondvesten van de vrije Europese integratie, maar wordt verkocht als een progressief alternatief voor het conservatieve Europa: il faut le faire.

Gelukkig is Europa met vijfentwintig en denken lang niet alle lidstaten, zelfs die met socialistische regeringspartijen, in dezelfde termen over het Europa van na 1 mei 2004. De bevolkingen van Oost-Europa hadden amper het juk van het communisme afgeworpen toen zij, als toegangskaartje tot de Europese Unie, tienduizenden pagina’s Europese wetgeving moesten verteren. Nu zij lid zijn van club, worden zij desondanks nog gediscrimineerd in subsidieregelingen en in hun toegang tot de vrije interne markt. Lage loonkost, beperkte regulering en een gunstig fiscaal klimaat zijn nagenoeg hun enige troeven bij de start van een moeilijke strijd voor vooruitgang. Naarmate hun welvaart zal toenemen dankzij de dynamiek van de vrije Europese markt, zullen ook lonen, sociale bescherming en fiscaliteit volgen. Laten we hen in godsnaam dit tijdelijke competitieve voordeel gunnen, ook bij onderlinge concurrentie, en zo ook ons steentje bijdragen in een organische welvaartsgroei voor de gehele Europese Unie. Dát is het echte sociale Europa.


Docent arbeidsrecht Universiteit Gent


Marc De Vos

Marc De Vos

Share |

Nieuwsbrief

Schrijf je in op onze wekelijkse nieuwsbrief door hieronder je e-mailadres in te vullen.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be