Ford Genk of het failliet van de Renault-wetgeving

essay vrijdag 24 oktober 2003

Marc De Vos

De aangekondigde herstructurering van Ford-Genk werkt als een zweepslag op het debat over het werkgelegenheidsbeleid in België. In een vlaag van collectieve emotie regent het nieuwe beleidsvoorstellen en druipen de media van de expertenanalyses. Dat straalt af op de federale werkgelegenheidsconferentie, die nu tot lukken gedoemd is. Aan minister Vandenbroucke, die vooralsnog als pendeldiplomaat delicate evenwichten nastreeft, om met de Ford-katalysator de onderhandelingen te dynamiseren. De uitdaging is groot en de taak ondankbaar. Ford-Genk maakt immers pijnlijk duidelijk wie over tewerkstelling beslist, en dat zijn niet de onderhandelaars op de werkgelegenheidsconferentie. De arbeidsmarkt is een afgeleide van de economische markt, en daar regeert concurrentie op een vaak internationale schaal. Een Belgisch beleid, zo wordt nu allerwegen verkondigd, moet vooral daarop inspelen door ondernemen in België aantrekkelijker, gemakkelijker en competitiever te maken. Loonlastenverlaging, administratieve vereenvoudiging, efficiëntere overheid, eenvoudiger wetgeving en innovatiebeleid zijn de belangrijkste variaties op dit gemeenschappelijk thema.

Het is afwachten hoe de voorstellen van het uur het loden juk van de budgettaire krapte en de peperdure sociale zekerheid zullen torsen. Maar de grondtoon van het debat klinkt opmerkelijk anders dan enkele jaren geleden, toen Renault-Vilvoorde werd weggeveegd bij decreet van het Franse topmanagement. Het land dreef toen verenigd op een golf van verontwaardiging. In dat momentum maakte het parlement spoorslags de Renault-wetgeving die werknemers moest beschermen bij herstructurering van hun onderneming. Voortaan zou de werkgever reeds een voornemen van collectief ontslag aan de vakbonden of werknemers moeten voorleggen, om met hen voorafgaandelijk te onderhandelen over alternatieve maatregelen. Wordt die overlegprocedure niet nageleefd, dan kunnen ontslagen werknemers theoretisch hun reïntegratie vragen of minstens een bijkomende ontslagvergoeding.

De Renault-wetgeving is in elk herstructureringsdossier goed voor een batterij advocaten die de onderneming veilig aan de letter van de wet houden zonder de geest ervan, die van oprechte dialoog en discussie over alternatieven, te bereiken. Dat is ook logisch. Ondernemingen herstructureren niet voor hun plezier en gaan bij dergelijke heikele beslissingen niet over één nacht ijs. Het management wikt en beschikt, en de overlegprocedure start maar nadat de teerling geworpen is. Bij Ford-Genk is het niet anders. Geconfronteerd met een wereldwijde overcapaciteit in de Ford groep, moest het management op groepsniveau een herstructurering beslissen die de diverse vestigingen en de aandeelhouders duidelijkheid bracht. Het verlies van drieduizend arbeidsplaatsen bij Ford Genk staat daarmee als een paal boven water nog voor de Belgische directie de overlegprocedure kan opstarten. Maar volgens de Renault-wetgeving moet toch eerst gepraat worden over alternatieven voor een collectief ontslag, een schizofrene fase die de vakorganisaties met begrijpelijke ijver aanvangen. Ondertussen twijfelt niemand aan het eindresultaat en bevinden nagenoeg alle Ford-werknemers zich in limbo, bang afwachtend op de onvermijdelijke samenstelling van het contingent van drieduizend overtolligen.

De Renault-wetgeving helpt dus niemand: de ondernemingen worden opgezadeld met een dure en nutteloze procedure, de vakorganisaties moeten vechten tegen de bierkaai, en de werknemers blijven langer in het ongewisse. Alleen de scharen advocaten en consulenten die herstructureringen begeleiden, hebben er baat bij. Voor de bescherming van de getroffen werknemers, nochtans haar leitmotiv, is de Renault-wet een hol symbool dat therapeutische hardnekkigheid institutionaliseert.

Het Ford debacle plaatst het dossier van de Renault-wetgeving dus op de politieke agenda, ook in de werkgelegenheidsconferentie. De vakbonden zijn uiteraard vragende partij voor een meer vergaande bescherming van de werknemers en het regeerakkoord van Verhofstadt II volgt hen daarin. De regering wil collectieve ontslagen afremmen door een verplichte herverdeling van de beschikbare arbeid en door verplichte deeltijdarbeid, vooral ten gunste van de oudere werknemers. Het is zeer de vraag of dat de aangewezen formule is. Arbeid valt niet kosteloos en bij toverstok te herverdelen, zeker niet in noodlijdende ondernemingen. Een logge herverdelingsplicht zal de efficiënte afhandeling van herstructureringen nog verder vertragen en dreigt opnieuw contraproductief te werken. De Franse ervaring leert dat bedrijven dan veeleer tot selectieve sluitingen zullen overgaan, eerder dan tot beperkte collectieve ontslagen. Daarom heeft de regering-Raffarin de strikte Franse regelgeving trouwens opgeschort.

België kan lering trekken uit het Franse voorbeeld. In deze emotionele tijden is paniekvoetbal uit den boze. Met holderdebolder wetgeving komen we nergens. Nu opnieuw de Belgische herstructureringsprocedure verzwaren, is een onheilsrecept. Ofwel wordt de procedure verder uitgebouwd zonder de ultieme ontslagvrijheid van de werkgever te beknotten, en dan staan we gewoon voor een omslachtiger en duurdere variant van de nutteloze Renault-wetgeving. Ofwel wordt de ontslagvrijheid werkelijk ingeperkt, en dan bezwaart België zijn investeringsklimaat en concurrentiekracht in een periode dat iedereen daaraan prioriteit schenkt. Heldere ontslagregels spelen immers een rol in de investering- en tewerkstellingsbeslissingen van ondernemingen. Ondernemen is risico nemen. Ondernemingen zullen dus bij voorkeur investeren waar zij zich verzekerd weten van efficiënte procedures als de nood tot herstructurering zich opdringt.

Belgische politici die lijden onder een Ford trauma en kreunen onder de onverbiddelijke logica van de internationale markteconomie, halen hun gram dus beter niet op de Belgische maar op de Europese scène. Betere gemeenschappelijke Europese regels zijn het enige zinvolle antwoord op Ford-Genk, zeker in een context van transnationale ondernemingen met beslissingscentra buiten België. Dat is weliswaar een parcours van lange adem en voor sommigen wellicht ook van frustratie, want in het Europa van de vijftien en straks van de vijfentwintig valt een te rigide werknemersbescherming moeilijk te verkopen. De wetenschap dat tewerkstelling er is voor en door de ondernemingen en niet omgekeerd, zal op Europees niveau post-marxistische scenario’s uitsluiten, en gelukkig maar. De creatieve destructie van de vrije markteconomie kent helaas tijdelijke winnaars en verliezers, maar heeft uiteindelijk in heel de Europese Unie gezorgd voor een explosie van welvaart en tewerkstelling.

Door herstructurering getroffen werknemers verdienen bescherming, ondersteuning en begeleiding, maar herstructureringen zelf zijn voor de economische ontwikkeling, en dus uiteindelijk ook voor de tewerkstelling, een noodzakelijk kwaad. Een Belgisch beleid dat de werkgelegenheid wil bevorderen door het ondernemen te bevorderen in een context van internationale concurrentie, moet voldoende ademruimte geven voor ondernemen in goede én in slechte dagen, inclusief de mogelijkheid van collectieve ontslagen. Wie dat blokkeert, belet de economische ontwikkeling en zorgt zo op lange termijn voor een echt sociaal bloedbad.


Marc De Vos

Docent arbeidsrecht, Universiteit Gent


Marc De Vos

Share |

Nieuwsbrief

Schrijf je in op onze wekelijkse nieuwsbrief door hieronder je e-mailadres in te vullen.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be