Een van de beste films die ik ooit zag was ‘The Truman show’ van een jaar of tien geleden. De hoofdpersoon ervan heet Truman; hij is gelukkig getrouwd met een leuk gezinnetje en een aardige baan. Maar het begint bij hem te knagen. Hij zou wel eens wat meer van de wereld willen zien dan het eiland waarop hij woont en waar hij nog nooit vanaf was. Maar bij de reisbureaus krijgt hij onveranderlijk nul op het rekest. Hij wordt wantrouwig en raakt gaandeweg met iedereen in conflict. De toestand wordt uiteindelijk onhoudbaar en hij besluit van zijn eiland te vluchten met een gestolen zeilboot. De nacht van zijn vlucht is er een verschrikkelijke storm en scheelt maar een haar of hij was verdronken. Maar ’s ochtend ligt de zee er weer kalm bij. Truman dobbert rustig wat voort met zijn boot voort en dan, ineens, Boem!!, tot zijn opperste verbijstering stoot hij met zijn boot tegen een kartonnen muur die beschilderd is in de kleuren van een mooie ochtendhemel. Wat hij voor een ochtendhemel hield, blijkt een stuk suggestief schilderwerk. Die muur strekt zich eindeloos naar alle kanten uit. En Truman realiseert zich ineens dat hij aankijkt tegen een enorme, honderden kilometers grote koepel waaronder zijn hele leven zich had afgespeeld. Maar in die kartonnen muur treft hij een deurtje. Hij gaat door dat deurtje, en wordt begroet door een enorme mensenmassa, door reporters, jounalisten. Het houdt maar niet op. Uiteindelijk stapt een waardige oude heer naar voren. Die vertelt hem de waarheid: zonder het te weten was hij zijn hele leven het onderwerp van een levenslange TV-soap geweest die vanaf zijn geboorte jaar in jaar uit over de hele wereld werd uitgezonden door hem, de director van die soap. Iedereen wist dat, zijn vrouw, en al zijn kennissen en collega’s daar op dat eiland. Alleen hemzelf was dat onbekend. Voor Truman uiteraard de schok van zijn leven. Alles wat hij altijd tot zijn eigen privé-wereld rekende, alles wat hij ooit gedacht, gedaan en misdaan had, had zijn hele leven lang in de volle publiciteit gestaan en was aan alle wereldbewoners bekend geweest. Zijn privé-leven was, zonder dat hij dat ooit vermoed had, een publieke realiteit. Publiek en privaat waren nu binnenste buiten gekeerd, zoals je dat met een handschoen kan doen. Met de kredietcrisis is ons iets dergelijks overkomen. De afgelopen jaren leefden we, net als Truman, rustig en nietsvermoedend in onze eigen privé-sfeer. En we dachten dat die, of liever de som van al die privé-sferen tezamen, heel de wereld was. Net als Truman wisten we niet dat er buiten die privé-sfeer ook nog een ‘echte’, publieke wereld was; we leefden ieder in ons eigen wereldje er waren druk bezig om dat zo voor onszelf comfortabel mogelijk in te richten. We bleven doof voor vage geruchten dat er nog een ‘echte’ wereld buiten dat privé-wereldje zou bestaan en dat die wel eens op een vervelende manier in dat wereldje van ons in zou kunnen breken. We lazen daar wel over in geschiedenisboeken of in krantenartikelen over hoe de wereld erover honderd jaar misschien uit zou zien. Maar we waren er zeker van: dat was onze werkelijkheid niet. Dat waren alleen maar de nachtmerries van een ver verleden of een verre toekomst. Maar met de kredietcrisis voeren we tegen grenzen van onze privé-wereld aan, net als Truman met zijn zeilbootje. Tot onze grote schrik bleek dat er ‘daarbuiten’ wel degelijk een publieke, en echte wereld bestaat; bovendien een zeer ongezellige realiteit die in het geheel geen boodschap heeft aan het comfort en de knusheid van dat privé-wereldje van ons en die dat wereldje in een handomdraai kan maken of breken. Dat verklaart ook een merkwaardige constante in hoe mensen in vraaggesprekken met de krant vaak zeggen de kredietcrisis te ondergaan. Die zeggen dan dat de kredietcrisis inderdaad iets heel verschrikkelijks is, maar dat die ook de knusse huiselijkheid van vroeger – kopje thee bij de potkachel, spelletjes halma en sjoelbak met heel het gezin – weer terug zal brengen. Die reactie ligt nog helemaal in het verlengde van onze blindheid van een realiteit buiten de privé-sfeer. Die realiteit dient zich nu aan – en dan kruipen we nog even iets dieper weg in die privé-sfeer. Zoals Truman zijn private wereld ineens moest verruilen voor een hem geheel nieuwe en verontrustende publieke wereld, zo vergaat het ons nu. Binnen de neoliberale ‘Weltanschauung’ leefden wij allen als Leibniz’s ‘vensterloze monaden’ met de blik strak naar binnen, en gericht op de eigen navel. We deden dat in de overtuiging dat die naar binnen gerichte blik ons ook de wereld buiten ons zou geven. Ons eigenbelang zagen we als een model van die wereld buiten ons; en we konden de ramen dus dicht doen en houden. Het neoliberalisme prees die inwaarts gerichte blik ook aan in de vaste, maar nimmer als juist bewezen overtuiging dat er tussen die vensterloze monades een Leibniziaanse ‘harmonie préétablie’ zou bestaan die ons ‘de beste van alle mogelijke werelden’ garandeerde. En de wetenschap van de economie had de verheven taak om die harmonie tussen alle vensterloze monaden te bewerkstelligen. De dunne en onzichtbare draden van het rationele eigenbelang verbonden al die in zichzelf verzonken monaden tot een hecht netwerk en weefden die tezamen tot wat de beste van alle mogelijke werelden leek. Zoals Adam Smith het met zijn ‘invisible hand’ al uitdrukte: het eigenbelang is de dienaar van de welvaart. En zoals onze landgenoot Bernard de Mandeville het in 1724 al zei: ‘private vices’ zijn ‘public benefits’. Zoals de Truman uit de film stootten wij met de kredietcrisis op de grenzen van dat neoliberale wereldbeeld. We werden met de neus gedrukt op de harde realiteit dat voor ‘public benefits’ meer nodig is dan die ‘private vices’. Het publieke domein houd je niet overeind met alleen het rationele eigenbelang en het winstbejag. De gezondheid van het publieke domein vereist de erkenning van een publiek of algemeen belang; een algemeen belang dat uitgaat boven, en nimmer geheel te reduceren is tot het private eigenbelang. En willen we dat publieke belang dienen, dan zullen we uit onze vensterloze monades moeten kruipen naar dat zo verontrustende publieke domein. Pijnlijk, maar onvermijdelijk. Dat publieke domein is er allereerst in zijn zuiver fysieke vorm: de planeet waar wij allen op leven. We moeten dat fysieke publieke domein zeker niet beperken tot straten, pleinen en overheidsgebouwen, zoals men gewoonlijk doet. Want met wat zich daarbuiten afspeelt is ook een publiek belang gemoeid. Misschien wel het grootste publieke belang dat er is. Dat is de voorwaarde voor al het overige. Maar ook dat fysieke publieke belang bij uitstek werd meedogenloos ondergeschikt gemaakt aan het eigenbelang; want we zagen van dat publieke belang slechts wat paste binnen de vensterloze monaden van het eigenbelang. Het is een verhaal dat al miljoenen malen verteld werd, maar nog lang niet vaak genoeg. Wanneer het gaat om onze medemensen laten we ons nog wel eens uit onze vensterloze monades trekken. Maar we herkennen ons te weinig in de natuur om die dat ook te gunnen. Die gaat ons dus straks hardhandig aan haar bestaan herinneren. Vervolgens is er het publieke domein in politieke zin. Dus de wereld van de Staat, van de politiek en de politieke partijen, van het recht etc. Ook hier werd de laatste decennia de monadische vensterloosheid geïntroduceerd. Het bedrijfsleven, de normen, de waarden en de logica van de private sector (en die dààr inderdaad uitstekend en onmisbaar zijn!) werden ook het publieke domein binnengehaald. Dat wezensvreemde element werkte daar als een bijtend zuur en waardoor van de bouwwerken van dat publieke domein nu nog slechts de aangevreten resten overeind staan. De beperkte blik van het rationele eigenbelang leidde tot algehele blindheid voor het publieke domein. Geen beter voorbeeld zijn hier de lobbies in de VS. Wanneer er verkiezingen geweest zijn in de VS, wanneer de kiezer gesproken heeft en wanneer de gekozene zijn beslissingen moet gaan nemen over wetten en maatregelen, dan wordt hij besprongen door een in Washington huizende horde van lobbyisten. Die worden door allerlei instanties – meestal grote bedrijven – gefinancierd om de politieke besluitvorming in aan die instanties welgevallige richting om te buigen. En vrijwel met steeds met succes. Private partijen kregen daarmee een volstrekt illegitieme greep op publieke beslissingen. In de VS is het lobbyisme volstrekt geaccepteerd - het is alsof men de corruptie in het politieke systeem inbouwde. Het publieke domein werd aldus opgedoekt en doorverkocht aan het private domein. De gemiddelde West-Europeaan beziet dit spektakel met evenveel ongeloof als verontrusting. Wat blijft er van een democratie over als dit soort van praktijken algemeen aanvaard worden? Maar de bittere waarheid is dan wij in West Europa weinig beter af zijn. Met de neoliberale privatisiserings- en verzelfstandigingsgolf werd bij ons het grootste gedeelte van de overheid aan (half of heel) geprivatiseerde partijen overgedragen. Zelfs zonder dat daar lobbies voor nodig waren! Dat gaat dus eigenlijk nog verder dan dat lobbyisme van de VS. Daar ging het nog ‘slechts’ om beïnvloeding; hier werd daarentegen uitverkoop gehouden van ons collectieve recht tot zelfbeslissing. Onze regeringen die dat deden verkochten dus iets wat niet van henzelf was, maar van ons als staatsburgers. Goed bezien was dat dus pure diefstal. Maar niemand die er iets aan deed. Ook het Parlement niet. Terwijl diens eerste, maar dan ook absoluut allereerste taak toch had moeten wezen om juist dit soort van dingen te voorkomen. De wijze waarop de Tweede Kamer de Parlementaire controle verwaarloost, houdt al niet over; maar geen kik geven wanneer de regering zaken die onder die parlementaire controle vallen aan derden uitbesteedt, dan is dat nog een graadje erger. Zeker wanneer de regering dat alles ook nog bepleitte onder het motto dat bestuurlijke efficiency beter is dan de rompslomp van democratische verantwoording. Overigens, als klap op de vuurpijl bleek van die beloofde efficiencywinst door het opgeven van democratische controle in de praktijk maar weinig terecht te komen. In 1998 publiceerde de belangrijkste hedendaagse politieke theoreticus Quentin Skinner een boek met de verrassende titel Liberty before Liberalism. Zoals de titel aangeeft, is er volgens Skinner een vrijheid van vòòr het liberalisme, een vrijheid dus die we met het liberalisme kwijtraakten. Dat is de vrijheid van het zogenaamde republicanisme. Dat republicanisme heeft niets van doen met het afschaffen van het koningsschap, maar alles met de noodzaak om het publieke belang (‘res publica’ betekent ‘de publieke zaak’) tot gids te kiezen voor het politieke beleid. En die gids moet zich niet laten desoriënteren door private belangen. Uiteraard moeten die een belangrijke, zelfs heel belangrijke rol spelen; maar ze moeten altijd ondergeschikt blijven aan overwegingen van algemeen, publiek belang. De kredietcrisis heeft ons getoond wat er gebeurt wanneer men deze ‘republikeinse’ les uit het oog verliest. De exclusieve focus op het private belang bewerkte uiteindelijk chaos, armoede en werkeloosheid in plaats van rijkdom. Laten we daarom kiezen voor de ‘vrije Staat’ van het republicanisme; dat wil zeggen een Staat die vrij is van de corruptie van het publieke belang door het private belang. Dat is een Staat waarin de politiek boven de economie staat en niet omgekeerd, zoals nu in vrijwel alle Westerse democratieën het geval is. Wat uiteraard in het geheel niet betekent dat men het belang van de economie zou moeten bagatelliseren. Maar er zijn zwaarwegender belangen dan de economie. Beter relatieve armoede in een vrije samenleving dan welvaart in onvrijheid en een vernietigd milieu, als er al sprake zou zijn van een of/of. En wie het anders ziet heeft zijn prioriteiten niet goed op orde. Pas dan is er niet alleen vrijheid vòòr het liberalisme, maar ook erna.
Frank Ankersmit Frank Ankersmit Linksmailto:andreas@liberales.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|