A new age of Empires

essay vrijdag 21 november 2008

Guy Verhofstadt

Het is niet uitgesloten dat het jaar 2008 later in de geschiedschrijving een bijzondere plaats zal innemen en als scharnierjaar zal worden gekenmerkt. Zoals dat ook het geval was voor het jaar 1989 toen de muur van Berlijn viel en het IJzeren Gordijn werd opengebroken. Of 1944-1945 toen de tweede wereldoorlog eindigde, de Verenigde Naties werden opgericht en de Bretton Woods-akkoorden werden afgesloten, de jaren ook dat een heuse wedrace losbrak tussen twee nieuwe supermachten. Of 1919, 1815 of 1648, jaren die respectievelijk met het Verdrag van Versailles, het Congres van Wenen en de Vrede van Westfalen verbonden zijn. telkenmale kapitale gebeurtenissen die een tijdperk afsloten en tegelijk een nieuwe periode in de geschiedenis van de mensheid openden.

In de zomer van 2008 deden zich haast gelijktijdig drie gebeurtenissen voor die zowel opmerkelijk als ingrijpend zijn, ontwikkelingen die – ik denk – als de voorbode kunnen beschouwd worden (of misschien zijn ze wel het gevolg) van een nieuwe wereldordening die op ons afkomt. In augustus viel Rusland Zuid-Ossetië binnen, waarmee het tot ieders verbazing niet zozeer aantoonde dat het zich bleef vastklampen aan de Noordelijke Kaukasus, maar vooral dat het na twee decennia van zwakte en desintegratie opnieuw bereid en bekwaam was om naast een agressieve energiepolitiek ook militair opnieuw een vuist te maken. Evenzeer in diezelfde maand augustus openden de Olympische Spelen in China enkele maanden later gevolgd door de eerste succesvolle ruimtewandeling van een Chinese astronaut.. Het waren twee illustraties van de indrukwekkende comeback van dat immense land als grootmacht. Voorlopig weliswaar nog enkel op economisch vlak. Ik zeg uitdrukkelijk ‘voorlopig’, want het zou naïef zijn te geloven dat de opmars van China zich tot het economische zal beperken. Na het economische volgt onvermijdelijk een politieke en militaire opgang.

In september kort na de zomer brak ook in alle hevigheid een financiële crisis los. Hoewel die in de Verenigde Staten al enige maanden lag te smeulen, werd het pas ernst toen tal van financiële instellingen moesten erkennen een pak hoogst risicovolle kredietproducten aan te houden en die ook nog onvoldoende te hebben afgedekt. Zo nestelde zich een hardnekkig wantrouwen tussen de banken waarbij ze weigerden elkander nog langer kredieten te verstrekken. Deze zogenaamde interbancaire kredieten zijn nochtans van levensbelang zijn, want ze laten de financiële instellingen toe de pieken en de dalen van hun betalingsverplichtingen met elkaar in overeenstemming te brengen en zo steeds over voldoende liquide middelen te beschikken. Tegelijkertijd gaven de alzo geleden boekhoudkundige verliezen aanleiding tot onvermijdelijke verkopen van activa die op hun beurt weer aanleiding gaven tot een negatieve spiraal van nieuwe verliezen en nieuwe verkopen. De crisis op de Amerikaanse hypotheekmarkt groeide op die manier uit tot een wereldwijde liquiditeits- en solvabiliteitscrisis op de financiële markten en vandaar ook tot een crash en meltdown op de verschillende beurzen die alle instellingen (verzekerings-maatschappijen, herverzekeraars, pensioenfondsen, hedge funds) treft en die thans in tal van landen ook omslaat in monetaire onrust. Vooral de ontwikkelingslanden zullen er door worden getroffen. Hoe dan ook, een diepe economische crisis onder de vorm van een wereldwijde recessie valt nog moeilijk te vermijden. De eerste tekenen zijn in elk geval reeds zichtbaar. Er is nauwelijks nog sprake van economische groei. Staalbedrijven sluiten tijdelijk hun deuren. Orderboeken die tot voor kort over verschillende jaren liepen, blijken nu vooral in termen van maanden te rekenen. En de werkloosheidscijfers zitten opnieuw in de lift.

‘A new age of Empires’ Deze crisis heeft evenwel niet alleen economische gevolgen. Ongetwijfeld zal de economische verzwakking van het westen en meer bepaald van de Verenigde Staten ook zijn schaduw werpen op haar politieke koppositie in de wereld. Niet dat die nu plots ineen zal stuiken. Daarvoor is vooral de macht van de VS te belangrijk en te veelzijdig. M.a.w. ook in de nabije toekomst zal de absolute macht van Amerika zeer groot blijven. Maar haar relatieve macht zal wel afbrokkelen. En ook het daarmee gepaard gaand machtsevenwicht zal worden aangetast. Want, waar het gewicht van andere naties en machtsblokken (China, India, Rusland, Brazilië …) toeneemt, is het duidelijk dat die van de Verenigde Staten haar bovengrens heeft bereikt. Kortom, de wereld die de nieuwe Amerikaanse President Barack Obama aantreft, is fundamenteel verschillend van deze die Bush Jr. acht jaar geleden van Clinton erfde. En zijn verkiezing zal die evolutie nog versnellen. Niet dat voor een of ander isolationisme moet worden gevreesd. Maar het Amerikaans leiderschap zal wel van aard veranderen. Waar het zich onder Bush Jr. door de strijd tegen het terrorisme en de oorlogen in Irak en Afghanistan opstelde als een alles dominerende mogendheid die zich weinig of niets aantrok van zijn bondgenoten, zal het zich nu onder druk van de omstandigheden vooral moeten concentreren op de grote onevenwichten in eigen land (economische crisis, gezondheidszorgen, klimaat), terwijl ook een minder voortvarende koers op buitenlandse vlak kan worden verwacht. De hoop die de verkiezing van Barack Obama in ieder geval heeft gewekt, is dat de Verenigde Staten van een arrogante supermacht opnieuw evolueren naar een continent van kansen voor iedereen, een toonbeeld voor de gehele wereld van een open samenleving waarin ras en afkomst geen rol meer spelen. Moreel leiderschap zou de plaats innemen van een bruut streven naar absolute dominantie. Meer dan we vandaag kunnen bevroeden, zal dit de verhoudingen in de wereld fundamenteel wijzigen. Het zal het definitieve einde inluiden van de kortstondige unipolaire wereldorde waarin we sinds 1989 en de implosie van het Sovjetrijk leefden. Een wereldordening beheerst door één macht, de Verenigde Staten en gestoeld op de wereldwijde verspreiding van één combinatie van twee systemen: de vrije markteconomie en de politieke democratie. In feite hadden de aanslagen van 11 september al in 2001 duidelijk gemaakt dat die unipolaire wereldorde niet vanzelfsprekend was en dat in weerwil van de denkbeelden van Fukuyama de geschiedenis gewoon doorgaat. Het was wellicht overmoedig te denken dat de implosie van het Sovjetrijk het definitief startschot zou betekenen van een duizendjarige westerse of Amerikaanse hegemonie. Integendeel, lijkt het jaar 2008 het begin aan te kondigen van een nieuwe multipolaire planeet, ‘a new age of Empires’.

Zulke fundamentele veranderingen in de wereldpolitiek zijn niet nieuw. Wellicht zijn we zelfs getuige van een vijfde grote omwenteling in circa honderd jaar. Bij het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 leefden Europa en een groot deel van de wereld nog in het tijdperk van het imperialisme. Niet alleen het grootste deel van Europa maar bijna geheel Afrika en grote delen van Azië werden honderd jaar geleden nog gedomineerd door een half dozijn Europese wereldrijken. Nauwelijks vier jaar later, in 1918, waren vier van Europa’s zes imperia – het Duitse rijk, het Oostenrijks-Habsburgse rijk, het Russische tsarenrijk en het Turks-Osmaanse rijk – verdwenen. Dank zij hun kolonies in Afrika en Azië konden alleen de Britten en de Fransen iets langer standhouden. Hoe dan ook, de tijd van de Europese imperia was voorbij. De grootste winnaar, alvast op korte termijn, was de natiestaat. In bepaalde delen van Europa wortelde de natiestaat al in eeuwenoude politieke tradities, maar het was het verdwijnen van de Europese imperia die de Europese natiestaat in de jaren 1920 vleugels gaf. Helaas maakte de val van de imperia en Europa’s grote machtsvacuüm niet alleen de weg vrij voor de natiestaat maar ook voor de meest agressieve vormen van etnisch nationalisme – nationaal-socialisme in Duitsland, fascisme in Italië, nationaal-communisme in Rusland – die het oude continent onweerstaanbaar naar een Tweede Wereldoorlog zouden voeren. In vele opzichten heeft de natiestaat, na de nederlaag van het fascisme en het nazisme, de Tweede Wereldoorlog overleefd. Maar de prijs ervoor werd betaald aan de echte overwinnaars van de Tweede Wereldoorlog: de nieuwe supermachten, de VSA en de USSR.

Van 1945 tot 1989 stonden de nieuwe supermachten sterker dan enige staat vóór hen, maar voor Europa luidde deze verandering een tijdperk in van ‘afwezigheid’ in de wereldpolitiek. In feite werd Europa vierenveertig jaar lang door een IJzeren Gordijn ‘van Stettin aan de Baltische Zee tot Triëste aan de Adriatische Kust’ aan stukken gereten. Het was een tijdperk waarin de VSA en de USSR, en hun altijd dreigende Koude Oorlog, een bipolaire wereld installeerden, niet alleen in Europa maar wereldwijd, en op wereldschaal nog erger dan in Europa. Wat voor Europa dankzij de nucleaire wapenwedloop een Koude Oorlog bleef, mondde elders in de wereld uit in tal van ‘Warme Oorlogen’, van Korea en Vietnam in het Verre Oosten over Zuid-Azië en het Midden-Oosten naar Afrika en Latijns-Amerika.

Enige nostalgie naar de zogenaamde ‘stabiliteit’ van deze bipolaire wereld, is mij vreemd. Het was een stabiliteit die we betaalden met een geldverslindende wapenwedloop en een altijd dreigende kernoorlog, door de supermachten op scherp gesteld door een bewust beleid van wederzijds verzekerde vernieling, ‘mutual assured destruction’, als het ooit mocht mislopen. Maar het waren ook de jaren dat we niets konden of wilden doen voor onze Europese ‘bondgenoten’ achter het IJzeren Gordijn. Zelfs bij de Hongaarse opstand van 1956 en bij het neerslaan van de Praagse lente in 1968 gaven we geen krimp en boden we geen hulp. De prijs die we voor de stabiliteit van de Koude Oorlog betaalden, was in feite ondraaglijk hoog. De Europese vastberadenheid om dit deel van Europa in de jaren 1990 de Europese Unie binnen te sleuren, valt dan ook te lezen als een compensatie voor onze laffe onmacht ten tijde van de Koude Oorlog. Eens die Koude Oorlog voorbij was, deden we wat we eigenlijk al veel eerder hadden moeten doen.

Helaas werd de bipolaire wereld van de Koude Oorlog niet gevolgd door een Europa dat zichzelf weer op de wereldkaart zette. De Europese Unie ontwikkelde geen buitenlands- en veiligheidsbeleid die naam waardig. Japan verzeilde in een economische neerwaartse spiraal. En landen zoals China en India zetten pas hun eerste stappen op het pad van de vrije markteconomie. Niets of niemand m.a.w. kon de monopolaire almacht van de Verenigde Staten betwisten, laat staan uitdagen. Militair was het Amerikaanse overwicht wellicht nog het meest indrukwekkend. De militaire uitgaven van de VS vertegenwoordigden het voorbije decennium zowat de helft van alle defensieuitgaven in de wereld. De Amerikaanse defensieinspanning bedraagt daarmee meer dan het dubbele van de inspanningen van alle EU-lidstaten samen. Als het echter aankomt op het opzetten van militaire operaties op het terrein is het verschil nog veel schrijnender. Militaire experten nemen gemeenzaam aan dat de Europese lidstaten samen nauwelijks over een tiende van de militaire capaciteiten beschikken van de VS. Van 1989 tot 2001, twaalf jaar lang, werd het Amerikaanse leiderschap dan ook door geen enkele staatsman betwist. Tot de terreuraanslagen op New York en Washington tegelijk zowel een hoogtepunt als een fundamentele verandering lieten zien in de Euro-Amerikaanse betrekkingen. Uiteraard sloten we de rangen met onze Amerikaanse bondgenoot en togen we naar Afghanistan om er de wortels van het internationale terrorisme uit te roeien, maar we zouden de VS niet – of niet allen – volgen in hun oorlogshandelingen in Irak. Het was het eerste duidelijke teken van een groeiend besef dat Europa haar eigen verantwoordelijkheid in wereldpolitieke kwesties wil opnemen.

Meer nog dan dit prille – overigens niet door alle Europese politieke leiders – gedeeld besef, zijn het de gebeurtenissen van de voorbije maanden en de financiële crisis in het bijzonder die de multipolaire wereld aankondigen. Een monopolaire ordening is duidelijk inefficiënt en onwenselijk gebleken. Een nieuwe bipolaire wereld, naar het model van de Koude Oorlog al evenzeer. En ook een terugvallen op de natiestaat lijkt niet aangewezen gezien de voorbije decennia duidelijk werd dat geen enkele onder hen groot of rijk genoeg is om alleen de globale uitdagingen op te vangen die ons allen treffen. Daarvoor zijn ze zelfs op regionale schaal te klein. Of we het dus graag hebben of niet, in zekere zin beleven we een terugkeer van de ‘imperia’, ‘a new age of empires’, een tijdperk geleid door een dozijn regionale ‘powerhouses’ in de zin van effectieve of potentiële politieke en economische wereldcentra, verspreid over de hele planeet. Ik besef dat het woord ‘imperium’ geen goede pers heeft, zeker niet bij natiestaten die hun bestaan aan de teloorgang van de voormalige Europese rijken te danken hebben. Maar laten we ons niet opsluiten in een woordenspel. Wat ik onder een ‘imperium’ versta, is niet het Pruisen van de Hohenzollern, de Dubbelmonarchie van de Habsburgers of het Rusland van de Tsaren, maar een politiek en economisch geheel dat vele staten en volkeren kan omvatten, verenigd door gemeenschappelijke structuren en moderne instellingen, vaak gevoed door uiteenlopende tradities en waarden, wortelend in oude en nieuwe beschavingen. Wat telt in deze nieuwe wereldorde, is de veelvuldigheid van rijken en beschavingen. Niet de dominantie van een onder hen. Waar het om gaat, is de politieke stabiliteit en de economische groei die ze op regionale schaal kunnen bewerkstelligen. Niet dat de ene of de andere de hele wereld overheerst. Waar het dus om draait, is geen nostalgie naar een herrijzenis van de oude Europese wereldrijken, maar de geboorte van nieuw-soortige politieke organisaties, opgebouwd door open en vrije samenlevingen, met elkaar wedijverend op wereldschaal, bruggen bouwend en geen muren, maar elk met het behoud van hun regionale wortels en gewoonten.

Anders uitgedrukt: in de wereld van vandaag is de natiestaat te klein om het wereldgebeuren (nog) te kunnen beïnvloeden. De Verenigde Naties zijn dan weer te groot en te traag om in snel veranderende tijden effectief te kunnen optreden. In vele opzichten kunnen de nieuwe mogendheden die kloof tussen de weinigen en de velen opvullen. Omdat ze hun regionale macht op subcontinentale schaal kunnen mobiliseren en zo, zoals trouwens voorzien door het handvest van de Verenigde Naties, een centrale rol kunnen spelen in het aanpakken en oplossen van de regionale en zelfs globale problemen van deze wereld.

Naar een nieuwe financiële wereldorde

Maar niet alleen in de internationale machtsverhoudingen ook ideologisch bevinden we ons op een breek- of een keerpunt. Zorgde 1989 er voor dat de vrije markteconomie en het kapitalisme niet meer ter discussie werden gesteld, dan laat het zich aanzien dat 2008 ons verplicht te erkennen dat de ongebreidelde vorm ervan of het graaikapitalisme zoals het nu wordt genoemd, zijn grenzen kent. Op zichzelf is dat niet zo een bijster originele vaststelling en al allerminst is het een nieuwe gedachte. Uitgerekend Adam Smith in The Wealth of Nations waarschuwde er al uitdrukkelijk voor. De vraag is m.a.w. niet zozeer of we het eens zijn over de diagnose. De vraag is veeleer hoe we op die diagnose reageren. Wat is de remedie? Hoe ontwikkelt zich de ideologische tegenbeweging?

De eerste reacties en maatregelen die werden getroffen om de financiële crisis in te dammen voorspellen in elk geval niet veel goeds. In elk geval zijn ze zeer voorspelbaar. Precies zoals bij eerdere financiële crisissen onder meer deze tussen de beide wereldoorlogen, zijn het (economisch) nationalisme en collectivisering of een combinatie van beide die de boventoon voeren. De landen of ze nu al dan niet deel uitmaken van een breder supranationaal verband komen massaal tussen om de eigen (nationale) meubels te redden. Meer nog, ze deinzen er niet voor terug van de situatie misbruik te maken om een stuk van verloren gewaande kroonjuwelen te redden. Nationaal prestige wint het met andere woorden van internationale samenwerking en slagkracht. Zo hoorden we de voorbije weken steeds luider klinkende neo-nationalistische oprispingen, kreten over overwonnenen en overwinnaars. Alsof de Europese Unie nooit bestaan had. Nederland kraaide victorie na de koop van het Nederlandse Fortis en ABN-Amro. In Parijs jubelde men omdat de slag om Dexia zou zijn gewonnen. En tal van Europese regeringsleiders verklaarden zonder blikken of blozen dat ze enkel het spaargeld van hun eigen landgenoten zouden veiligstellen.

De vorm die deze interventies aannemen is in elk van de landen ook min of meer identiek, namelijk massale injecties van overheidskapitaal en in sommige gevallen zelfs algehele nationalisaties om de wankele solvabiliteit van de betrokken bank-of verzekeringsinstellingen te herstellen. Alleen Lehman in de VS en Fortis in België vormen daar de spreekwoordelijke uitzondering op. Die werden gewoon opgedoekt of verkocht. Ook voor het nijpende probleem van de opgedroogde interbancaire kredieten is het de staat die de oplossing aanreikt. Door aan deze kredieten een waarborg van de overheid toe te kennen, hoopt men het toenemend wantrouwen tussen de financiële instellingen weg te nemen zodat hun liquide middelen op peil kunnen blijven.

Al deze interventies zijn ongetwijfeld te verantwoorden wanneer het er om gaat op korte termijn het financieel systeem voor een algehele ineenstorting te behoeden. Het gevaar evenwel is dat de remedie al snel erger dreigt te worden dan de kwaal die ze meent te bestrijden. Het massaal injecteren van overheidsparticipaties in banken in moeilijkheden zoals overigens in alle andere economische sectoren is evenzeer als het toekennen van allerlei staatsgaranties iets waar net als bij een geneesmiddel uiterst omzichtig mee moet worden omgesprongen. Precies zoals om de pijn te bestrijden morfine of methadon slechts met mondjesmaat, in elk geval heel kortstondig mogen worden toegediend, zo mogen ook overheidsinjecties of staatsgaranties slechts in heel beperkte mate worden aangewend. Zo niet worden ze een drug, een verslaving die elke prikkel voor goed en efficiënt bestuur in de betrokken instellingen smoort en wegneemt. Waarom zou een bank kritisch de kredietaanvraag van een collega-bank tegen het licht houden als de staat toch het uiteindelijk risico op zich neemt ? Waarom zou een verzekeringsinstelling nog voorzichtig met haar portefeuille omspringen als bij het eerste het beste probleem de staat toch de niet gedekte verplichtingen te zijnen laste neemt ? En wat met het verstoren van de eerlijke concurrentie ? De staat maakt nauwelijks of geen onderscheid tussen insolvabele en slecht beheerde en solvabele en goed gerunde instellingen. Uiteindelijk is de staat zelfs verplicht om kapitaal te verstrekken aan sterk gekapitaliseerde banken die initieel geen enkele moeilijkheid kenden en die enkel onder de druk kwamen te staan omdat hun binnen- en, of buitenlandse collega’s en concurrenten konden genieten van een kapitaalsondersteuning vanwege de overheid. Nogmaals op korte termijn kunnen zo’n uitzonderlijke conjuncturele noodingrepen aangewezen zijn. Maar al snel leiden zij tot overdadig gebruik hetgeen de kwaal alleen maar verergert. Die vrees bestaat ook bij de recente oprichting van ‘soevereine fondsen’. Hoe edelmoedig de bedoeling ook moge zijn (namelijk het veilig stellen van de Europese strategische belangen n.a.v. een mogelijks nakende overnamegolf door buitenlandse staatsfondsen), de realiteit is meestal minder nobel zeker wanneer het gaat om zogenaamde ‘nationale’ fondsen. Het argument om ze op te richten klinkt in elk geval weinig oprecht. Wanneer Amerikaanse of Europese bedrijven in een Russische, Chinese of Indische onderneming participeren of zo’n onderneming overnemen dan wordt dat toegejuicht als een voorbeeld van internationalisering en globalisering. Wanneer het omgekeerde geschiedt, wordt dat betiteld als een bedreiging van onze onafhankelijkheid. In feite herhaalt zich de reactie die we decennia geleden al hadden toen de Japanse ondernemingen actief werden op onze markten. Ook toen waren de waarschuwingen tegen het gele gevaar niet uit de lucht. Ook toen was er weerstand. Bovendien stelt zich de vraag wiens financieel vermogen weinig of niet door de beurscrisis is aangetast en wie derhalve in staat is voldoende financiële middelen te mobiliseren om de grootschalige overnames te financieren waarvoor men vreest. De voorbije weken hadden China, Rusland en India de kans om gans de westerse financiële sector op te kopen. Op een injectie van Russische investeerders in het IJslandse bankwezen na, hebben we daar niet veel van gemerkt. De vermogens die de voorbije maanden bijvoorbeeld door de Russische oligarchen of Arabische adellijke families werden verloren, zijn zo mogelijks nog spectaculairder dan de massale verliezen die door onze eigen zogenaamde institutionele beleggers werden geleden. Nogmaals de argumenten waarmee de oprichting van soevereine fondsen nu wordt aangeprezen, zijn vaak drogredenen. Veelal is de ware reden dat men onder het mom van de financiële crisis de kans schoon ziet een protectionistische nationale industriële politiek in de steigers te zetten die zijn naam niet wil zeggen, daar waar daar voorheen nauwelijks steun voor bestond.

Hoe dan ook, het gevaar is reëel dat door al deze overheidsinterventies (staatswaarborgen, kapitaalsinjecties, soevereine fondsen) de financiële toekomst van een land op de helling komt te staan. Zulke massale interventies zijn immers niets meer of minder dan het leggen van bijkomende schulden op de rug van de komende generaties. En vooral voor landen zonder grote pensioenreserves en met een hoge overheidsschuld kan men zich afvragen hoe zij dan ooit nog de kosten van de vergrijzing zullen kunnen dragen. Maar ook voor hen die geen torenhoge schuldenlast te torsen hebben, kan de vraag worden gesteld of zulke operaties geen onaanvaardbare hypotheek op de toekomst leggen. Neem Ierland bijvoorbeeld. Ierland heeft slechts een beperkte overheidsschuld. Ierland garandeert echter alle banktegoeden voor een waarde van vierhonderd miljard euro. Los van de problemen die de maatregel in andere landen heeft veroorzaakt als gevolg van een uitstroom van deposito’s richting Ierland, is dit maar liefst tweemaal de actuele waarde van het Ierse BBP, zesmaal zijn jaarlijkse staatsinkomsten en maar liefst acht maal zijn huidige overheidsschuld. Kortom, wat rest er nog van het Europese mededingingsrecht ? Wat met het Groei- en Stabiliteitspact? Het spreekt voor zich dat uitzonderlijke situaties om uitzonderlijke maatregelen vragen, maar kan elke lidstaat daarbij zomaar op zijn eentje beslissen om het ‘acquis’ overboord te gooien? Met andere woorden waar zat Europa de voorbije weken en dagen? Waarom bleef het zo oorverdovend stil in de Berlaymont ?

Als echter noch een zich terugtrekken achter de eigen nationale grenzen, noch een resem collectiviseringen of nationaliseringen wenselijk zijn, dan stelt zich de vraag wat op termijn dan wel de aangewezen remedie is? De financiële crisis die vandaag toeslaat gebeurt niet toevallig in een tijdperk van razendsnelle globalisering van de economie in het algemeen en van de financiële markten in het bijzonder. Wanneer zich in de Verenigde Staten van Amerika om een of andere reden een crisis in de markt van de hypothecaire kredieten voordoet dan heeft dit wereldwijde gevolgen gewoon omdat honderden banken, verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen over de ganse planeet daarin rechtstreeks of onrechtstreeks participeren. Dit is op zichzelf weer het gevolg van de toenemende effectisering waarbij bijvoorbeeld leningcontracten tussen banken en kredietnemers verhandeld worden die voorheen niet verhandelbaar waren of niet verhandeld werden. Een gebrek aan controle of laksheid in één land houdt m.a.w. onvermijdelijk potentiële onzalige gevolgen in voor de ganse wereld. De gevolgtrekking die we evenwel uit deze vaststelling in geen geval mogen trekken, is met de vinger te wijzen naar het fenomeen van de mondialisering zelf en zich derhalve achter de eigen grenzen terug te trekken. De mondialisering is een fenomeen dat niet meer kan ingedijkt worden. De conclusie moet integendeel zijn dat de economie misschien dan wel geglobaliseerd is, maar dat de controle daarop dat niet is. Die is fragmentair en nationaal gebleven. De politieke aansturing van de mondiale economie is (quasi) nihil.

Dat het antwoord op de wereldwijde financiële crisis niet zozeer ligt in exceptionele conjuncturele noodmaatregelen, maar in structurele hervormingen, zoals het uittekenen van een nieuw en dwingend internationaal financieel kader, werd in Europa afdoende bewezen met de invoering van de euro. Zonder die euro zou vandaag een tiental Europese munten onder immense druk staan, precies zoals dat thans het geval is met de ‘real’ in Brazilië en de IJslandse of Deense kroon. Dat dit niet zo is, is de verdienste van de euro. Vandaar de les om op tal van andere terreinen van het economische en financiële leven grootschalige, m.a.w. grensoverschrijdende beleids- en controlemechanismen in het leven te roepen. Minstens is het binnen elke monetaire zone noodzakelijk een deugdelijk en derhalve eenvormige financiële en prudentiële controle in het leven te roepen die het spiegelbeeld moet vormen van de monetaire autoriteit(en). Tussen de verschillende monetaire zones dienen bovendien binnen een nieuw te creëren internationaal kader bindende afspraken te worden gemaakt zodat de wereldeconomie met één mondiaal toezicht of minstens één mondiaal netwerk van toezichthouders te maken krijgt, één netwerk dat dezelfde, identieke regels rigoureus toepast. Deze internationale regels zullen in meerdere opzichten echter ook nieuw moeten zijn. De nationale segmentatie van de regelgeving is zeker niet de enige oorzaak van wat ons nu overkomt. Ook de weinige internationale regelgeving vertoont ernstige gebreken zoals nu is gebleken. Zo heeft de Internationale Basel-regelgeving ertoe geleid dat de risico’s werden onderschat en dat vele risico’s buiten de balans konden worden geplaatst, terwijl ook de actuele internationale boekhoudregels (IFRS) onaangepast zijn. Deze laatste werken te pro-cyclisch en bevorderen eerder een neerwaartse spiraal van dalende prijzen en gedwongen verkopen in plaats van deze af te remmen. Ook zal het noodzakelijk zijn een kwaliteitsregeling en dito kwaliteitscontrole in het leven te roepen over allerlei nieuw verhandelde financiële producten, een vorm van ‘product safety’ als het ware. Het Europese antwoord

Om een idee te krijgen van hoe dit nieuwe kader zou werken, kan het best worden uitgegaan van het Europese beleidsniveau. De Eurozone heeft naast de onafhankelijk opererende Europese Centrale Bank dringend nood aan drie hervormingen (of nieuwe instellingen):

- één Europese financiële regulator als onderdeel van een wereldwijd netwerk van regulatoren die onderling door dezelfde regels en standaarden zijn verbonden ;

- een instelling (als dan niet onder de vorm van een afdeling van de ECB) die onder meer de taak op zich neemt ‘clearances’ te verlenen aan interbancaire krediet-aanvragen; dit lijkt in elk geval een verstandiger oplossing om het vertrouwen tussen de banken te verzekeren en de liquiditeit van de markten te garanderen dan het massaal toekennen van staatswaarborgen of het oprichten van een zogenaamd Europees interventiefonds wat in essentie neerkomt op het europeaniseren/collectiviseren van de kost van nationaliseringen;

- een regering tenslotte voor de Eurozone met het oog op het voeren van een sociaal-economisch convergentiebeleid; in tegenstelling tot harmonisatie is convergentie het vastleggen van bandbreedtes waarbinnen de economieën van de verschillende lidstaten van de Europese Unie of de Eurozone zich dienen te ontwikkelen om zo gezamenlijk tot een meer geïntegreerde en meer competitieve Europese economie te komen; een belangrijke stap hiertoe werd onlangs gezet met de organisatie (in oktober van dit jaar)van de eerste top van de Eurozone.

Die laatste aanbeveling maakt ook duidelijk dat in de komende jaren de financiële crisis onvermijdelijk gepaard zal gaan met een algemene economische inzinking. Die zal wellicht de definitieve opgang inluiden van landen zoals China, Brazilië en India. In 2007 stond China wereldwijd reeds op de vierde plaats inzake grootte van het BBP, terwijl Brazilië, Rusland en India respectievelijk op de tiende, elfde en twaalfde plaats verwierven. Naar verwachting zal in 2050 China de eerste plaats bekleden met een BBP ongeveer dubbel zo groot als dat van de Verenigde Staten. India zal de derde plaats innemen. Brazilië de vierde. Rusland de zesde. Dit zal het voor de westerse economieën noodzakelijk maken om ook op economisch terrein drastische veranderingen door te voeren, niet door de trom van de regulering te roeren (hoe onmisbaar dit ook moge zijn op het vlak van de financiële markten). Integendeel. Meer regulering op het vlak van het financiële zal paradoxaal genoeg gepaard moeten gaan met meer liberalisering op het terrein van het algemeen economisch beleid. In dat verband is het overigens beangstigend vast te stellen hoe vandaag met hetzelfde gemak waarmee de nationalisaties worden verdedigd ook de noodzaak van een begrotingsevenwicht in twijfel wordt getrokken. Denken nochtans dat de recessie kan worden bestreden door ‘deficit-spending’, is al evenzeer een illusie. Het wantrouwen van de spaarders en de consumenten zal slechts worden gekeerd door op een geloofwaardige, dus op een drastische wijze de oorzaken van de financiële crisis zelf aan te pakken, en niet door op een kunstmatige wijze koopkracht in de portemonnee van de gezinnen te injecteren. Die zullen in de gegeven omstandigheden hun spaarquote alleen maar opdrijven, en zeker de teugels niet laten vieren. Overigens is ‘deficit-spending’ al helemaal geen optie in landen die met een hoge overheidsschuld en, of een gebrek aan pensioenreserves af te rekenen hebben.

Besluit

Niemand die kan er nog aan twijfelen dat de wereld zich op een keerpunt bevindt. De financiële crisis speelt als het ware de rol van deeltjesversneller op weg naar een nieuwe multipolaire samenleving. Dat is op economisch vlak overduidelijk. Maar ook politiek en militair beginnen grootmachten in spe zich te roeren en de neus aan het venster te steken. Vooral Rusland, China maar ook India laten geen moment voorbij gaan om de wereld te tonen dat er met hen rekening moet worden gehouden. De vraag is echter of ook Europa in dit multipolair concert een rol zal kunnen of willen spelen. ‘Kunnen’ mag zeker geen probleem opleveren. ‘Willen’ is echter een andere kwestie. Europa blijft lijden aan koudwatervrees. De financiële crisis gaf van Europese zijde wel aanleiding tot een kettingreactie van nationale interventies van elk van de lidstaten afzonderlijk. Maar op het houden van de Eurotop na, bleef de Europese reactie hoofdzakelijk beperkt tot een aantal goedbedoelde conclusies. Nochtans is de weg die Europa moet uitgaan overduidelijk. Wil het nog een rol spelen in de multipolaire wereld van morgen, wil het ‘the new age of the Empires’ overleven, dan zal dat alleen kunnen door een nieuwe kwantitatieve en beslissende stap te zetten in haar integratie. Vanuit dat oogpunt bekeken is de financiële crisis van vandaag geen ramp, maar een grote kans voor morgen. Waar het nu op aankomt is dat onze politieke leiders hun koudwatervrees laten varen en de sprong wagen.


De auteur is ex-premier van België.

Guy Verhofstadt

Guy Verhofstadt

Links
mailto:guy.verhofstadt@openvld.be
Share |

4 Liberales-sessies over Economie

Om het economisch nieuws beter te begrijpen, organiseert Liberales in januari en februari vier sessies over Economie (te Brussel). De sessies behandelen pensioenen, strategisch gedrag, financieringswet en de financiële crisis. Toegang is 3 euro per sessie. Plaatsen zijn beperkt. Inschrijven via deze link. Meer info onder Activiteiten.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be