Veel feministisch onderzoek naar sekseverschillen is ideologisch gedreven, zo schreef de Amerikaanse feministe Alice Eagly in 1995. Het doel is aan te tonen dat die verschillen niet bestaan, vanuit de hoop zo gemakkelijker gelijke kansen voor vrouwen te verwezenlijken. Waar dat project in de jaren zeventig nog een zekere geloofwaardigheid genoot, is het vandaag een achterhoedegevecht geworden, door de combinatie van een steeds verfijndere wetenschappelijke methodologie en de lawine aan studies die gemiddelde sekseverschillen in psychologie en gedrag aantonen. Toch, zo noteerde Eagly, blijven veel feministen uiterst hun best doen om die bevindingen gewoon te ontkennen. We zijn nu vijftien jaar en duizenden studies verder, maar naar de reactie van Nathalie De Bleeckere (De Standaard, 17 maart) te oordelen, zijn veel feministen ter plaatse blijven trappelen. De gehanteerde strategie ontmoet ik vaak in discussies met feministische theoretici. Eerste stap: maak de denkfout dat er een directe overgang is van feiten naar waarden, dus dat het bestaan van gemiddelde man-vrouwverschillen een verdediging van de maatschappelijke status-quo betekent. Tweede stap: neem het niet nauw met criteria van wetenschappelijkheid en wees uiterst selectief in je literatuurkeuze. Schrijf de duizenden onderzoekers die sekseverschillen aantonen een politieke agenda toe, zelfs al is een groot aantal daarvan vrouwen, en vertrouw blindelings op het handvol feministische onderzoekers dat het bestaan van die verschillen onderuit zou gehaald hebben. Derde stap: hou vast aan de al lang achterhaalde dichotomie tussen natuur en cultuur. Beschouw het bestaan van culturele variatie en van omgevingsinvloeden op gedrag als een bewijs dat mannelijkheid en vrouwelijkheid loutere sociale constructies zijn. Het boek waarnaar De Bleeckere verwijst, Bij gelijke geschiktheid van Barnett en Rivers, is een typisch voorbeeld van feministische ‘weerleggingen’ van onderzoek dat sekseverschillen aantoont. Uitgangspunt van de auteurs is dat dergelijke verschillen vooral door de omgeving ontstaan. Studies die een diepgeworteld verschil tussen de gemiddelde motivaties en prioriteiten van beide seksen blootleggen, zijn volgens hen een tegenreactie op de verworvenheden van het feminisme. Misleiding en onwetendheid vieren hoogtij in dit werk. Om een paar voorbeelden te geven: de bewering dat er geen universele criteria van vrouwelijke schoonheid bestaan, is flagrant onjuist. De evolutionaire psychologie voorstellen als een discipline die stelt dat mannen zoveel mogelijk hun zaad willen verspreiden en dat ze van nature ongeschikt zijn voor het huwelijk en voor betrokkenheid bij hun kinderen, getuigt zelfs niet van slordigheid; het getuigt van kwade wil. Veel van de lacunes die de auteurs ontwaren in het werk van evolutiepsychologen, zoals het belang van vrouwelijke competitie, zijn al lang het onderwerp van evolutionair-psychologisch onderzoek. Als dit boek werkelijk ‘het betere werk’ vertegenwoordigt, zoals De Bleeckere beweert, zegt dit veel over de wetenschappelijke standaarden binnen genderstudies. Een van de misvattingen van Barnett en Rivers, en van veel andere feministische auteurs, is dat gelijke vaardigheden automatisch gelijke motivatie betekent. Onderzoek naar sekseverschillen legt echter niet zozeer verschillen in capaciteiten bloot als wel verschillen in wat beide seksen typisch als waardevol en bevredigend ervaren. Zo ervaren meer vrouwen dan mannen een diep gevoel van bevrediging door kinderzorg en voelen meer mannen dan vrouwen zich aangesproken door het verwerven van status en sociale dominantie. De mate waarin zij hun prioriteiten kunnen nastreven en de concrete manier waarop dat gebeurt, hangen echter af van de context. Wat status verleent, varieert immers historisch en cultureel. Als arts of professor een goedbetaalde job met veel aanzien is, zal dat vooral mannen aantrekken. Als aan dergelijke posities weinig aanzien verbonden is, zoals onder meer het geval was in de vroegere DDR, haken mannen af en tref je er meer vrouwen aan. Veel (maar niet alle) vrouwen vinden andere zaken belangrijker dan status om de status. De Britse sociologe Catherine Hakim toonde aan dat de meeste vrouwen die deeltijds werken, dat doen omdat ze deeltijdse arbeid verkiezen, niet omdat hun dit opgedrongen zou zijn door de noodzaak kinderzorg en arbeid te combineren. Niet iedereen heeft echter die optie: soms zien vrouwen zich financieel gedwongen tot voltijds werk, zoals in lageloonlanden. De bevinding van culturele variatie weerlegt het bestaan van gemiddelde man-vrouwverschillen op vlak van motivatie niet, maar is er vaak een bevestiging van. Vanuit de biologie is de definitie van vrouwelijk en mannelijk trouwens eenvoudig. De sekse die zich specialiseert in het aanmaken van een kleine hoeveelheid grote, voedzame geslachtscellen (eicellen) noemen we vrouwelijk, de sekse die massa’s kleine geslachtscelletjes (zaadcellen) aanmaakt, noemen we mannelijk. Die initiële asymmetrie is de motor achter het mechanisme van seksuele selectie, dat zorgde voor de verdere seksuele differentiatie van psychologie en gedrag in alle soorten die zich seksueel voortplanten. Hoezeer we ook culturele wezens zijn, we ontkomen daar niet aan. Het lijkt me fundamenteel voor de geloofwaardigheid van het feminisme dat men begint na te denken over hoe die wetenschappelijke inzichten in te zetten in de strijd voor gelijke kansen, in plaats van krampachtig te blijven vasthouden aan een mensbeeld dat meer ideologisch dan wetenschappelijk gefundeerd is.
Griet Vandermassen Griet Vandermassen Linksmailto:Griet.Vandermassen@UGent.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|