De hadj als een dodelijke cakewalk

essay vrijdag 27 januari 2006

August Hans den Boef

Processies en andere religieuze optochten, voor gelovigen en ietsisten rituelen van een grote spirituele kracht, houden voor ongelovigen altijd iets van een kermis. Zo ook de hadj. Denk aan het werpen van 21 steentjes naar de duivel. Kermisachtig lijkt ook het kussen van de steen – als in het Ierse Blarney. De ene steen die voortaan al die godenbeelden van de concurrentie moest vervangen toen Mohammed de pelgrimsplaats Mekka had overgenomen. Die beelden waren vernietigd: een zeer definitieve vorm van beeldenstorm. ‘Van alle maken is doodmaken/wel het volmaaktste’, dichtte Gerrit Kouwenaar ooit.

Vrijwel elk jaar is de hadj voor honderden pelgrims een dodelijke cakewalk. Driehonderdvijftig slachtoffers, deze keer. De begrijpelijke opschudding over zo’n stampede leidt de aandacht af van een ander onderdeel: het offerfeest (het Groene Boekje gebiedt een kleine letter!), ied al-adha. Een feest dat ook buiten het moslim-event in Saoedi-Arabië wordt gevierd en dit jaar begon op 11 januari. Moslims herdenken overal ter wereld hoe de profeet Ibrahim (Abraham) zijn zoon wilde offeren om Allah te dienen, zoals beschreven in soera 37: 101-113.

Merkwaardig dat niet-moslims aan deze viering ongeďnteresseerd voorbij plegen te gaan. Natuurlijk kennen we de obligate, overigens niet onterechte, protesten van dierenbeschermers tegen de praktijk van het rituele slachten, maar daarop doel ik niet. Evenmin op het gegeven dat in het joodse origineel, Genesis 22: 1-19, Abraham het met een engel moet stellen, die hem meedeelt dat hij zijn zoon uiteindelijk niet hoeft te offeren, terwijl het de Grote Baas himself is, die Ibrahim toespreekt. Mij gaat het om het controversiële karakter van dit woestijnverhaal: een God die van zijn volgeling absolute gehoorzaamheid eist, tot in het doden van het eigen kind toe. Het Duits heeft voor die volgzaamheid een bekende uitdrukking.

In de loop van de eeuwen hebben talloze religieuze functionarissen, theologen, filosofen en schrijvers over het controversiële karakter van dit verhaal gedebatteerd. Dat besefte ik pas toen ik in 1990 een essay van de auteur Ger Verrips las over Abrahams opdracht. Voor die tijd was het verhaal voor mij niet meer dan een de vele illustraties van ‘de ongelooflijke slechtheid van het opperwezen’ zoals Karel van het Reve Gods bevel ooit omschreef. De beproeving die JHWH aan zijn volgeling oplegde, stoorde Multatuli al anderhalve eeuw geleden en nog dit najaar trad Ronald Plasterk in zijn sporen. Verrips zelfs concentreert zich in tegenstelling tot Multatuli, Van het Reve en Plasterk, niet op de slechtheid van het opperwezen, maar op die van de aartsvader. ‘Abrahams keuze’ noemt hij zijn essay dan ook.

Waarom wordt er naar aanleiding van het joodse verhaal dat de christenen later geadopteerd hebben, wel heftig gedebatteerd, maar niet naar aanleiding van de islamitische versie? Die vormt immers de inspiratie voor het offerfeest, nota bene met het suikerfeest het belangrijkste! Sommige islamofielen stellen zelfs voor om het tot een verplichte Nederlandse feestdag te promoveren! Het joodse verhaal van de beproefde aartsvader en zijn zoon lijkt ook bedoeld als een demonstratie. Mensenoffers waren immers bij de concurrerende godsdiensten gebruikelijk. Via een krachtig theatraal schokeffect demonstreerden de joodse chroniqueurs dat JHWH niet van deze onbeschaafde praktijken is gediend.

Maar toen Mohammed die Abrahampassages uit de Thora in zijn Koran verwerkte, was het niet offeren van mensen geen Unique Selling Proposition meer tegenover de concurrenten (van wie hij de beelden had laten vernietigen). Het ging de Grote Profeet echter bij Ibrahims beproeving kennelijk niet zozeer om het mensenoffer, maar om de onderwerping als zodanig. In het verlengde van de stellingname van Verrips en anderen zou je kunnen betogen dat het kennelijke gebrek aan keuze voor Abraham een essentieel element is in de traditionele, conservatieve, orthodoxe, integristische en fundamentalistische wereld van het jodendom, het christendom en de islam. De laatste religie dankt aan de onderwerping zelfs haar naam. In het Engels: Submission. Van de drie woestijngodsdiensten is het ook de enige die zo’n centrale functie toekent aan het verhaal van Abrahams onderwerping. Veel terroristen noemen in hun testament het radicale offer van Ibrahim dan ook als hun grootste inspiratiebron.

Ook los van die arme 350 doden, is dit wereldwijde sacre d’ hiver – om een derde moderne taal te gebruiken - geen verschijnsel dat vrolijk stemt.


De auteur schreef het boek 'Nederland seculier!' uitgegeven bij Van Gennep, 2003

August Hans den Boef

August Hans den Boef

Links
mailto:ahdenboef@euronet.nl
Share |

Nieuwsbrief

Schrijf je in op onze wekelijkse nieuwsbrief door hieronder je e-mailadres in te vullen.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be