Over de liberale ideoloog Frans Grootjans

essay vrijdag 12 december 2008

Guy Verhofstadt

Dames en heren,

Frans Grootjans was een politicus van zijn tijd, vooral dan van de jaren zestig en zeventig. Net in die periode werden de negatieve effecten van het Keynesiaanse denken stilaan maar zeker zichtbaar. Zijn boek General Theory of Employment, Interest and Money vormde zowat de Bijbel voor economen in de decennia na de Tweede Wereldoorlog en dit tot de jaren tachtig. Keynes benadrukte dat de overheid moest investeren in de economie teneinde meer werkgelegenheid en welvaart te creëren. Zo wees hij op het belang van ondermeer grote infrastructurele werden die zouden leiden tot meer banen en een hogere consumptie, en daardoor weer tot een hogere productiviteit. De overheid moest de vraagkant van de economie stimuleren, of concreter gezegd de overheid moest de markt stimuleren en desnoods verlieslatende bedrijven redden teneinde de werkgelegenheid te verzekeren.

Jarenlang, tot het einde van de jaren zeventig heeft men deze politiek in de meeste Europese landen, waaronder België gevolgd. Wie er kritiek op had werd weggelachen, in de hoek gezet en beschuldigd van asociaal gedrag. Het gevolg was dat heel wat liberalen in die tijd een bijzonder defensieve houding aannamen. In de zin van, ‘we zijn wel liberalen, maar we zijn ook heel sociaal hoor’. En als het weer eens mis ging, als er opnieuw een bedrijf over kop ging en duizenden mensen hun baan verloren dan werd onmiddellijk met een beschuldigende vinger gewezen naar het liberalisme, naar de vrije markt en naar de multinationals. Het heeft ertoe geleid dat de toenmalige PVV voortdurend in de verdrukking zat en steeds opnieuw compromissen moest sluiten met de socialisten of christen-democraten die bleven zweren bij Keynes en een actief etatisme.

Tot wat deze politiek geleid heeft voelen we tot de dag van vandaag. Het ambtenarenapparaat en de bureaucratie namen enorme proporties aan. In de jaren zeventig waren er al 850.000 ambtenaren op een actieve bevolking van 3,5 miljoen inwoners. Om de stijgende uitgaven van de overheid te kunnen betalen moesten de belastingen voortdurend verhoogd worden. En toen ook dat niet langer voldoende bleek te zijn, begon men steeds meer schulden te maken. In 1960 bedroeg de staatsschuld ongeveer 60 procent van het Bruto Nationaal Product. Tien jaar later steeg dit tot 70 procent. In 1980 was dat reeds 80 procent en de schulden-sneeuwbal bleef rollen tot hij uiteindelijk meer dan 140 procent van het BNP bedroeg. De opeenvolgende regeringen in de jaren zestig en zeventig wisten dat dit niet langer kon blijven duren, maar bleven omwille van electorale redenen hun ogen sluiten.

Door de enorme belastingsdruk werden investeerders afgeschrikt, gingen jobs verloren en daalde het aantal kleine en middelgrote ondernemingen. De impact van de overheid op de economie was dermate groot dat de vrije markt niet langer goed kon functioneren; de bureaucratie werkte dermate verstikkend dat nieuwe initiatieven nog moeilijk van de grond kwamen; maar toch bleef men alles zetten op overheidstussenkomsten. Eind jaren zeventig werd er zelfs een Ministerie voor Bedrijven in Moeilijkheden opgericht dat via staatssteun verliezen moest opvangen teneinde jobs te redden. Op die manier werden enorme sommen geld weggegoten in de bodemloze putten van de kolen- en staalindustrie, van de luchtvaart en de NMBS, van de scheepsbouw en de energiebevoorrading, van de ambtenarij en de sociale zekerheid. De impact van de vakbonden werd dermate groot dat ze niet alleen allerlei voordelen konden verwerven voor hun specifieke belangen, maar tegelijk dat ze de meeste nieuwe politici leverden die uit hun hand aten. En de liberalen stonden erbij en keken er naar, zonder kompas, zonder oplossingen, zonder weerwerk. Meer nog, in het verzuilde systeem van die tijd, probeerden liberale organisaties een eigen zuil uit te bouwen waarvoor ze net als de andere zuilen mee van de staatsruif gingen eten.

De eerste in ons land die inzag dat het liberalisme daarmee de verkeerde weg was ingeslagen, was Frans Grootjans. Binnen het toenmalige triumviraat Vanderpoorten-de Clercq-Grootjans was hij die het meest bezig was met de ideologische kant van de zaak. Grootjans zag in dat niet zozeer de economie moest hervormd worden, maar wel het politiek systeem in die zin dat de macht van de overheid moest beperkt worden ten voordele van de vrijheid van de burgers. Hij zag in dat de toenmalige crisis geen gevolg was van economische tekortkomingen van de vrije markt maar wel van een overdreven politieke greep op de economie. Hij begon als voorzitter van de toenmalige PVV congressen te organiseren over de Ontvetting van de staat. Het was een thema dat in het begin moeilijk verkoopbaar was en waarvoor de militanten niet echt warm liepen. Grootjans zei keer op keer dat het liberalisme niet het probleem, maar de oplossing voor het probleem vormde. Hij hamerde op de noodzaak van een afgeslankt overheidsapparaat en van een ware vrije markt waar de overheid zich zo weinig mogelijk moest in mengen. Wat Grootjans in die jaren vertelde was de weerklank van een enorme liberale heropleving die vooral in de Verenigde Staten aan de gang was en uiteindelijk wereldwijd tot ingrijpende veranderingen zou leiden en waarvan we de voorbije decennia de vruchten hebben geplukt. In feite vormde Grootjans de intellectuele brug tussen het Europese bezadigde liberalisme en de ideologische pletwals die vanuit de States op ons afkwam, tussen de geconformeerde oudere generatie liberalen en de jonge radicaal liberale hemelbestormers van die tijd.

Het was in die jaren dat ikzelf in contact kwam met nieuwe liberale denkers als Henri Lepage, Ludwig Von Mises, Milton Friedman, Murray Rothbarth, James Buchanan, Gordon Tullock en Karl Popper. Centraal daarin stonden daarin drie elementen: de druk van de staat verminderen, de vrije markteconomie volkomen laten spelen en de eigen vrijheid en verantwoordelijkheid van de burgers vergroten. Van Milton Friedman, de Nobelprijswinnaar voor Economie in 1976, leerde ik dat vrijhandel niet alleen de welvaart maar ook de vrede in de wereld bevorderde. Dat legde de kleine professor uit Chicago uit aan de hand van een eenvoudig potlood, zo’n eenvoudig exemplaar met een gommetje op de achterkant. Welnu, zo zei Friedman, we moeten beseffen dat dit potlood het resultaat is van vreedzame transacties waarbij producenten uit zowat de ganse wereld betrokken waren. Het potlood waarmee we schrijven bevat hout uit India, verf uit Marseille, grafiet uit de Verenigde Staten, een stukje koper uit Zaïre, drukletters uit Firenze en rubber uit Maleisië. Zonder de vrijwillige en vreedzame marktwerking zou het onmogelijk zijn zo’n eenvoudig potlood te maken.

In feite was het een gepopulariseerd voorbeeld van de grondgedachte van de grote liberale filosoof Adam Smith dat een vrije markt en een vrije prijsvorming feilloos werkt zonder overheidsbemoeienis, dus zonder dat iemand ons dwingt om met iemand anders in contact te komen. In zijn boek Free to Choose schreef Friedman dat ‘de genialiteit van Adam Smith schuilt in de erkenning van het feit dat de prijzen die ontstaan door middel van een vrijwillige ruil tussen koper en verkoper, dit wil zeggen via het vrije marktmechanisme, de activiteiten van miljoenen mensen die ieder hun eigen belang nastreven, kunnen samenbundelen zodat tenslotte iedereen ervan profiteert’. Friedman keerde zich tegen de bemoeienis van de overheid in het economische systeem, maar evenzeer tegen private monopolies en kartelvorming. Even nadrukkelijk keerde hij zich tegen elke vorm van egalitarisme, de neiging van de overheid om teveel belastingen te heffen en te streven naar inkomensgelijkheid. ‘Als uw inkomen gelijk bleef, ongeacht de vraag of u er hard voor gewerkt hebt of niet, zou u dan nog zin hebben om er hard tegenaan te gaan?’, zo klonk zijn retorische vraag.

Keerde Friedman zich daarmee tegen de overheid, zoals sommige libertariërs en anarcho-kapitalisten beweren? Helemaal niet. Opnieuw verwees hij naar Adam Smith die in zijn gekende boek An Inquiry into the Nature and Causes of the Wealth of Nations drie belangrijke overheidstaken opsomde. Ten eerste het beschermen van de samenleving tegen agressie van vreemde mogendheden. Ten tweede een goed justitieel apparaat teneinde elke burger te kunnen beschermen tegen onderdrukking door een ander. En ten derde het opzetten en onderhouden van publieke werken en instellingen die een enkeling of een kleine groep onmogelijk in het eigenbelang kan opzetten en onderhouden. Die laatste taak is in hedendaagse termen alvast het moeilijkst te definiëren. Denk aan het onderwijs, de sociale zekerheid, de fiscale diensten, enz… Maar één zaak werd hiermee wel duidelijk. De overheid heeft geen enkele rol te spelen in louter commerciële activiteiten. Denk aan de kolen- en staalindustrie, de textiel, de telefonie, de luchtvaart en de banksector. Wat Friedman het meest stoorde was de hoogmoed van economische planeconomen die in de lijn van het marxisme beweerden dat ze de economie op een wetenschappelijke manier konden verklaren en begeleiden. Dat was en is een complete misvatting. Elke mens, en zo zijn er nu al meer dan zes miljard, neemt onophoudelijk een voor de wetenschap verborgen reeks kleine beslissingen. Deze visie op een oncontroleerbaar en ondefinieerbaar menselijk gedrag stond haaks op de visie van historicisten die beweren dat mensen een bepaald einddoel nastreven en volgens wetenschappelijk te verklaren motieven denken en handelen.

Naast Milton Friedman kwam ik onder indruk van de geschriften van Friedrich von Hayek. In 1974 won hij de Nobelprijs voor Economie, maar zijn intellectuele invloed zou pas in de jaren tachtig duidelijk worden. Hij stond en staat bekend voor zijn opus magnum The Road to Serfdom dat hij schreef in 1944, dus tijdens de Tweede Wereldoorlog. Tal van economen noemen hem ‘de belangrijkste sociale denker van de 20ste eeuw’ en dat is niet ver naast de werkelijkheid. Op een ogenblik dat iedereen dacht dat overheidsinterventie de maatschappij kon sturen en de economie bevorderen, waarschuwde hij voor de funeste gevolgen ervan. Hij geraakte tijdens zijn leven in een zwaar conflict met Keynes. Hij waarschuwde voor elke vorm van overheidsingrijpen omdat hierdoor slechte politici de kans kregen hun nefaste ideeën op te leggen aan anderen, doorgaans omdat ze een of ander groepsbelang dienden. De economie gaat niet slecht omwille van de vrije markt, aldus Hayek, maar net door een tekort eraan. En die vrije markt is onvoorstelbaar efficiënt, alvast veel efficiënter dan alle planologen die hun theoretische modellen willen opleggen aan de rest van de wereld, iets wat in het verleden vaak geleid heeft tot mistoestanden op sociaal, economisch en ecologisch vlak.

Hayek bepleitte vooral concurrentie via de markt tegenover de opvattingen van de toen dominante stroming van voorstanders van centrale planning, waarbij hij erop wees dat de veronderstelde 'irrationele' gewoonten, tradities en instituties de veelal moeizaam verworven kennis van de ervaring belichaamden. Daarnaast verdedigde hij het kosmopolitisch individualisme in een tijdperk dat werd beheerst door nationalisme en collectivisme. Wat Hayek in die roerige dagen van de jaren veertig het meest verontrustte was de manipuleerbaarheid van de massa. Hedendaagse moraalfilosofen zoals Jan Verplaetse beseffen dat de gewelds- en reinigingsmoraal eenvoudig kan opgewekt worden. Het is gewoon een kwestie van de Ander te demoniseren. Net dat is de reden waarom totalitaire regimes alle menselijke gedragingen proberen te vatten is wiskundige en voorspelbare schema’s, die enkel door een almachtige overheid kunnen worden gecontroleerd. Voor Hayek was het echter duidelijk dat geen enkele overheid in staat was de miljoenen bewegingetjes, speculaties, verwachtingen en beslissingen in één punt samen te brengen. In 1947 inviteerde Hayek een zestigtal geleerden om deel te nemen aan de Mont Pèlerin Society, een vereniging die tot doel had de suprematie van de vrije markt te verkondigen en te verdedigen. In de wetenschap dat zowat alle partijen, ook socialistische en ecologische, vandaag de dag de vrije markt als uitgangspunt nemen voor hun economische visie, kunnen we alleen besluiten dat Hayek niet alleen visionair was, maar ook ten gronde gelijk had. Wat Hayek keer op keer beklemtoonde maakte was dat zekerheid vals was, en dat voortdurende verandering en vernieuwing noodzakelijk waren ten bate van de mens. Het was en is geen eenvoudige gedachte, maar wel een juiste.

De derde man waaraan ik bij Frans Grootjans moet denken is de Amerikaanse econoom James Buchanan. Als toenmalig voorzitter van de PVV-jongeren nodigde ik deze in onze contreien toen totaal onbekende man in 1981 uit om in Brussel een lezing te komen geven over zijn beruchte Public Choice-theorie. Veel belangstelling was er toen niet voor hem, maar dat veranderde vijf jaar later toen hij de Nobelprijs voor Economie won. Buchanan vertrok van een simpele vaststelling: politici zijn net zoals andere mensen. Ze denken na over hun daden en proberen die in hun eigen voordeel te keren. Ook overheidsambtenaren en politici hebben hun portie eigenbelang en geldingsdrang en proberen hun functie uit te vergroten tot enorme proporties. Ze proberen hun ideeën om te zetten in wetten en vragen daarvoor de ondersteuning van administraties en bureaucratieën. Anders gezegd, ze proberen hun eigen bestaan te verrechtvaardigen en zo hun onmisbaarheid te bewijzen. Dat is de reden waarom elk overheidsapparaat onafgebroken blijft groeien en duurder wordt. Dat zou geen probleem zijn mochten niet al die beslissingen en medewerkers betaald moeten worden door andermans geld. En in tegenstelling tot de private markt worden vergissingen niet betaald door de eigen organisatie, maar door de belastingbetalers.

Hoe moeten we dit tegengaan? Dat is niet eenvoudig, al was het maar omdat bijvoorbeeld de ambtenaren in de openbare sector bijzonder daadkrachtige vakbonden hebben die niet toelaten dat aan hun enorme macht wordt geraakt. Daarbij beschikken ze ook over hun eigen politieke vertegenwoordigers die buitensporig veel macht hebben. Wie ingaat tegen de ambtenaren van de overheid gaat in tegen meer dan 800.000 kiezers en hun familieleden. En toch had Buchanan gelijk en moeten we willens nillens ons overheidsapparaat afslanken. Het is ondermeer om die reden dat ik indertijd het referendum als een mogelijk democratisch wapen tegen de almacht van de overheid voorstelde. Alleen met de steun van de bevolking kunnen we de groeiende staatsmacht van de overheid aan banden leggen en de bureaucratie terugdringen. Eigenlijk is die nefaste impact van de bureaucratie geen uitvinding van Buchanan. Al heel wat vroeger had de socioloog Max Weber gewaarschuwd voor een te grote bureaucratie. De bureaucratisering leidde volgens hem tot een soort menselijke machinerie waarin voor individuele bewegingsvrijheid geen plaats meer zal zijn. Weber waarschuwde niet zozeer voor een dictatuur van het proletariaat, maar voor een dictatuur van de bureaucraat, dat hij omschreef als ‘das hochmoralische, autoritär verklärte deutsche Beamtentum’. Tot wat een dergelijk ‘Beamtentum’ in handen van mensen die de rechtstaat niet erkennen kan leiden, zagen we in de jaren dertig in Duitsland.

In elk geval blijven de ideeën van Milton Friedman, Friedrich von Hayek en James Buchanan bijzonder actueel. Toch wil ik nog een vierde filosoof aan bod laten komen die mij, en vele anderen in die periode heeft beïnvloed. Het gaat om Karl Popper. Op het einde van de jaren dertig ontvluchtte hij de extreemrechtse dreiging van de nazi’s, keerde zich tegen elke vorm van totalitarisme, verwierp de communistische ideologie en werd met zijn boek The Open Society and Its Enemies een vurig pleitbezorger van een liberale en democratische ‘open samenleving’. Een samenleving van vrije burgers die het beleid van de staat kunnen toetsen, wijzigen en hun regeerders zonder bloedvergieten kunnen afzetten. Daarbij keerde hij zich tegen profeten als Plato, Hegel en Marx die een statische maatschappij voorstaan, wat onvermijdelijk uitloopt op onderdrukking van mogelijke veranderingen. Volgens Popper berust de vooruitgang in de maatschappij en de groei van kennis op vrije discussie en een stapsgewijze hervorming van de samenleving.

Popper was een optimist en deelde de visie dat het de mens zelf is die moet zorgen voor een betere wereld. Maar dan wel met kleine stapjes om allerlei vormen van onrechtvaardigheid weg te nemen, om zo te komen tot een menswaardige samenleving. Niet dat we die ooit finaal zullen bereiken, aldus Popper, maar we kunnen er wel elke dag naar streven en voor handelen. Vrijheid is niet absoluut maar houdt verantwoordelijkheid in voor de ander. Het was een opmerkelijk kantiaanse houding die aantoont dat Popper een meer genuanceerde koers aanhield. Toch geloofde hij in de vrije markt die hij zag als een efficiënter systeem dan een centraal gedirigeerde markt, voor zover de staat sociale instituties voorzag. Zijn stelling vloeide voort uit de bekommernissen en verwachtingen van negentiende-eeuwse denkers als Karl Marx en John Stuart Mill om de werkuren te verlagen en de lonen te verhogen. ‘Vermijdbare miserie is de verantwoordelijkheid van iedereen en dus van de overheid’, aldus Popper, die erop wijst dat het doel daarbij niet is om mensen gelukkiger te maken - dat is geen taak voor de overheid - maar wel om vermijdbaar leed zoveel mogelijk in te perken.

Terug naar Frans Grootjans. In tegenstelling tot veel andere partijleiders, kende Grootjans de ideeën van de nieuwe liberale denkers. Niet dat hij er veel mee te koop liep. Meer nog, ik vermoed dat hij ermee worstelde omdat ze zo fel botsten met het pragmatisme dat het liberalisme in die tijd zo kenmerkte. Als voorzitter van een partij – die deelname aan het beleid vaak belangrijker vond dan het eigen grote ideologische gelijk – was hij er zich scherp van bewust dat deze radicaal-liberale ideeën zouden botsen met het politieke establishment. Desondanks liet hij ze vrij baan. Tot hij op een bijzonder cruciaal moment voor de eerste keer voor mij in de bres sprong en iets heel bijzonders deed. Toen we met de PVV-jongeren in 1979 op het ideologisch congres van Kortrijk onze standpunten verdedigden was hij de eerste die ons in bescherming nam. Toen we resolutie na resolutie door het congres jaagden, kwamen enkele oudgediende PVV-leden in het geweer. Ze beweerden dat we als jongeren op zoek waren naar goedkoop en modieus succes, en dat we onze toon moesten matigen. Op dat ogenblik stond Frans Grootjans recht, keerde zich met al zijn gezag naar de zaal en zei de voor mij en mijn generatiegenoten onvergetelijke woorden: ‘als we deze standpunten aanvaarden dan zullen we met zijn allen veel liberaler moeten zijn’. Hij zette zich opnieuw neer en keurde toen samen met de jongeren onze zoveelste resolutie goed.

Met die woorden en met zijn stemgedrag gaf Frans Grootjans op die manier de baan aan een nieuwe generatie liberalen, iets waarvoor ik hem zozeer erkentelijk ben. Hij was op dat moment een van de weinigen die het intellectuele en zelfs politieke belang van dat moment begreep. Als voorzitter van de toenmalige PVV-jongeren heb ik dat gebaar altijd weten appreciëren. Grootjans gaf ons op dat cruciale moment het signaal dat we de intellectuele fakkel mochten overnemen. Dat deed hij niet willekeurig. Ook na dat bewuste congres van Kortrijk heeft hij zich meermaals positief uitgelaten over de nieuwe ideologische koers van de partij. Het is met zijn zegen en die van Willy De Clercq die ook de nieuwe tijdsgeest aanvoelde, dat ikzelf en verschillende andere jongeren zoals Patrick Dewael en Karel De Gucht konden doorbreken in de politiek.

In 1981 gingen we de verkiezingen in met de slogan Niet u maar de staat leeft boven zijn stand. Het werd een van de meest succesvolle campagnes ooit en de PVV haalde toen meer dan 21 procent van de stemmen. Daaruit volgden de regeringen Martens V en Martens VI, volgens heel wat waarnemers de beste regeringen na een lange periode van politieke kommer en kwel. Na de vorming van de regering Martens V vond ik opnieuw steun bij Grootjans. Willy De Clercq werd vice-premier en Minister van Financiën en er moest een nieuwe voorzitter gekozen worden. Als Grootjans gewild had dan had hij was hij dat met de vingers in de neus ook geworden, en als hij een andere generatiegenoot had naar voor geschoven dan was ook die man of vrouw zonder probleem verkozen geworden. Dat gebeurde niet, en toen ikzelf mijn kandidatuur stelde, gaf hij aan dat hij dat een goede optie vond. Doelbewust maakte hij op die manier de weg vrij voor een nieuwe generatie en een offensief liberalisme dat hij ook steeds zou verdedigen.

In een toespraak voor het von Mises-instituut op 28 mei 1984 te Brussel zei hij hierover het volgende, en ik citeer: “De eerste tekenen van dit réveil van het liberalisme werden reeds merkbaar toen, in 1968, aan de universiteiten in het Westen, de opstand tegen alle mogelijke vormen van paternalisme losbrak. Eerst moesten er de ouders, de universiteiten, de kerken, de syndicaten en de partijen aan geloven. Toen deze storm enigszins geluwd was kreeg gaandeweg de overheid en in het bijzonder de staat, als symbool van overdreven macht en onduldbare betutteling, de volle laag. De toon werd daarbij aangegeven vanuit enkele gezaghebbende Amerikaanse universiteiten, die vertrekkend vanuit de werken van von Mises, Hayek en anderen, een machtig pleidooi voor een nieuwe open samenleving hebben opgebouwd. Het opvallende daarbij is dat zij zich geenszins beperken tot het economische gebeuren. Ze zien - terecht trouwens - het liberalisme als een cultuurfenomeen dat het zelfbeschikkingsrecht van de mens op alle terreinen opnieuw als de hoogste waarde aanduidt.” Einde citaat. Tegen de stroom in verkondigde hij luid en klaar dat we nood hadden aan minder staat.

Juist in die jaren werd de overheidsschuld grondig afgebouwd, en samen met Frans Grootjans – die in 1985 Willy De Clercq verving als Minister van Financiën, werd voor de eerste maal een substantiële belastingsverlaging goedgekeurd. De meest intense periode waarmee ik met hem samenwerkte was bij het opstellen van de regeringsverklaring voor de regering Martens VI. Daarin werd een unieke passus opgenomen, en ik citeer: “dat de fiscaliteit noch de parafiscaliteit mogen verhogen en dat er geen nieuwe overheidsheffingen mogen komen. Het meerjarenplan inzake de belastingsverlaging wordt uitgevoerd.” Einde citaat. Daar heb ik aan de onderhandelingstafel voor gevochten, maar dat was nooit gelukt zonder het prestige en de stille diplomatie van Frans Grootjans, die samen met Herman De Croo aan mijn zijde zat. Het is de tweede reden waarom ik hem zo erkentelijk ben. Hij heeft me nooit ingetoomd, maar met al zijn charme en gezag onze politieke tegenstanders overtuigd dat ze het jonge veulen dat ik toen was, zijn gang moesten laten gaan om de staat ontvetten, iets waar ik als Minister van Begroting een erezaak van maakte.

Die wederzijdse waardering is nooit gestopt. Toen ik de latere rooms-rode regeringen bekampte stond hij aan mijn zijde. Zelfs op een ogenblik dat zowat iedereen zei dat ik te ver was gegaan. Midden de jaren negentig, na de Europese verkiezingen van 1994 en de federale verkiezingen van 1995, die we weliswaar lichtjes gewonnen hadden, maar die we toen aanvoelden als een nederlaag, trok ik mij als voorzitter van de VLD terug. Grootjans bleef me toen in alle stilte steunen. Hij wist dat de analyses die ik in mijn burgermanifesten had gemaakt juist waren, maar vond wel dat ik mijn temperament en mijn eigen grote gelijk moest intomen. En dat is hem ook gelukt. Ik besefte toen dat gelijk hebben, niet gelijk stond als gelijk krijgen. Nog eenmaal heeft Frans Grootjans mij toen op een cruciaal ogenblik in mijn politieke loopbaan geholpen. Toen ik in 1997 opnieuw kandidaat was voor het voorzitterschap van de partij. Dat gebeurde toen in Antwerpen. Bij die verkiezing had hijzelf geen enkel belang. Hij had zich, een jaar voor zijn overlijden, kunnen verontschuldigen of gewoon wegblijven. Maar dat deed hij bewust niet. Hij kwam naar de meeting waarop ik mijn kandidatuur kwam verdedigden, en opnieuw sloot hij zich bij me aan. Dat deed hij zonder enige reserve. Hij hield zelf een korte toespraak om mijn kandidatuur te ondersteunen. Heel zakelijk, onderkoeld, maar gedreven. Vanaf toen wist ik ook dat ik het zou halen. Zijn toespraak klonk toen als een testament. Het was zijn wil dat de partij het voortouw zou nemen in de politieke vernieuwing die we nadien gedurende acht jaar paars-groen en paars hebben kunnen verwezenlijken.

Grootjans vond, in tegenstelling tot vele andere politici, dat ideologieën wel degelijk een reden van bestaan hadden. Meer nog, hij vond ze noodzakelijk binnen een goed werkende democratie. Ik citeer hem even: “Ik weet dat het modieus klinkt te beweren dat de ideologieën hebben afgedaan. Zij die dat verkondigen hebben hun ideologie vervangen door een pragmatische opstelling, die vooral wordt ingegeven door de hoop op het verzamelen van het grootst mogelijk aantal stemmen. Dit pragmatisme laat niet alleen grote onzekerheid over het toekomstige gedrag van een politieke partij, maar ze dwingt de politici het tekort aan ideologie op te vullen door het teveel aan vedettecultus. Als men die richting verder inslaat zal een klare en duidelijke politieke keuze steeds meer worden vertroebeld en zal de geloofwaardigheid van de politieke partijen meer en meer worden aangetast, met als eindresultaat de teloorgang van het parlementair stelsel zoals wij dat nu nog kennen”, aldus Grootjans in zijn slotrede op het ideologisch congres van het Liberaal Vlaams Verbond op 28 mei 1988 te Antwerpen. Met die uitspraak keerde Grootjans zich al in een vroeg stadium tegen bepaalde vormen van opportunisme en populisme in de politiek.

Gedurende gans zijn leven heeft Grootjans het liberalisme verdedigd. Net als ikzelf gruwde hij van allerlei adjectieven die anderen willen toevoegen aan dit begrip. Denk aan het zogenaamde links-liberalisme, progressief liberalisme, sociaal-liberalisme, conservatief liberalisme, rechts-liberalisme, neoliberalisme, enzovoort. Wie dat doet, miskent in feite de sterke sociale en humane waarden van het liberalisme. Het liberalisme is in sé een progressieve en sociale ideologie die steeds op zoek gaat naar verandering en verbetering van het lot van iedereen, in het bijzonder van de zwakkeren in onze samenleving. Dat begreep Grootjans als geen ander. In zijn rede uitgesproken op de algemene vergadering van de PVV-vrouwen in december 1970 stelde hij het volgende, en ik citeer: “In heel wat citaten van liberale voormannen klinkt voortdurend de bezorgdheid door voor diegenen die, maatschappelijk bekeken, tot de minst begunstigden moeten gerekend worden. Dit sociaal aspect van de liberale levensopvatting - dat al te veel verwaarloosd wordt, ook in eigen rangen - mag niet verbazen. Precies omdat de liberaal, vooral gedreven door zijn verdraagzaamheid, steeds aan de kant van de zwakken te vinden moet zijn. De liberaal is ook steeds te vinden aan de zijde van diegenen die het bestaande, het gevestigde willen verbeteren. In feite staat hij dus voortdurend in de minderheid, want niemand kan ontkennen dat de meerderheid doorgaans de neiging vertoont zich vast te klampen aan datgene wat zij heeft verworven. De meerderheid tracht angstvallig te bewaren wat uit de vroegere contestatie geboren is. Deze behoudsgezindheid weegt niet alleen door in de politieke structuren en opvattingen. Zij is even drukkend aanwezig in de sociale en morele verhoudingen.” Einde citaat. En in zijn rede uitgesproken voor het von Mises-instituut op 28 mei 1984 te Brussel had hij het over de noodzaak van voortdurende verandering, en ik citeer: “Een open en vrije geest moet er steeds van uitgaan dat ‘le changement’ één der hoofdkenmerken is van de menselijke samenleving. Daarom ook zijn zij, die zich zo hardnekkig vastklampen aan ‘de verworven rechten’, de gevaarlijkste conservatieven. Want vooral zij beletten de vooruitgang.”

Dames en heren,

Ik ben blij met de oprichting van dit Centrum Frans Grootjans. De doelstellingen ervan zijn nobel en noodzakelijk. Laat mij nog even stilstaan bij de tweede doelstelling, namelijk ‘de bevordering van een nieuwe politieke cultuur waarin dialoog en wederzijds respect centraal staan’. Ik ga vandaag geen politieke uitspraken doen over wat zich de voorbije 18 maanden heeft afgespeeld in de Belgische politiek. Ik zal het houden bij twee citaten van Frans Grootjans die volgens mij bijzonder waardevol zijn voor het harmonieus samenleven in ons land. Het eerste citaat komt uit Volksbelang van 27 mei 1961: “We weten dat sommigen een terugkeer naar een rustige samenspraak tussen Vlamingen en Walen willen onmogelijk maken, want politiek hebben ze slechts iets te betekenen wanneer de beroering en de verwarring in stand kunnen worden gehouden. Het land zelf heeft hierbij echter alles te verliezen.” Einde citaat. Het tweede citaat komt uit zijn rede uitgesproken op de viering van 15 jaar PVV op 16 mei 1987 te Knokke: “Het politiek gehaspel der laatste weken - waarbij sommigen het wederzijdse communautair gestook steeds maar opdrijven - wekt bij de overgrote meerderheid van onze bevolking misprijzen en spot. Dat misprijzen en die spot zullen zich weldra keren tegen onze democratische instellingen zelf. Het gevaar groeit dat uiteindelijk uiterst rechtse en uiterst linkse groepen aan kracht en invloed zullen winnen. Wat in Frankrijk rondom de figuur Le Pen gebeurt, zou bij ons de ogen moeten openen van hen die menen dat men straffeloos aan de bevolking het beeld kan blijven tonen van politici die door hun brandstichtende taal en uitdagende houding dit land naar de volslagen ontreddering drijven.”

Moge dit laatste citaat de leidraad blijven voor ons allemaal en ons verder doen voortschrijden op de weg van het rationele en humane liberalisme. Niemand onder ons en al zeker de burger niet heeft ook maar iets te winnen bij het populisme, het nationalisme of eender ander welke andere politieke overtuiging die slechts stoelt op gespierde taal of ontspoorde emoties. Het is de rede en alleen de rede die ons mag leiden.


De auteur is Minister van Staat en gewezen eerste minister van België

Guy Verhofstadt

Guy Verhofstadt

Links
mailto:guy.verhofstadt@openvld.be
Share |

Nieuwsbrief

Schrijf je in op onze wekelijkse nieuwsbrief door hieronder je e-mailadres in te vullen.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be