De rechtsplegingsvergoeding als grendel op justitieessay vrijdag 03 oktober 2008Annelies Keirsmaekers
Justitie in al haar facetten heeft het reeds geruime tijd hard te verduren. Bovenal in de publieke opinie – met recent nog de ontsnapping van Norrdin Ben Allal – maar wat belangrijker is, ook in haar interne werking en organisatie door het haastige kunst- en vliegwerk die de nieuwe wet op de wegwerking van de gerechtelijke achterstand stilaan blijkt te zijn. De publieke opinie en derhalve ook het politieke debat verengt justitie bijna uitsluitend tot het strafrecht, terwijl net de burgerlijke procedures het zwaartepunt binnen de werklast van het justitieel apparaat vormen en een vlotte en efficiënte werking en procesafhandeling in deze van cruciaal belang is in een liberale samenleving en haar economie. Door de wijzigingen in de procedurevoering die deze wet oplegt worden de griffies overstelpt met werk en blijkt de gerechtelijke achterstand zich veeleer verder op te bouwen dan te worden weggewerkt. De trage rechtspleging is in de eerste plaats de oorzaak van de hallucinante resultaten die de justitiebarometer telkens aangeeft. Een justitieel apparaat dat het vertrouwen geniet van haar rechtsonderhorigen heeft een rechtstreekse positieve invloed op het consumentenvertrouwen en de ondernemingszin, het vertrouwen in de democratie, het aantrekken van buitenlandse investeringen etc. Justitie moet in al haar inhoudelijke complexiteit – die overigens noodzakelijk is – organisatorisch uitblinken in eenvoud en transparantie, zodat zij de betrouwbare derde macht en derhalve de veilige baken voor het individu dat zich in conflict met hetzij “de instituties” hetzij een ander individu bevindt, vormt. Uniformiteit en efficiëntie zijn daarom ordewoorden bij een noodzakelijke hervorming van het burgerlijk en – opnieuw – het gerechtelijk wetboek. De nieuwe wet laat bij een strikte interpretatie ook geen ruimte voor de schriftelijke procedure zoals die bij het Hof van Cassatie gevoerd wordt en ook bij enkele andere rechtbanken volgens plaatselijke costuimen wordt toegepast. Deze schriftelijke procedure laat een snelle rechtsgang toe, waarbij alle actoren de maximaal de mogelijkheid wordt geboden aan timemanagement te doen. Bij de hervorming van de burgerlijke procedure dient evenwel bij uitstek rekening te worden gehouden met wat de uitgebreide praktijkervaring biedt. Daarbij heeft de schriftelijke procedure zich uiterst efficiënt en praktisch betoond. In de rechtbank van eerste aanleg van Mechelen, waar een vorm van schriftelijke procedure wordt gehanteerd, is gerechtelijke achterstand een – voorlopig – ongekende kwaal. Bij een dergelijke procedure wordt enkel bij complexe dossiers die bijkomend uitleg behoeven gepleit, zij het dan in een zeer tijdsefficiënte vorm waarbij de magistraat in kwestie het dossier vooraf noodgedwongen heeft bestudeerd en louter aan de hand van zijn/haar vragen toelichting dient te worden gegeven. Dit laat de magistratuur de nodige vrijheid om aan effectief timemanagement te doen en zich bij uitstek op haar core-business toe te leggen, met name de contemplatie van de haar voorgelegde betwistingen en het voorzien in correcte, weloverwogen, oplossingen en beslissingen binnen een aanvaardbaar tijdsbestek. Samen met de wet op de wegwerking (?) van de gerechtelijke achterstand, werd een tweede paard van Troje binnengehaald in de procesorganisatie: de nieuwe verhoogde rechtsplegingsvergoedingen. In de discussie omtrent de (on)mogelijkheid voor de winnende procespartij om de erelonen van haar advocaat te verhalen op de verliezende partij, koos te wetgever ervoor de rechtsplegingsvergoeding als vehikel hiervoor te hanteren. Waar deze vergoedingen voorheen een eerder symbolische waarde hadden, werden zij nu opgetrokken tot – voor de particulier vaak zeer hoge – hogere bedragen die stijgen in verhouding met de grotere inzet van de gevoerde procedure. Eerst en vooral is het betwiste bedrag vaak niet de meest opportune leidraad om de compensatie van de advocatenerelonen op te enten – een geschil over een bedrag van € 25.000 kan vaak even eenvoudig zij als dat over € 250. Daarnaast heeft de omvang van de rechtsplegingsvergoeding voor procedures die niet een bepaalbare som betreffen, soms bizarre en contradictorische gevolgen. Zo is bijvoorbeeld in de nieuwe, toegankelijke, schuldloze echtscheidingsprocedure op grond van 1 jaar feitelijke scheiding de vragende partij een rechtslegingsvergoeding verschuldigd aan de toekomstige echtgeno(o)t(e) van € 1.200. Waarom? Op grond waarvan? Men wil enerzijds de echtscheidingsprocedure niet nodeloos compliceren, doch anderzijds wordt de eisende partij wel voor een soort van boetebeding geplaatst… Het grootste bezwaar, dat niet alleen praktisch maar ook ideologisch geïnspireerd is, is evenwel de verminderde toegang tot de rechter voor de individuele burger. De particuliere rechtsonderhorige zal immers niet snel geneigd zijn ontevredenheid met een bestaande situatie die door hem als onrechtvaardig wordt ervaren voor te leggen aan een onpartijdige en objectieve rechter, maar daarentegen eieren voor zijn geld kiezen. Immers is in het merendeel van de potentiële procedures moeilijk vooraf in te schatten welke de kansen op winst dan wel verlies zijn. Daar staat tegenover dat het een van de belangrijkste taken van justitie is, niet alleen recht te spreken en onrecht ongedaan te maken, minstens in de mate van het mogelijke te herstellen, maar tevens procespartijen een geschil op een aanvaardbare en dus gemotiveerde manier te doen verliezen en op die manier een frustratie weg te nemen bij de burger. In het huidige, nieuwe stelsel van rechtsplegingsvergoedingen wordt het Dame Justitia zeer moeilijk gemaakt deze rol te vervullen en riskeert men een gevoel van ontevredenheid te creëren bij de verscheiden conflictspartijen en rechtsonderhorigen nu deze niet langer de mogelijkheid heeft om zijn geschil voor te leggen aan de rechter. De vraag is of de compensatie van de advocatenkosten voor de winnende procespartij de prijs van een verminderde toegang tot justitie waard is? Het liberale en het enige rechtvaardige antwoord is klaar en duidelijk ‘neen’. Handelen, onderhandelen en contracteren met andere individuen houdt nu eenmaal steeds het risico op conflict in zich met alle kosten van dien.
Annelies Keirsmaekers Annelies Keirsmaekers Linksmailto:annelies@keirsmaekers.com |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|