Gedreven door de demografische evolutie en door de globalisatie heeft de wereld de jongste decennia een versnelling van de economische groei beleefd. Dank zij een efficiënte inschakeling in de wereldeconomie en een dynamische en steeds hoger opgeleide bevolking zijn een reeks, voornamelijk Aziatische, landen er in geslaagd op korte termijn grote groepen van hun bevolking uit de armoede op te tillen. Ze zijn aldus de nieuwe economische motor van de wereld geworden. Dit is (althans tot nu toe) niet ten koste gegaan van de welvaart in de westerse wereld, zoals sommigen gevreesd hadden, wel integendeel. Elke dag wordt echter duidelijker welke druk de combinatie van economische groei en bevolkingstoename op onze planeet legt. Volgens de huidige voorspellingen zullen we in 2050 met 9 miljard zijn, met daarna misschien een stabilisatie van de wereldbevolking. Wij zullen dus de komende 40 jaar nog voor bijna 3 miljard meer mensen het nodige voedsel, water, energie en andere grondstoffen moeten vinden. We zullen dit moeten doen in een context waarin het Westen niet langer prioritair aanspraak zal kunnen maken op de rijkdom en op de hulpbronnen. In een begrensde biosfeer, zoals onze planeet, is ook de materiële groei onderhevig aan beperkingen. De laatste eeuwen is de mens steeds in staat geweest deze beperkingen te overstijgen door zijn technologisch vernuft, maar ook door een steeds groter beslag te leggen op natuurlijke hulpbronnen waarvan het einde niet in zicht leek. Door de exponentiele aard van de demografische en economische groei, komt het einde nu echter wel in zicht. Niet voor morgen, niet voor overmorgen, maar wel voor de komende generaties. Het streven om een begrensde biosfeer te blijven verzoenen met méér materiele welvaart zal dus moeizamer worden. De zoektocht naar deze verzoening heeft een naam: duurzame ontwikkeling. Vandaag is onze wereld niet duurzaam. Duurzaamheid, gedefinieerd als het vermogen om een bepaald gedrag of een bepaalde activiteit voort te zetten op lange termijn, is vandaag niet meer echt kenmerkend voor onze maatschappij. De versnelde consumptie van onze eindige voorraad aan fossiele brandstoffen, de geleidelijke uitputting van de andere grondstoffen, de vernietiging van belangrijke ecosystemen waarop we aangewezen zijn voor het aanleveren van water en voedsel, de klimaatverandering, zijn allemaal ontwikkelingen die de duurzaamheid van onze huidige levensvormen in het gedrang brengen. De vraag is niet of aan deze evoluties ooit een einde komt. Niet-duurzame ontwikkelingen komen per definitie tot een einde. De vraag is wel of we ze tijdig kunnen ombuigen om een “hard landing” te vermijden. Duurzame ontwikkeling is voor mij geen modewoord, maar wel een noodzaak. Het is een proces dat ons geleidelijk maar tijdig naar een duurzame samenleving moet leiden. De uitdaging is groot, omdat ze globaal van aard is en dus een aanzienlijke mate van internationale samenwerking en convergentie vereist. Ze is groot omdat ze een zeer belangrijke technologische innovatie zal vereisen op relatief korte termijn. Ze is ten slotte ook groot omdat het erom gaat bepaalde beperkingen te aanvaarden ten voordele van toekomstige generaties. Duurzame ontwikkeling is immers een vorm van inter-generationele solidariteit, en deze wordt in de hedendaagse samenleving niet altijd goed aanvaard. Duurzame ontwikkeling zal vereisen dat in de eerste plaats de burger een mentaliteitswijziging ondergaat en dat de overheid op alle niveaus de kennis heeft en de moed opbrengt om doeltreffende maatregelen op te leggen. Maar ondernemingen en ondernemers hebben eveneens een beslissende rol te spelen in dit proces. De markt alleen zal niet alle vragen kunnen oplossen, maar zonder ondernemingszin en innovatie zullen we er zeker niet uitgeraken. Ondernemingen moeten dus gezien worden als een deel van de oplossing, veeleer dan als een primaire oorzaak van de problemen. Ondernemingen, en met name de industrie, geven trouwens vandaag reeds een beter voorbeeld dan vele andere maatschappelijke actoren. Zo heeft de industrie in België tussen 1990 en 2005 haar uitstoot van broeikasgassen met 14% verminderd, terwijl de transportsector en de gebouwen in dezelfde periode hun emissies merkbaar hebben zien toenemen. Indien België zijn Kyoto-doelstellingen haalt, zal het dus zijn dankzij de industrie en niet dankzij de burger. Meer in het algemeen ben ik ervan overtuigd dat de ondernemingen duurzame ontwikkeling in de eerste plaats moeten zien als een strategische opportuniteit. Uiteraard zullen er ook nieuwe beperkingen uit voortvloeien, maar de meest succesvolle ondernemingen zullen juist die zijn welke de inspanning doen om tijdig op die beperkingen te anticiperen, die zich hierop het snelst voorbereiden, en dit zien als een terrein om te innoveren en zich te differentiëren. Het zullen ook deze bedrijven zijn, die in een war for talent de beste mensen aan zich zullen weten te binden. Ik ben dan ook zeer verheugd dat het VBO het initiatief nam om de recente European Business Summit onder het thema van greening the economy te organiseren. Ik geloof immers heel sterk dat Europa de ambitie kan en moet hebben om een clean technology leader te worden. Het heeft daartoe verschillende troeven in handen: een grote reeds beschikbare kennis, een groter maatschappelijk draagvlak dan in andere regio’s en de ervaring met supranationale samenwerking. Europa heeft jammer genoeg vele kansen verkeken op ICT-gebied, maar laten we er alles aan doen om van schone technologieën een succesverhaal te maken. Ondernemingen en hun federaties zullen ook nóg meer moeten investeren in de dialoog met de overheid op alle niveaus om een doeltreffende, pragmatische en wetenschappelijk onderbouwde regulering tot stand te brengen. Het is uiteraard de taak van een democratische overheid om zelf de tegenstrijdige belangen af te wegen en de regels vast te leggen, maar de vraagstukken die op ons afkomen zijn zodanig complex, dat men alleen met de inbreng van álle actoren tot haalbare en goede oplossingen kan komen. Hierbij moet men oog hebben voor het potentieel van innovatie, het oordeelkundig aanwenden van marktmechanismen, en het doordacht afwegen van de mogelijke reguleringsmechanismen. De ondernemingen mogen dus niet reactief en hoeven ook niet steeds defensief te kijken naar regulering, maar moeten blijven investeren in expertise en dialoog, met name via hun federaties. Om deze verdere opbouw van expertise betaalbaar te houden voor onze ondernemingen is het trouwens ook een must dat de vele spelers in het ondernemerslandschap hun krachten bundelen. De overheid moet evenzeer nog meer oog hebben voor kwaliteitsvolle regelgeving en zich beperken tot het werkelijk noodzakelijke. Het komt mij voor dat niet alle van de zowat 60.000 pagina’s die in 2007 in het Belgisch Staatsblad zijn gepubliceerd aan deze vereisten voldoen. Binnen de talrijke ecologische uitdagingen vormen het energievraagstuk en de hiermee verbonden klimaatproblematiek wellicht de grootste bedreiging voor onze welvaart hier en voor verdere welvaartscreatie elders in de wereld. De druk op de wereldenergievoorziening die gelegd wordt door de blijvend hoge vraag in de geïndustrialiseerde wereld en de exploderende vraag van landen die nu pas in de meest energie-intensieve fase van hun ontwikkeling komen is enorm. Bij ongewijzigd beleid gaat de wereldvraag naar energie met een verdere 60 procent stijgen tegen 2050. Dit zou op zich al een enorme uitdaging naar bevoorrading toe zijn, ook met verregaande geopolitieke gevolgen. Als dit echter het enige probleem was, zou men nog het risico kunnen nemen om te wachten tot de marktmechanismen hun rol spelen en energie duur genoeg wordt zodat we wereldwijd leren om er veel zuiniger mee om te springen en om hernieuwbare energie de tijd te geven om kostencompetitief te worden. Hierbij komt echter het feit dat het overgrote deel van die additionele vraag in de komende decennia zou geproduceerd worden uit steenkool, als de nog meest overvloedig voorradige en dus relatief goedkopere primaire energiebron. Dit is echter de route die naar de grootste CO2-emissies leidt en dus voor het klimaat het meest nadelig is. De hoofdlijnen van de noodzakelijke respons op deze cruciale problematiek zijn bekend. Zij werden in grote mate door Europa gearticuleerd. De moeilijkheid ligt in de snelheid van omzetting ervan. Eerst en vooral is er de noodzaak van een nog grotere nadruk op energiebesparing. Ondanks vele aanmoedigingen en inspanningen terzake, laten burgers en bedrijven nog enorme opportuniteiten onbenut. Ten tweede is er de noodzaak van een veelheid aan investeringen in innovatie om processen en producten eco-efficiënter te maken, om hernieuwbare energie competitiever te maken, en om de mogelijkheid van CO2-sekwestratie te onderzoeken. Zowel de overheid als de privé-sector moeten hier hun verantwoordelijkheid ten volle nemen. Ten derde is er een internationaal akkoord nodig om de emissie van broeikasgassen terug te dringen en de kosten van de emissies te internaliseren op een zo voorspelbaar mogelijke wijze. Europa heeft hierbij terecht de leiding genomen, maar het is cruciaal dat in het post-Kyoto regime ook de andere belangrijke wereldregio’s daadwerkelijk in de inspanning delen – want leiderschap is slechts zinvol indien men ook gevolgd wordt. Ten vierde hebben we behoefte aan een beleid dat op korte termijn een optimale, low carbon energiemix bevordert. Bio-brandstoffen van de eerste generatie horen niet thuis in een dergelijke energiemix, althans wat West-Europa betreft, nu studie na studie aantoont dat zij een zeer bedenkelijke CO2-balans vertonen. Hier mogen landbouwbelangen niet vermengd geraken met energiepolitiek. Dit mag ons er evenwel niet van weerhouden de bio-brandstoffen van de tweede generatie alle kansen te geven. Kernenergie hoort daarentegen wel thuis in een dergelijke low carbon energiemix. Kernenergie is geen ideale oplossing, maar het is wel een beheersbaar alternatief voor de komende decennia. Een groeiend deel van de internationale milieubeweging (en zeker de jonge generatie) ziet dit ook in, en verkiest de opslag van kernafval boven het uitstoten van méér CO2. Anderen hebben meer moeite om afstand te nemen van de gefossiliseerde fetisj van de groene beweging van mijn studentenjaren. De voorstellingswijze van sommigen alsof de keuze ligt tussen óf kernenergie óf hernieuwbare energie, getuigt van onkunde of van weinig intellectuele eerlijkheid. Hernieuwbare energieën zullen in de komende decennia slechts in een beperkt, maar wel groeiend deel van onze energiebehoeften voorzien. Zij zullen succes kennen voorzover ze in een initiële fase effectief ondersteund worden en ze geleidelijk aan goedkoper worden. Het overgrote saldo van onze electriciteitsbevoorrading zal in de afzienbare toekomst echter nog ofwel uit kernenergie ofwel uit fossiele brandstoffen opgewekt worden. Een keuze tegen kernenergie is dus een keuze voor meer steenkool of aardgas, dus voor meer CO2. Voor mij is de vraag dus niet of men de exploitatie van de kerncentrales verlengt, maar wel hoe men dit op een verstandige manier doet en hoe men de vrijgekomen marge aanwendt.
Thomas Leysen Thomas Leysen Linkshttp://www.vbo-feb.be/ |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|