Zullen er nog jobs zijn voor laaggeschoolden in Vlaanderen? Dit zou volgens de klassieke economische theorie sterk te betwijfelen zijn. Evenwel is de klassieke economische theorie, misschien gelukkig, aan nuancering toe. Een werkverzekering kan helpen om optimaal gebruik te maken van de mogelijkheden voor het creëren van nieuwe en goede banen voor laaggeschoolden. Volgens de klassieke economische theorie zou men een onderscheid moeten maken tussen sectoren die kapitaalsintensief zijn en sectoren die arbeidsintensief zijn. De afgelopen 25 jaar is, door de intrede van nieuwe spelers zoals China, het aantal werknemers ter wereld verviervoudigd. Arbeid is elders stukken goedkoper. Door de liberalisering van de wereldhandel in goederen, de opkomst van de informatie- en communicatietechnologie en goedkopere transportkosten is het veel gemakkelijker geworden om goederen elders te produceren en van daaruit in te voeren. Veel arbeidsintensieve activiteiten zouden dan ook verdwijnen uit bijv. West-Europa en verhuizen naar landen met lagere lonen. In West-Europa zou dit leiden tot jobverlies in de industrie en tot kapitaalstromen vanuit de industrie naar andere sectoren, zoals de dienstensector, die minder te lijden zouden hebben onder de wereldwijde concurrentie. De realiteit op het terrein laat evenwel andere zaken zien. De recente literatuur over offshoring wijst dit uit. Offshoring is het verplaatsen van taken naar andere landen, meestal lagereloonlanden. Dit fenomeen brengt een aantal nuanceringen aan de klassieke economische theorie aan. Zo zouden, volgens de traditionele opvatting, vooral de jobs voor lagergeschoolden verhuizen naar de lageloonlanden. De jobs voor hogergeschoolden zouden daarentegen hier blijven. Dit onderscheid tussen laaggeschoolde en hooggeschoolde banen is door offshoring echter minder relevant. Het is voortaan beter om een onderscheid te maken tussen persoonsgerichte en niet-persoonsgerichte banen. Persoonsgerichte banen zijn banen die een persoonlijk contact tussen mensen vereisen of die beroep doen op de creatieve menselijke geest. Niet-persoonsgerichte banen zijn dan banen die weinig interactie tussen mensen vragen of die routinematig kunnen worden uitgevoerd. Niet-persoonsgerichte banen zijn banen die makkelijk door computers kunnen worden overgenomen. Dergelijke banen kunnen echter even goed door lager betaalde mensen in het buitenland worden overgenomen. Niet-persoonsgerichte banen zijn dus veel vatbaarder voor verhuis naar het buitenland. Niet-persoonsgerichte banen betreffen zowel jobs voor laaggeschoolden als jobs voor hooggeschoolden. Het gaat niet alleen om typistes en telefonisten. Het gaat even goed om accountants, ingenieurs, wetenschappelijke onderzoekers en computerprogrammeurs. Het onderscheid tussen persoonsgerichte en niet-persoonsgerichte banen heeft dan ook zo zijn invloed op de sectoren. Het zijn voornamelijk dienstensectoren die het meeste last kunnen ondervinden van offshoring naar lagereloonlanden. Daarbij gaat het om ICT, financiële diensten, wetenschappelijk onderzoek en de groothandel. Veel taken binnen deze sectoren vragen inderdaad weinig interactie tussen mensen of kunnen makkelijk door een computer worden uitgevoerd. Sectoren die het minst kunnen verhuizen naar het buitenland zijn de bouw, afvalverwerking, de gezondheidszorg, het onderwijs, de horeca en de landbouw. Voor gezondheidszorg, onderwijs en horeca is een persoonlijk contact tussen mensen nodig. Voor de andere sectoren als de bouw en de landbouw geldt dat ze enkel maar ter plaatse kunnen worden uitgeoefend. Deze sectoren zijn juist sectoren waar nog veel plaats is voor laaggeschoolden. Deze vaststellingen tonen aan dat de globalisering stilaan in een tweede fase terechtkomt. Tot in de negentiende eeuw maakten de kosten verbonden aan het vervoeren van goederen, mensen en ideeën dat goederen werden geproduceerd op de plaats waar ze werden verbruikt. Toen in de negentiende eeuw de transportkosten fors begonnen dalen, kon de eerste fase van de globalisering intreden. Goederen konden nu op één plaats geproduceerd worden en door middel van snel en goedkoop vervoer verplaatst worden naar de plaats van consumptie. Door ICT zijn echter nu ook de kosten verbonden aan het vervoeren van ideeën fors beginnen dalen. Informatie kan nu snel en zonder veel kosten circuleren van het ene einde van de planeet naar het andere einde. Hierdoor kunnen bepaalde taken nu even goed en aan een veel goedkopere prijs in andere landen worden uitgevoerd. ICT maakt het eveneens makkelijker om vanuit één plaats controle uit te oefenen over alle activiteiten op alle andere plaatsen. In deze tweede fase van de globalisering is het dan ook niet langer meer nodig om alle taken op één en dezelfde plaats uit te voeren. Deze opsplitsing of ontvlechting van taken deed zich eerst voor in de industrie. Deze evolutie begint zich nu meer en meer te manifesteren in de dienstensector. Tevens zouden, door de verhuis van activiteiten naar het buitenland, de reële lonen van laaggeschoolde werknemers in de ontwikkelde lonen moeten dalen of minstens gelijk blijven. Er zou namelijk minder vraag moeten zijn naar laaggeschoolde arbeid in de ontwikkelde landen. Dergelijk werk wordt immers nu in het buitenland gedaan. De evolutie van de reële lonen voor laaggeschoolde werknemers in de Verenigde Staten tussen 1997 en 2004 laat echter een totaal ander beeld zien. Ze zijn licht blijven stijgen, hoewel ze minder snel toenamen dan de reële lonen voor meer geschoolde werknemers. Offshoring heeft immers een gunstig effect op de productiviteit in de ontwikkelde landen. Ondernemingen maken meer winst doordat ze goedkoper in het buitenland produceren. Er is dan ook meer ruimte voor investeringen, ook in de ontwikkelde landen. Deze investeringen komen ook laaggeschoolde werknemers in die landen ten goede. Als gevolg van deze investeringen gaan ze arbeid verrichten die meer toegevoegde waarde creëert. Met dergelijke meer productieve arbeid gaan hogere lonen gepaard. Als de stijging van deze lonen hoog genoeg is, kan die de negatieve effecten van het verhuizen van activiteiten naar het buitenland opheffen. Hoe moet men daar als beleidsmaker mee omgaan? Aan de ene kant is er goed nieuws. Er blijven nog mogelijkheden voor goede banen voor laaggeschoolde werknemers. Aan de andere kant is er ook minder goed nieuws. Ook banen voor hoger geschoolden kunnen meer onder druk komen te staan. Bovendien kunnen er nu in alle sectoren belangrijke jobverschuivingen plaatsvinden. Een begin van antwoord kan misschien gevonden worden in de observatie dat de vrijmaking van de wereldhandel tot nu toe niet geleid heeft tot veel jobverschuivingen tussen sectoren. Jobverschuivingen blijven zich nog altijd situeren binnen sectoren. Voor beleidsmakers is dit een verheugende vaststelling. Het mag immers worden aangenomen dat het voor werknemers stukken moeilijker is om een nieuwe baan in een andere sector te vinden dan van werkgever te veranderen binnen dezelfde sector. Om een nieuwe baan in dezelfde sector te vinden is bijvoorbeeld niet zo veel herscholing nodig dan als men van sector zou moeten wisselen. Het is dus niet zo dat als gevolg van meer buitenlandse concurrentie hele sectoren gedoemd zijn te verdwijnen. Jobverschuivingen vinden binnen de sectoren zelf plaats, tussen bedrijven die in staat zijn om het hoofd te bieden aan de scherpere concurrentie en bedrijven die daar niet toe in staat zijn. Bedrijven die zelf exporteren behoren eerder tot de eerste groep. Uitvoerende ondernemingen blijven meer personeel aanwerven en hebben meer kansen om te overleven dan ondernemingen die niet uitvoeren. Een belangrijke factor om tot export over te gaan is een hoge productiviteit. Bedrijven worden niet productief, omdat ze exporteren. Bedrijven exporteren eerder omdat ze al productief zijn en om die reden een grotere afzetmarkt zoeken. Dit wordt bevestigd door de constatatie dat de productiviteit vooral stijgt voordat men met exporteren start. De productiviteit neemt veel minder toe eenmaal men begonnen is met uitvoeren. Het komt er dus op aan om de arbeidsmobiliteit binnen sectoren te bevorderen zodat werknemers tijdig kunnen overstappen naar een nieuwe performante werkgever. Een werkverzekering kan hiervoor een probaat middel zijn. Een reden waarom mensen die ontslagen worden enige tijd in de werkloosheid blijven, is dat ze op zoek zijn naar een job die hen hetzelfde loon opbrengt als het loon dat ze verdienden bij hun vorige baan. Pas na enkele weken of maanden gaan ze op zoek naar een baan waaraan een lager loon verbonden is. Intussen zijn ze echter wel die tijd niet meer beroepshalve actief geweest. Daardoor nemen evenwel hun kansen om een nieuwe baan te vinden af. Op de hedendaagse arbeidsmarkt komt het er immers op aan om door effectieve arbeidsprestaties de nodige professionele vaardigheden te ontwikkelen en te onderhouden (training on the job). Door de werkloosheidsperiode zijn deze vaardigheden er juist op achteruit gegaan. Daardoor zijn ze benadeeld tegenover andere werkzoekenden die wel onmiddellijk inzetbaar zijn doordat ze direct overstappen van de ene naar de andere job. De werkverzekering is nu bedoeld om het snel overstappen van de ene naar de andere job te bevorderen ondanks loonverlies. De werkverzekering is een aanvulling op het loon dat men met de nieuwe baan verdient. Dit loon is lager dan het loon in de vorige job. De aanvulling vangt dan een deel van dit loonverlies op. Men kan bijvoorbeeld denken aan een aanvulling die 50 % van het loonverlies opvangt. Men kan ook een maximaal bedrag per jaar vastleggen (bijvoorbeeld 7.500 euro per jaar). Gedurende twee jaar na het verlies van de vorige baan zou men voor de werkverzekering in aanmerking komen. De effectieve betaling van de aanvulling begint echter maar zodra men een nieuwe job heeft gevonden. Vindt men al na 2 weken een nieuwe baan, dan kan men de werkverzekering voor 1 jaar en 50 weken ontvangen. Vindt men pas na 2 maanden een nieuwe baan, dan kan men de werkverzekering voor 1 jaar en 10 maanden krijgen. Zo wordt het snel vinden van een nieuwe baan echt gestimuleerd. De werkverzekering kan na twee jaar wegvallen, omdat in die tijd de werknemer in zijn nieuwe baan genoeg vaardigheden en ervaring heeft opgebouwd. Deze vaardigheden en ervaring zorgen er dan voor dat het loonverlies zo goed als volledig is weggewerkt. Hierdoor ontstaat een win-winsituatie voor de werknemer, het bedrijfsleven en de overheid: (1) De werknemer vindt snel een nieuwe baan, waardoor zijn professionele vaardigheden op peil blijven en hij snel kan doorgroeien in zijn nieuwe betrekking. Vooral voor lager geschoolde arbeiders in de industrie zou de werkverzekering de kansen op de arbeidsmarkt substantieel verbeteren. (2) Voor bedrijven kan het helpen om snel meer kandidaten voor knelpuntvacatures te krijgen, waardoor ze niet meer in hun groei worden afgeremd. Voor vele knelpuntberoepen is geen hoge scholing vereist. (3) Voor de overheid kan het besparen op de werkloosheid, omdat er minder werkloosheidsuitkeringen moeten worden betaald. Tegelijkertijd is de werkverzekering een goed voorbeeld van hoe de sociale zekerheid de economie kan ondersteunen. De werkverzekering zorgt ervoor dat er nog altijd een vangnet is voor werknemers die buiten hun wil om hun job verliezen. Tegelijkertijd zorgt ze ervoor dat ze zich zo snel mogelijk op de arbeidsmarkt begeven, zodat vacatures, vooral knelpuntvacatures, sneller kunnen worden ingevuld.
Lieven Monserez Lieven Monserez Linksmailto:lieven.monserez@telenet.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|