Het rapport Magits: goed maar half werk

essay vrijdag 11 februari 2011

Patrick Loobuyck

De godsdienstvrijheid en de scheiding tussen kerk en staat zijn algemene principes die in de praktijk op uiteenlopende wijze geïmplementeerd worden. Er bestaan dan ook evenveel kerk-staat regimes als er landen zijn. Ook België heeft een eigen systeem dat gegrondvest is in haar ontstaansgeschiedenis en constitutionele traditie. Sinds 1825 konden liberalen en katholieken het steeds beter met elkaar vinden in de strijd tegen de bemoeizuchtige godsdienst- en schoolpolitiek van de protestantse koning Willem I. Een monsterverbond tussen beide partijen heeft tot de Belgische onafhankelijkheid geleid en ligt aan de basis van één van de meest liberale constituties van die tijd, die heel expliciet de vrijheid van godsdienst, organisatie en onderwijs bevatte. Tegelijk zette de constitutie de krijtlijnen uit voor positieve ondersteuning van de godsdienst – toen was dat zogoed als uitsluitend het katholicisme. Kenmerkend voor het Belgische systeem is de combinatie van vrijheid én positieve ondersteuning van levensbeschouwingen.

Op dit moment zijn zeven levensbeschouwingen erkend (in casu het Rooms-katholicisme, protestantisme, Anglicanisme, Orthodox christendom, Jodendom, islam en niet-confessioneel vrijzinnig humanisme) en deze genieten tal van privileges: bezoldiging van bedienaars van de eredienst en van morele begeleiders en aalmoezeniers; financiering van levensbeschouwelijke vakken in het officieel onderwijs; media uitzendtijd; subsidies voor materiële goederen en huisvesting voor bedienaars van de eredienst. Er is echter een probleem: verschillende levensbeschouwingen worden verschillend behandeld en het loon dat de betrokkenen krijgen is afhankelijk van de levensbeschouwing waartoe men hoort. Een vorige commissie van wijzen (commissie Mortier-Rigaux, 2005-6) had al expliciet op deze unfaire ongelijkheid gewezen die het resultaat is van een allegaartje van regelgeving die onvoldoende op elkaar is afgestemd. Bovendien zijn de criteria die op dit moment gebruikt worden om levensbeschouwingen te erkennen te vaag. Om erkend te worden, moeten levensbeschouwingen een groot aantal (‘verschillende tienduizenden’) aanhangers vertegenwoordigen, gestructureerd zijn, enige tijd (‘verschillende decennia’) in België gevestigd zijn, een maatschappelijk belang vertegenwoordigen en niet tegen de maatschappelijke orde indruisen.

Dinsdag 1 februari 2011 heeft de Werkgroep-Magits die moest nadenken over de hervorming van de wetgeving met betrekking tot de erkende levensbeschouwingen verslag uitgebracht in de kamercommissie Justitie. De werkgroep heeft binnen haar mandaat goed werk geleverd. De juristen stellen duidelijke criteria voor opdat een levensbeschouwing erkend zou kunnen worden en ze pleiten voor eenzelfde statuut, eenzelfde loon en pensioen voor de ‘werknemers’ van de verschillende levensbeschouwingen. Bovendien bouwt men de mogelijkheid in dat (kleinere) levensbeschouwingen die hier minstens vijf jaar zijn zich registreren en hierdoor belastingsvoordeel genieten. Dit kan als opstap gebruikt worden om later tot een erkenningsaanvraag over te gaan om zo ook van alle andere bijhorende (financiële) voordelen te genieten. De werkgroep stelt ook voor om om de tien jaar de bevolking te bevragen zodat de middelen op basis van het aantal aanhangers kan worden verdeeld. Dit is zonder meer een stap vooruit gezien het huidige systeem de katholieke kerk nog steeds als primus inter pares (eerste onder gelijken) behandelt. Hoewel de katholieke kerk al lang niet meer het aantal priesters heeft waar ze recht op heeft, gaat ze toch lopen met een onrechtmatig groot deel van de financiële koek. Kortom het voorstel van de Werkgroep-Magits is interessant voor wie het huidige systeem wil enten op meer gelijkheid en het hierdoor rechtvaardiger wil maken. So far so good. Toch blijf ik na het doorlezen van het rapport ontgoocheld achter. De commissie had verder moeten (kunnen) gaan. De samenleving is immers grondig veranderd en de plaats die levensbeschouwing inneemt is gewijzigd in vergelijking met enkele decennia geleden, laat staan in vergelijking met 1831. Waarom zouden we dan niet eens het anachronistische systeem zelf in vraag mogen durven stellen? Of mag er over de verworven voordelen en belangen van de erkende levensbeschouwingen geen debat gevoerd worden? Het rapport blijft gevangen in een verzuilde, corporatistische logica. De Werkgroep-Magits stelt op verschillende plaatsen dat alle voordelen die erkende levensbeschouwingen hebben gevrijwaard moeten worden. Dit betekent dat ook de boeddhisten straks zendtijd krijgen op radio en televisie en een vak mogen geven in het officieel onderwijs.

Dat de Werkgroep-Magits niet aanstuurt op een fundamentele discussie over de kerk-staat verhouding in België is een gemiste kans. Is er nog een maatschappelijk draagvlak voor kerkfinanciering? Is het in een gediversifieerde, geseculariseerde en gedetraditionaliseerde samenleving nog zinnig om een onderscheid te maken tussen erkende en niet-erkende levensbeschouwingen? Wat met bepaalde uitzendingen door derden waar de meeste luisteraars geërgerd van wegzappen? De argumenten (privacy en té moeilijk) die de Werkgroep gebruikt om niet over een kerkbelasting of over een bevraging via de gemeentelijke stembrief te willen spreken, overtuigen me allerminst. Het rapport zegt ook niets over artikel 24 van de grondwet. Ook dat is een gemiste kans. De discussie over de levensbeschouwelijke vakken is aan de gang maar wordt gefnuikt door deze grondwettelijke bepaling die stelt dat alle officiële scholen alle erkende levensbeschouwingen moeten aanbieden. Heel wat ouders, schooldirecteurs, leerlingen stellen dit segregatiesysteem in vraag. Het levensbeschouwelijk onderwijs is een post die heel veel geld kost en waar de kerk-staat verhouding heel manifest aan de orde is, maar er wordt in het lijvige rapport met geen woord over gerept.

Wat mij betreft is het tijd om de kerk-staat verhouding eens grondig te overdenken en op de rails te zetten voor de 21ste eeuw. Het systeem consistenter maken en zo het status-quo behouden is onvoldoende. Het werk dat gedaan is, is dus goed. Alleen spijtig dat men maar half werk heeft mogen leveren.


De auteur is moraalfilosoof verbonden aan de Universiteit Antwerpen en de Universiteit Gent


Patrick Loobuyck

Patrick Loobuyck

Links
mailto:patrick.loobuyck@ua.ac.be
Share |

Nieuwsbrief

Schrijf je in op onze wekelijkse nieuwsbrief door hieronder je e-mailadres in te vullen.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be