Waar moet het zwaartepunt in het recht van onze samenleving liggen? Bij de rechtsbescherming of bij de instrumentaliteit? Het is een vraag van alle tijden, maar voor een liberaal is het antwoord simpel. Hij opteert voor de rechtsstaat waar de individuele vrijheden voorrang krijgen op de rechtsefficiëntie. Een aantal ontwikkelingen van de afgelopen jaren zijn echter zorgwekkend. De strijd tegen het terrorisme heeft de weg vrijgemaakt voor allerhande initiatieven die onze rechtsstaat in gevaar brengen. Het woord politiestaat blijkt soms korter bij dan we denken. In de strijd tegen het terrorisme lijkt alles wel toegestaan. ‘War on terror’ is voor de Verenigde Staten sinds 11 september een topprioriteit. Zozeer zelfs dat regels van een democratische rechtsstaat moeten wijken. Je kan moeilijk zeggen dat de geheime afluisteroperaties van Bush of de omstandigheden waarin de verdachten op Guantanamo in detentie worden gehouden, verzoenbaar zijn met de principes van een rechtsstaat. De gevangenen hebben er geen recht op bijstand van een advocaat en worden al jaren opgesloten zonder dat een rechter zich over hun zaak heeft uitgesproken. Waarvan ze precies beschuldigd worden, weten ze zelfs niet. Volgens het Witte Huis staat er geen beperking op het gezag van de president als de nationale veiligheid in het geding is. Het is met andere woorden kiezen: ofwel veiligheid ofwel vrijheid. Ook andere landen hebben in dezelfde optiek een aantal maatregelen getroffen. Het Verenigd Koninkrijk bijvoorbeeld heeft sinds kort een wettelijke bepaling die het toelaat om gedurende 28 dagen terreurverdachten vast te houden zonder dat er enige aanklacht is. De rechten van de verdachten worden hiermee op zijn zachtst gezegd met de voeten getreden. Ook België blijkt niet ongevoelig voor de oorlogsretoriek die de VS verkoopt. Met de jongste BOM-wet die de bijzondere opsporingsmethoden zoals observatie, infiltratie en het werken met informanten regelt, werden de bevoegdheden van het openbaar ministerie en de politie enorm uitgebreid. Meer zelfs, nooit eerder heeft justitie over zoveel onderzoeksmogelijkheden beschikt als vandaag. Zo kan het openbaar ministerie nu werken met informanten. Dit zijn personen uit het crimineel milieu die in ruil voor strafvermindering hun ex-collega’s aan de galg praten. Hun naam komt in een geheim dossier terecht dat voor de verdachten en hun advocaten niet toegankelijk is. Op vraag van de aanklager kan een onderzoeksrechter ook telefoons laten afluisteren of personen lokaliseren via hun gsm. Eveneens kan de aanklager het dataverkeer van een persoon laten controleren of een genetisch onderzoek op iemand laten uitvoeren. Wat betreft de witwasmisdrijven is het hek helemaal van de dam. De zogenaamde ‘meldingsplichten’ maken dat bankiers, boekhouders, vastgoedmakelaars, notarissen en zelfs advocaten, operaties waarvan ze weten of vermoeden dat ze ertoe strekken geld te verduisteren, moeten melden aan de Cel voor Financiële informatieverwerking (CFI). De naam wekt niet de indruk, maar dit is een opsporingsdienst. De uitgebreide bevoegdheden worden verantwoord door de strijd tegen het terrorisme en de zware en georganiseerde criminaliteit. De maatregelen zijn volgens de voorstanders levensnoodzakelijk om dit soort criminaliteit efficiënt te kunnen aanpakken. Voor een aantal gewichtige zaken zijn die maatregelen noodzakelijk, maar dan moeten ze ook tot die gevallen beperkt blijven. Nu is het zo dat ook voor kleinere misdrijven de grote middelen worden ingezet waardoor men ook in de levens van kleine verdachten diep gaat graven. Dat is niet in proportie. De echt zware criminaliteit vereist een robuust antwoord, maar als de keuze bestaat tussen verschillende maatregelen, dan moet je eerst kiezen voor die maatregelen die de rechten van de verdediging en het recht op privacy het minst aantasten. In se gaan terrorisme en georganiseerde criminaliteit niet om nieuwe misdrijven. Terrorisme is eeuwenoud evenals moorden, ontvoeringen, afpersingen en dergelijke. Alleen heeft er een schaalvergroting plaatsgevonden. Misdadigers ageren tegenwoordig over de grenzen heen. Het is daarom voornamelijk een kwestie van het verbeteren van de kennis, de organisatie en de samenwerking van de inlichtingendiensten. De zeg maar exorbitante onderzoeksmiddelen die nu voorhanden zijn, openen het gevaar voor misbruiken. In het kader van een infiltratie bijvoorbeeld nemen politieagenten een fictieve identiteit aan en met het oog op het welslagen van hun opdracht of ter verzekering van hun veiligheid mogen zij, mits toestemming van de Procureur des Koning, strafbare feiten plegen. Wie heeft hier echter reële controle over de werkelijke noodzaak van deze misdrijven? Magistraten van het federaal parket wijzen er altijd op dat magistraten en politiemensen voldoende democratisch besef hebben om hun bevoegdheden niet te misbruiken. Wetten moeten echter ook gelden voor mensen te kwader trouw. De zaak ‘zone-Rupel’ heeft aangetoond dat enig normbesef soms veraf is. Het wordt dan ook wachten op het eerste schandaal waarbij een politieman of magistraat het boekje te buiten gaat. De impact van die ruime onderzoeksbevoegdheden wordt bovendien grondig onderschat. Mensen hebben er steeds minder moeite mee dat de staat inbreuk maakt op één van hun grondrechten. Ze hebben niets mispeuterd dus denken ze: ‘ik heb niets te verbergen, dus ik vind het niet erg als mijn privacy wordt geschonden’. Ook de overheid gebruikt dit argument. ‘Als u niets misdaan heeft, dan hoeft u niet moeilijk te doen over inbreuken op uw privacy.’ Deze redenering gaat uit van een fout begrip van de bescherming van de privacy. De bescherming van de persoonlijke levenssfeer heeft niets te maken met de vraag of iemand wel of niet iets te verbergen heeft. Met andere woorden ook al heeft iemand helemaal niets te verbergen, dan nog dient de rechtsstaat het privé-leven van deze persoon te respecteren. Het feit dat sommige burgers zonder moeite afstand willen doen van een grondrecht, kan voor de staat geen rechtvaardiging betekenen om dit grondrecht te beperken. Men is zich vaak niet bewust van de hoeveelheid gegevens die worden opgeslagen en van het belang dat verschillende instanties hebben bij het verkrijgen van die info. Om een misdadiger op te sporen doet men tegenwoordig aan ‘datamining’. Op basis van criteria zoals afkomst religie, reisgedrag en bezoek van internetsites, gaat men op zoek naar het profiel van dé terrorist. Deze criteria zijn echter zo vaag dat eenieder tegenwoordig een verdachte is. Het idee van “mij overkomt het toch niet” gaat dus niet op. De zaak in het Franse Outreau toont immers aan dat ook het gerecht zich wel eens kan vergissen. Daarom moet het optreden van het gerecht voldoende worden gecontroleerd en mag het beginsel van de onschuldpresumptie zeker niet verwateren. Zolang de rechter geen uitspraak heeft gedaan over iemands schuld, is men onschuldig. Een onschuldige kan dan ook nooit teveel rechten hebben. Maar wat blijft er met die nieuwe maatregelen nog over van zijn privacy of de rechten van de verdediging? Men moet dus opletten dat men de rechtsstaat niet verkwanselt in naam van de strijd tegen het terrorisme. De strijd voor het behoud van de rechtsstaat is ongeloofwaardig als we middelen gebruiken die haaks staan op de fundamentele uitgangspunten van diezelfde rechtsstaat. Als we in de strijd tegen het terrorisme rechtsstatelijke beginselen opofferen, zwichten we eigenlijk voor het terrorisme. Hiermee zouden we weinig blijk geven van ons vertrouwen in de weerbaarheid van de rechtsstaat. Of om het met de woorden van de voorzitter van de Liga voor Mensenrechten te zeggen: ‘De stelling dat de veiligheid zou zijn gediend met het prijsgeven van grondrechten, is een onzinnig en gevaarlijk dogma.’
Emilie Maes Emilie Maes Linksmailto:Emilie.Maes@vub.ac.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|