Pascal Smet, Vlaams minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel heeft de start van het schooljaar niet gemist… Met de frequente aankondiging van hervormingen en “nieuwe” projecten is hij alvast nu al op één vlak met onderscheiding geslaagd: zich profileren. Zijn voorganger Frank Vandenbroucke konden we met evenveel recht die kwaliteit toedichten; ook hij liep over van - volgens hem - innovatieve ideeën, die ons onderwijs het zijns inziens verfrissende en noodzakelijke elan zouden geven waar het broodnodig aan toe was. Na de vele, al dan niet ingrijpende, maatregelen die tijdens de vorige legislatuur al werden doorgevoerd, moeten wij vandaag vaststellen dat de blijvende en schrijnende pijnpunten nog maar bitter weinig zijn verholpen. Uitstroom beginnende leraren Eén van de meest voor de hand liggende is de uitstroom van beginnende leraren. Binnen een tijdspanne van 5 jaar verlaat nog altijd meer dan 30% van hen het onderwijs als gevolg van een te hoge werkdruk en te geringe beloning. De mentoruren ter ondersteuning van starters in het onderwijs, die onder Vandenbroucke in het leven waren geroepen, werden met ingang van 1 september 2010 al te gezwind afgeschaft. Voor beginnende leraren is een goede begeleiding een belangrijke steun, die kan voorkomen dat ze na korte tijd het onderwijs de rug toekeren. Beginners staan soms echter meteen voor stevige uitdagingen: in het basisonderwijs start een kwart de loopbaan in een combinatieklas. In het secundair onderwijs is de situatie niet anders: vaak krijgen nieuwkomers de moeilijkere klassen en komen ze zowel letterlijk als figuurlijk niet alleen tussen welpen, maar ook tussen heuse leeuwen te staan. Slechts één op de tien scholen plaatst een beginnende leraar bewust in een relatief gemakkelijke groep. Wij stellen ons dan ook de vraag of minister Smet in de nabije toekomst nog de mensen zal vinden om zijn megalomane plannen te laten uitvoeren. Trouwens, het rapport van de commissie Monard stelt duidelijk dat geen enkele hervorming – hoe groot of klein die ook is – slaagkansen heeft, als er geen draagvlak voor bestaat bij de personen die ze moeten uitvoeren. Loon naar werken In een recent opiniestuk in de Nederlandse Volkskrant over de bezoldiging in het onderwijs lazen we dat: “Als beginnende leraren niet beter worden beloond, zal de massale uitstroom in de komende jaren niet worden goedgemaakt door nog toenemende instroom van nieuwe docenten. Een recent onderzoek van Alexander Mas leert ons, dat het aantal arrestaties afneemt en de criminaliteit toeneemt zo gauw politiepersoneel meent dat het unfair wordt beloond.” Wanneer we dit doortrekken naar ons onderwijs, dan zouden we daaruit kunnen besluiten dat de kwaliteit in zijn geheel zal afnemen, als we beginnende leraren en eigenlijk alle leerkrachten tout court niet beter gaan belonen. Gezien de huidige economische situatie is dit niet realiseerbaar binnen het huidige budget, tenzij dat herschikt wordt. De lokroep van de privésector zal nog aantrekkelijker worden, als de beginnende leerkracht tot de vaststelling komt, dat ook in het onderwijs de werkdruk jaar na jaar toeneemt en het werkplezier afneemt als gevolg van die werkdruk. Het enige wat dan nog rest is het uitzicht op een statutair in plaats van een contractueel statuut alsook de vakanties, die echter voor veel onderwijsmensen nu al synoniem zijn met recupereren van de voorbije stresserende werkperiode. Recentelijk stelden Luc Cortebeek van AVC en Karel Van Eetvelt van Unizo dat het onderwijs in Vlaanderen nog oké is en dit in tegenstelling tot de economie. De vraag is: hoelang nog? Maak het lerarenberoep aantrekkelijker! Leerkrachten beter belonen sensu stricto lijkt gezien de bovenvermelde inkrimping van het huidige budget voor onderwijs onmogelijk. Maar men zou het beroep van leerkracht ook niet-financieel kunnen herwaarderen – lees belonen – door het beroep an sich aantrekkelijker te maken. De werkdruk verminderen zou al een eerste stap in de goede richting zijn; weer werkplezier creëren een volgende. Tot onze grote treurnis moeten wij vaststellen, dat in de oriënteringsnota van minister Smet daarover met geen woord wordt gerept. Ook de voorstellen van de commissie Monard, die toch de basis vormden voor de oriënteringsnota, belichten alle aspecten van de nakende hervormingen zonder ook maar een regel te besteden aan welke implicaties dit zal hebben op het onderwijzend personeel. Bij die hervormingen zijn er wel meer dan 100.000 leerkrachten betrokken. Frappant detail: in de bovenvermelde commissie was er maar plaats voor welgeteld één leraar ! Een spreekwoord zegt: “Eén gek kan meer vragen stellen dan 10 wijzen kunnen beantwoorden”; je zou dit ook kunnen transformeren naar het bedenken van het aantal hervormingen, hun relevantie, adequaatheid en de frequentie waarmee ze worden doorgevoerd. Het onderwijs in Vlaanderen heeft dringend nood aan stabiliteit. Vaak krijgt men nog niet eens de kans een hervorming – even in het midden gelaten of die nu nodig was of niet - degelijk uit te voeren laat staan te evalueren of een volgende staat alweer op stapel… Het onderwijs in Vlaanderen verdient een pragmaticus als minister. Een minister die het veld intrekt en niet alleen anderen laat nadenken, maar ook zelf ernstig nadenkt over mogelijke voorstellen van commissies waar ook mensen uit het veld in zetelen en dan pas in overweging neemt in welke mate die voorstellen haalbaar zijn. Het Vlaams onderwijs kan iemand die lijdt aan ‘profileringsdrang’ best missen. In dat perspectief is Smet in hetzelfde bedje ziek als dat van zijn collega’s-politici. Je bent echter geen genie, als je met de regelmaat van een klok met een idee op de proppen komt. Belangrijker is of dat idee ook daadwerkelijk met een behoorlijk percentage kans op slagen kan gerealiseerd worden. Arthur Schopenhauer zei ooit: “Het genie woont één etage lager dan de waanzin”. Dat laatste in overweging genomen, pleiten wij ervoor, dat er zorgvuldig wordt nagedacht over de haalbaarheid van de op stapel staande hervormingen. Wanneer je op een doordeweekse zondagmorgen de idee lanceert om Frans door Engels als tweede taal op school te laten vervangen, dan zou je moeten kunnen inschatten dat: 1. gezien de gespannen communautaire situatie van het moment in dit land, dit idee weinig draagvlak zal hebben; laat staan dat de timing goed gekozen is, 2. dat het Frans zeker in België, maar ook in Europa nog altijd een belangrijke rol speelt op economisch vlak. Het was misschien beter te stellen om evenveel uren aan het Engels te spenderen; niettegenstaande we ook niet uit het oog mogen verliezen, dat Frans moeilijker te leren valt dan Engels en bijgevolg toch meer aandacht en tijd vraagt. Soit, uit fouten, kan je leren en dat is maar goed ook; vooral voor politici. Toch nog even meegeven dat: “Iedereen schuldig is aan het goede dat hij niet doet”. Met de groeten van Voltaire.
Marnix Heyndrickx Marnix Heyndrickx Linksmailto:marnix.heyndrickx@vsoa-onderwijs.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|