Midden in de retrospectieve hangt The Flag, slap, vaal, een roerloze, kleurloze kegel in de mist, flets, onherkenbaar en nog dreigender dan toen de ontwapende Leeuw in 1995 werd geschilderd als onderdeel van de reeks Heimat die een reactie was op de verkiezingssuccessen van het Vlaams Blok. Het vage, troosteloze vaandel overschaduwde de tientallen interviews in de aanloop tot zijn tentoonstelling in Bozar waarin Luc Tuymans ongezouten herhaalde dat nationalisme tot fascisme leidt. Zodra er macht in het spel is, zijn de consequenties op politiek, maatschappelijk, menselijk en emotioneel vlak veel ingrijpender, zei hij tegen BOZAR. Hij sprak ondiplomatisch van De Vleeskoek in Humo en maakte geen geheim van zijn Belgische sympathieën. De catalogus was een collectors item omdat de tentoonstelling onder de bescherming staat van de koningin. In ‘Friedl’, op de radio, liet hij Spinoza bezorgen aan Bart De Wever met de aanbeveling te lezen wat de filosoof van de verdraagzaamheid te vertellen heeft over de staat. Hij deed stof opwaaien door de politieke situatie ernstiger te noemen dan toen hij de windstille banier schilderde. ‘Ik maakte The Flag uit walging voor het Vlaams Belang, waar toen in Antwerpen een op drie op stemde. Nu zijn we in een nog gevaarlijker stadium beland met de heer Bart De Wever.’ Tuymans sprak van een eenmanspartij en zei dat 30% van de Vlamingen daarop had gestemd omdat De Wever integer overkomt. Het waren soms hoge woorden en men schrok want de Vlaamse media behandelen de N-VA en in het bijzonder zijn prikkelbare leider niet als staatsvijandig. Wanneer de voorzitter spreekt lijkt het of hij dat doet in naam van het volk en zijn theorie over de ‘twee democratieën’ wordt overgenomen als wetenschap. Hij noemde Tuymans een onbeschofterik met wie hij niet in debat wilde treden. De commentaren van de kunstenaar waren niet de voorbode van een avontuur in de politiek. Tuymans weet dat dit huwelijk niet goed afloopt. Hugo Claus waarschuwde er al tegen toen Tom Lanoye, in 2000 vanuit een vergelijkbare bewogenheid, kandidaat werd voor de Antwerpse districtsraad op de Agalev lijst. Tuymans’ antifascisme is een terugkerend thema in zijn oeuvre. Het wortelt in zijn eigen familiegeschiedenis. Het blijkt uit de keuze van het portret van zijn foute, voor de muren van Berlijn gesneuvelde oom G. Dam op een pas verschenen postzegel. Hij behoort tot het handvol namen waar Vlaanderen mee pronkt en de Vlaamse regering steunt de retrospectieve. In zijn voorwoord tot de catalogus noemt minister-president Kris Peeters de selectie van Luc Tuymans voor de Dokumenta van Kassel in 1992 en het Belgisch paviljoen op de Biënnale van Venetië in 2000 ‘Vlaanderen in actie op zijn best nog voor het begrip gelanceerd was’. In haar woord vooraf schrijft minister van Cultuur Joke Schauvliege dat de ‘eigenzinnigheid’ van de kunstenaar blijkt uit zijn onderwerpen, de Holocaust, Congo, het kolonialisme, de aanslagen van 11 september… De jezuïeten en het Vlaams nationalisme ontbreken in haar opsomming. Terecht pakt Vlaanderen uit met zijn kunstenaars. Meer dan politici bepalen zij de identiteit van een volk en zijn daardoor per definitie nooit volksvreemd. Welke politicus wordt na een eeuw nog herinnerd tenzij hij een gevaarlijke gek was? Welke pacifist weet nog van de legendarische Auguste Beernaert uit Oostende die twintig jaar lang de Belgische politiek beheerste? Hoelang duurt het nog voor we Paul-Henri Spaak en Pierre Harmel voorgoed vergeten zijn? Maar iedereen kent Ensor of Rubens. Misschien is het omdat men zich kunstenaars langer herinnert dat men in dit land zo wantrouwend traag is om ze te erkennen. Het getuigt van het tijdsklimaat dat Tuymans moest onderstrepen dat hij niet anti-Vlaams is. Hij verwijt de Vlaamse nationalisten een minderwaardigheidscomplex. Hij is niet de enige. Het valt op dat het flamingantisme weinig supporters telt onder de zelfbewuste kunstenaars waar het zo trots op is. De paradox is dat hun kosmopolitisme leidt tot ‘achterlijke belgicisme’. Jan Decleir weigert een ereteken uit de handen van Jan Peumans. Jan Fabre en Michael Borremans decoreren het kasteel in Laken. Tom Barman, Arno en Frederik Sioen organiseerden de 0110 concerten. Vlaamse theatermakers lanceren ‘Niet in onze naam’. Clouseau zingt ‘Leve België’. De Vlaamse culturele wereld beschouwt de nationalisten niet als zijn woordvoerders. Geen coryfee blijkt vatbaar voor het volksnationalistisch revanchisme of hij moest Jan Verheyen heten of Jean-Pierre Rondas of Harold Van de Perre of Dirk Van Bastelaere. Was het flamingantisme van een vorige generatie verbonden met maatschappelijke achteruitstelling, dan laten de miljardentransfers van tegenwoordig het slachtoffer mateloos rijker achter dan de dief, die bijgevolg wel een erg grote luiaard moet zijn. Vlaanderen is de eerste economische en politieke regio van het land en beleeft ondanks en niet wegens de politiek al enkele decennia een artistieke bloei waardoor het behoort tot de wereldtop. De verongelijkte houding van het volksnationalisme is misplaatst. Het ‘nieuw nationalistisch verhaal’ is niet verschillend van het oude, alleen mist het relevantie. Vanzelfsprekend zijn de cultuurdragers niet anti-Vlaams. Ze zijn Vlaams per definitie, maar het enige nationalisme met een verhaal is transcultureel en federaal. Het is te lang onder de mat geveegd maar het heeft gezonde wortels en het biedt uitzicht. Helaas voor wie dat betreurt, de Vlaamse kunstscène is Belgisch. Tuymans herinnert aan onprettige waarheden, aan de voedingsbodem van het volksnationalisme en waar dat toe leidde. Dat stoort een deel van het politieke spectrum en van het publiek. Men verkiest te mijmeren over het vale palet van de meester, over zijn cinematografisch oog, over zijn invloed en uitstraling en de banalisering van het kwaad in zijn werk, over de huid van zijn schilderijen, maar het is wat Schauvliege een ‘heilig moeten’ noemt dat de kunstenaar drijft. Welk ‘moeten’ laat ze in het midden, maar was Tuymans geen Wereldberoemd Kunstenaar dan werd hij doodgezwegen, gecolloceerd of op een andere manier onschadelijk gemaakt. Aangezien hij geen subsidies behoeft en vrij en onaantastbaar is, is hij dan maar een ‘onbeschofterik’, waarmee wordt geïllustreerd wat de kunstenaar wil zeggen, namelijk dat volksnationalisme tot blindheid, verdwazing, uitsluiting en fanatisme leidt. Hij waarschuwt de massa die ervoor kiest. Tegen De Standaard zei hij: ‘Als je hem (De Wever) zijn gang laat gaan, breken we af waar mensen meer dan zeventig jaar voor gevochten hebben. Dan gaat de sociale zekerheid eraan. Mij zal dat worst wezen - ik heb geld genoeg - maar wie hier elke dag door de straat wandelt, zal het geweten hebben.’ Zoals een vorige generatie uit sociale bewogenheid koos voor het nationalisme, zo wijst de nieuwe dat nationalisme om sociale redenen af. Doordat Tuymans zijn spreekrecht als spreekplicht zag is hij verzeild geraakt in een controverse die zich al een tijd aftekent. De Wever die eerst elke reactie op de ‘onbeschofterik’ had geweigerd, klom in de pen en stelde in De Standaard een “inclusieve Vlaamse identiteitsbeleving” tegenover “de holle frasen over wereldburgerschap, multiculturele verrijking en solidariteit” van “zogeheten cultuurdragers”. Het was een antwoord aan de ‘ongemanierde’ Luc Tuymans, Tom Lanoye en Paul (ja, niet Jan) Goossens. Onbeschoft en ongemanierd, hoe ver nog tot ‘ontaard’? Hij kreeg bijval van Tom Naegels die niet begreep dat ‘veel kunstenaars’ de N-VA zien als ‘een soort uitloper van Vlaams Belang’. Hij vond dat men eerst moest begrijpen waarom de N-VA zoveel stemmen had behaald. Bart De Wever ‘zette de culturele elite weg als kleinburgerlijke eenheidsdenkers’. Naegels vroeg zich af waarom de sector dat zo makkelijk toeliet en zijn boodschap “niet verkocht” kreeg. Het politiek debat gaat in dit steeds regenachtiger land inderdaad niet meer over inhoud maar over koopwaar. Kent Luc Tuymans de wetten van de markt? Komt hij met een achterhaald verhaal? Een week na Naegels bevuilde Erwin Mortier het nest met een oproep in De Morgen tot de oprichting van een ‘federaal cultureel niveau’. Hij hekelde het ontbreken van een ‘nationale politieke gemeenschap’ die er volgens hem moest en zou komen. Een wat??? Lieven Dehandschutter, de cultuurfilosoof van de N-VA, repte zich om te zeggen dat geen morzel… euh, geen bevoegdheden zomaar zouden worden teruggegeven. Er sprak oprechte woede uit de brandbrief van Mortier. Hij wist allicht niets van de Belgische Volks Partij (opgericht te Kassel in 1992) maar vertolkte de overtuiging van vele kunstenaars dat wie dit land naar de verdoemenis helpt een vijand is van het volk dat hij zegt te verdedigen. Een vijand omdat hij een vijand is van de cultuur ervan. In weerwil van een overdadige verwijzing naar frietvet schreef hier een van de beste pennen van Vlaanderen en daar kan de kwistige gebruiker van het Latijnse spreekwoord nu eenmaal niet tegenop. En ook niet zijn adjunct die zijn tijd in de journalistiek nuttiger had kunnen gebruiken dan voor intriges en het memoriseren van verenigingshymnen en Franse bon mots. En al helemaal niet Lieven Dehandschutter. Mortier kreeg bijval uit onverwachte want politieke hoek. Ik ben geen belgicist, bekende Rik Torfs, ‘was ik het wel, ik zou in deze tijden van Vlaams eenheidsdenken terugdeinzen om het openlijk te zeggen’. Vervolgens gaf de kerkjurist toe dat er een Belgische cultuur bestaat en dat de Vlaamse erdoor is gekleurd. Torfs zei net niet dat na de kerk ook het volksnationalisme zijn aanhang onder kunstenaars is kwijtgespeeld. Waar is de volksnationalist die de liefde tot de moedertaal, ‘de drager van de Vlaamse identiteitsbeleving’, zo ernstig neemt dat hij haar als een volleerd minnaar bezit? Er heerst in kringen waar taal en volksaard lippendienst wordt bewezen een schroom tegenover de ongerepte maagd die onveranderlijk krom doet praten en leidt tot pennenvruchten die mistgordijnen zijn, al dan niet opgetrokken achter voorbeelden uit de Latijnse spraakkunst van wijlen jezuïetenpater Adhemar Geerebaert. Jazeker, het volk viert een geestig en gevat leider, maar het heeft zijn boodschap nog steeds niet aanhoord. De suggestie van inhoud schept voldoende ontzag en is van dezelfde schijnbaarheid als De Slimste, wat zeg ik?, de Allerslimste Mens. Ter Wereld. Op zondag 27 februari 2011 zong Bart De Wever uit volle borst ‘Kempenland aan de Dietsche kroon’, een Vlaamse compositie uit 1941, de glorietijd van De Vlag, met zijn geestverwanten op het jaarlijkse Zangfeest in het Sportpaleis van Antwerpen. En op het televisiejournaal. Hij was een kind nog en treft dus geen schuld voor wat ik op de editie van 23 april 1978 als jong journalist van dichtbij zag. Amper was Toots Thielemans beginnen spelen of vanuit de zaal stormde NSV-militant Piet van den Bergh op het podium met de kreet ‘geen negermuziek op ons zangfeest!’. Onder toejuichingen van het publiek verscheurde hij de partituur en joeg hij de volksvreemde muzikant op de vlucht. Ik bewaar aan die niet zo inclusieve identiteitsbeleving nog enkele racistische geschriften. Tot het volkseigen behoort ook zijn geheugen.
Jef Lambrecht Jef Lambrecht Linksmailto:jef.lambrecht@gmail.com |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|