Ik geef het toe, bij het horen van de naam John Stuart Mill denken we niet meteen aan het socialisme. Ik geloof echter dat dit vooral een kwestie van het toeval is. Het toevallige tijdstip van Mills overlijden heeft hier een doorslaggevende rol gespeeld. Het is goed dat we ons dit realiseren. Want, hoewel zijn verzamelde werk omvangrijk is (het omvat 33 dikke delen), had de nijvere Mill nog graag een stevige studie aan zijn oeuvre willen toevoegen. Een boek over het socialisme. Hij was er in 1870 aan begonnen. Toen hij drie jaar later, kort voor zijn 67ste verjaardag, plotseling overleed, had hij nog maar vier hoofdstukken af. Die zijn postuum gepubliceerd onder de toepasselijke titel Chapters on Socialism. Het telt amper 65 bladzijden. Dit is misschien maar een kwart van wat Mill over zijn onderwerp had willen zeggen. Als we zijn stiefdochter Helen mogen geloven, was het Mills opzet geweest om de verschillende socialistische theorieën die er toen in omloop waren ‘grondig en onpartijdig’ te behandelen. Hij was van plan om na te gaan in hoeverre deze theorieën en hun concrete hervormingsvoorstellen ook echt uitvoerbaar waren. Stelt u zich eens voor dat het Mill gegeven zou zijn geweest om de ‘grondige’ studie over het socialisme, die hem voor ogen stond, ook echt te voltooien. Hoe zou het beeld dat wij van hem hebben daardoor zijn beïnvloed? Zou Mill dan nog steeds de geschiedenis zijn ingegaan als het boegbeeld van het liberalisme? Het antwoord op die vraag hangt er natuurlijk van af hoe Mill zich in dat nooit geschreven boek tegenover het socialisme zou hebben opgesteld. Hoe incompleet de Chapters on Socialism ook zijn, ze geven ons een tamelijk goed beeld van de strekking van het boek dat Mill had willen schrijven. Het was in elk geval niet zijn opzet om het socialisme te vuur en te zwaard te bestrijden. Wie Mill alleen kent van On Liberty, met de nadruk die daarin wordt gelegd op individuele vrijheid, zal wellicht verwachten dat Mill een scherp criticaster was van alle vormen van socialisme. Dat blijkt echter niet het geval te zijn. Mill is niet alleen opvallend genuanceerd over het socialisme, hij maakt er volstrekt geen geheim van dat bepaalde vormen van socialisme zijn sympathie hebben. Dit vraagt natuurlijk om een verduidelijking, ik ben mij daarvan bewust. Mill is altijd een scherp politiek observator geweest, maar ook een politieke realist. Al in 1835 was hij, samen met Tocqueville, tot de conclusie gekomen dat Europa aan het begin stond van een proces van democratisering, dat niet meer gestopt kon worden. Later raakte Mill ervan overtuigd dat de invoering van het algemeen kiesrecht het onvermijdelijk zou maken dat de meerderheid van de kiezers afkomstig zou zijn uit de lagere klassen, vooral uit arbeiders dus. Die zouden zich in hun stemgedrag vanzelfsprekend laten leiden door hun eigen belang. Dus zouden zij voor socialistische hervormingen stemmen. Kortom, het algemeen kiesrecht zou, zo voorzag Mill, bijna automatisch tot een soort ‘electoraal socialisme’ leiden, simpelweg omdat de meerderheid van het electoraat socialistische voorkeuren zou hebben. Met dit politieke realisme begint Chapters on Socialism. Ik wil niet de indruk wekken dat Mill, als een Realpolitiker, zich nolens volens bij deze ontwikkeling neerlegde omdat hij niet anders kón. Nee, Mill zette zich actief in (ook als lid van het parlement, tussen 1865 en 1868) voor de vestiging van het algemene kiesrecht, voor mannen én voor vrouwen. En hij deed dit hoewel hij voorzag dat het vrijwel zeker tot een socialistische meerderheid zou leiden. Dat is niet zo vreemd als het lijkt, wanneer wij ons realiseren dat Mill, als radical, van jongs af aan een fel tegenstander was geweest van de sociale en politieke macht van aristocratie en kerk. De democratisering van staat en maatschappij was een vurige wens van hem. Mill koos die opstelling niet om daarmee het belang van de middenklasse te dienen. Hij vond dat in het parlement alle lagen van de bevolking vertegenwoordigd moesten zijn, het parlement moest het ‘congres’ zijn van álle opinies en belangen die enig gewicht in het land hadden. Toen het in 1866 in Londen tot grootschalige, en deels gewelddadige, demonstraties voor de invoering van het algemene mannenkiesrecht kwam, ging Mill vierkant achter de demonstranten staan. Daarmee ging hij in tegen het nogal behoedzame beleid van zijn liberale partijleider, William Gladstone, en haalde hij zich de woede op de hals van de behoudende meerderheid van liberale Whigs. In die kringen, en meer nog bij de Conservatieven, zette het ook kwaad bloed dat, in dezelfde periode, Mill openlijk de kant koos van de opstandige Jamaicanen, die het waagden om zich te verzetten tegen het Britse gezag van gouverneur Eyre. Toen de gouverneur de opstand bloedig neersloeg, vond Mill dat hij daarvoor moest worden vervolgd. Vanaf dat moment kreeg Mill in de pers de bijnaam the Prosecuting Philosopher, de Filosoof-Aanklager. Deze voorbeelden, en zijn onvolprezen inzet voor het vrouwenkiesrecht, maken duidelijk dat Mill tot de linkervleugel van de liberale partij behoorde, tot de advanced Liberals. Dit maakt Mill natuurlijk nog niet tot een socialist. Ik beweer in mijn bijdrage aan het boek van Dirk Verhofstadt ook niet dat de progressieve liberaal Mill de overstap naar het socialisme maakte. Maar ik ben ervan overtuigd dat men naar waarheid drie dingen wél kan beweren: (1) dat Mill in alle opzichten een open discussie met het socialisme wilde aangaan; (2) dat hij sympathie had voor bepaalde vormen van socialisme; (3) en dat hij ervan overtuigd was dat een gematigd socialisme te verenigen was met zijn eigen filosofische uitgangspunten. Ik zal kort bij deze drie beweringen stilstaan. Tot slot zal ik de vraag opwerpen of men inderdaad, zoals in Nederland door Willem Breedveld werd gesuggereerd, aan Mill waarschuwingen kunnen ontlenen die kunnen helpen om een herhaling van de kredietcrisis te voorkómen. Mill stelde belang in een open discussie met het socialisme Omwille van die discussie wilde hij zijn Chapters on Socialism schrijven. Dat hij het debat met het socialisme opzocht, blijkt ook uit het simpele feit dat diverse socialisten tot zijn kennissenkring behoorden: diverse saint-simonisten (Gustave d’Eichthal), George Odger, George Holyoake, Edwin Chadwick, Louis Blanc, Alphonse de Lamartine, Charles Bradlaugh. Het kernpunt is dat Mill een hoogwaardige discussie nodig vond over het voor hem uiterst belangrijke beginsel van het privébezit. Hij vond dat in de heersende liberaal-kapitalistische praktijk dat beginsel niet goed werd toegepast en dat men hierdoor revolutionaire vormen van socialisme in de kaart speelde die de privé-eigendom wilden afschaffen. In het bestaande economische systeem, dat was gebaseerd op vrijhandel en de accumulatie van kapitaal, was privébezit natuurlijk het kernbeginsel. Dat beginsel houdt in dat wie actief deelneemt aan het economisch proces er recht op heeft om zélf te kunnen beschikken over de vruchten van de eigen arbeid. In werkelijkheid echter kwam het overgrote deel van de economische vruchten terecht bij een opvallend kleine minderheid. De overgrote meerderheid van de werkenden ontving slechts een karig loon dat nauwelijks genoeg was voor het dagelijks brood. Er was dus sprake van een onevenredige concentratie van bezit in de handen van de werkgever. Mill wilde het privébezit graag handhaven, maar ging ervan uit dat dit alleen mogelijk was wanneer het voortaan consequent en eerlijk zou worden toegepast; anders zou de toekomstige socialistische meerderheid het beslist afschaffen. Als econoom was Mill, al vóór 1848, sterk geïnteresseerd in het vraagstuk van de welvaartsverdeling. Hij vond het onterecht dat de lagere klassen werden gezien als ‘de afhankelijke klassen’, het economisch systeem hield ze vast in die afhankelijkheid, vond hij, maakte ze onnodig afhankelijk van de wil van de werkgever. Hij nam hierbij op opvallende wijze afstand van de heersende opvatting dat de lagere klassen hun armoede aan zichzelf te wijten hadden, dat die armoede een gevolg was van persoonlijke tekortkomingen of van morele inferioriteit. Volgens Mill was de armoede vooral te wijten aan ‘het falen van de sociale arrangementen’, vooral het arrangement van de privé-eigendom. Hij sprak zelfs over de ‘defecte staat van de samenleving’. Mill had sympathie voor bepaalde vormen van socialisme Mill had vooral belangstelling voor (en daar lag ook zijn sympathie) het niet-revolutionaire utopisch socialisme van Saint-Simon, Fourier, en Robert Owen. Daar lag zijn sympathie. Hij omschreef deze utopisch socialisten als ‘bedachtzame en filosofische socialisten’. Ook omschreef hij hun opvattingen herhaaldelijk als ‘verlicht socialisme’. Het ging hierbij om een kleinschalig socialisme, binnen lokale gemeenschappen of coöperaties, waarbij privébezit mogelijk bleef en zou worden gerespecteerd. In de definitie die Mill van het socialisme gaf was dit verenigbaar met particulier bezit. Een maatschappelijk systeem kon socialistisch worden genoemd, stelde hij, zodra het de productiemiddelen en de grond in handen legde van ‘gemeenschappen, verbanden of de regering’. De overige bezittingen konden dus gewoon in particuliere handen zijn. En wat de productiemiddelen en de grond betreft, die hoefden niet per definitie in staatshanden te zijn, maar konden ook het bezit zijn van coöperaties of een gemeentebestuur. Weinig tot geen sympathie had Mill voor die vormen van socialisme die een grootschalige, nationale, revolutie nastreefden waarin (in de zin van Proudhon) het privébezit radicaal zou worden afgeschaft, bijvoorbeeld door alles te nationaliseren, of die alle bezittingen en de volledige politieke macht wilden overdragen op de arbeidersklasse. Mill geloofde dat het volkomen legitiem was dat de arbeiders, zodra zij kiesrecht zouden hebben, voor hun eigen belangen zouden opkomen. Tegelijk was hij ervan overtuigd dat de arbeidersklasse het landsbelang niet uit het oog zou verliezen: zijn redenering was dat juist zij die voor hun dagelijks brood volledig afhankelijk zijn van de nationale welvaart, zich uiteindelijk steeds door het algemeen belang van de natie zullen laten leiden. Het waren juist de hogere klassen met hun welvaart die zich vaak lieten verleiden tot economisch egoïsme, eenvoudigweg omdat zij zich door hun welvaart een onafhankelijke opstelling konden veroorloven. Mill zag wel wat in experimenten met socialistische voorstellen. Hij dacht daarbij vooral aan coöperaties of andere decentrale experimenten. Mill had aanzienlijk méér op met lokale vormen van socialisme dan met nationale. Waarom was het volgens Mill rationeel om voor experimenten te kiezen? Omdat dan kon worden uitgeprobeerd of mensen al toe waren aan een socialistische leefwijze. Want, en dit is bijzonder interessant, Mill geloofde dat het leven in een socialistische leefgemeenschap in moreel opzicht hogere eisen aan de mens stelde dan het leven in een liberaal-kapitalistische maatschappij. In moreel opzicht was de bestaande laissez faire-samenleving, met haar concurrentieprincipe, volgens Mill een laagontwikkelde samenlevingsvorm. Want het is een samenlevingstype dat ervan uitgaat dat je de mens sterke materiële prikkels moet geven om hem of haar tot goed, nuttig, gedrag te brengen. Deze samenleving speelt dus in op het individuele egoïsme, ze prikkelt de zelfzucht. Het socialisme daarentegen veronderstelt altruïstisch gedrag, dat zag hij als een hogere graad van beschaving. Hij geloofde dat de mensheid, onder andere dankzij beter onderwijs, op weg was om zich in die richting te ontwikkelen, maar hij betwijfelde of men op dat moment al zover was dat men het socialisme aankon. Alleen experimenten zouden dit uit kunnen wijzen. In feite zei Mill dus: laten we op kleine schaal uitproberen of socialistische gemeenschappen werken, of niet. Mill dacht hierbij aan lokale economische gemeenschappen op coöperatieve basis, aan zgn. ‘Fourier-dorpen’, met een geselecteerde populatie. Maar ondanks die selectie zouden ook deze gemeenschappen het niet helemaal kunnen stellen zonder enige economische prikkeling dacht hij: verschillen in beloning waren toegestaan. Door het coöperatieve principe zouden de opbrengsten wel veel eerlijker worden verdeeld dan in een klassieke fabriek. Coöperatieve winkels, zonder tussenhandel, zouden de prijzen van de levensbehoeften lager maken. De bedrijfsmanagers zouden door de arbeiders worden gekozen. En voor alle werkers gold er een winstdelingsregeling. Mill geloofde dat zijn eigen filosofische uitgangspunten te verenigen waren met een gematigd socialisme Men zou kunnen denken dat Mills sympathie voor lokale socialistische gemeenschappen naar het voorbeeld van Fourier op gespannen voet stond met zijn pleidooi voor individuele vrijheid in On Liberty. Dat essay wordt vaak gelezen als een afwijzing van overheidsingrijpen in het individuele handelen, tenzij dit handelen een of meer anderen schade toebrengt, dan heeft de overheid een beschermende rol. Maar als we On Liberty goed lezen, dan zien we dat Mill daarin twee ‘handelingssferen’ onderscheidt, de individuele en de maatschappelijke. Mijn individuele handelingssfeer is het domein van mijn eigen leven, mijn eigen bewustzijn, alles wat mijzelf aangaat óf wat mijn vrijwillige medewerking aan de initiatieven van een ander betreft. Hier geldt mijn persoonlijke autonomie, mijn onvervreemdbare persoonlijke vrijheid. Maar ik ben óók lid van een samenleving, als zodanig beweeg ik mij óók in een maatschappelijke handelingssfeer. Voor dat deel van mijn handelen dat anderen aangaat, ben ik de maatschappij verantwoording schuldig, zegt Mill. Bij alles wat ik doe dat de betrekkingen tot andere individuen raakt, moet ik erop rekenen dat ik mij juridisch moet kunnen verantwoorden tegenover die andere individuen zodra hun belangen op het spel staan, of tegenover de samenleving, die de taak heeft om deze belangen te beschermen zodat zij niet worden geschaad. Ook dát is het schadebeginsel. Verder zegt Mill expliciet dat het schadebeginsel niet los gezien kan worden van het utiliteitsbeginsel, het nut. ‘Nut’ is bij Mill een sociale categorie, het gaat om ‘het grootst mogelijk geluk voor het grootst mogelijke aantal mensen’. Dat is de uiteindelijke toetssteen voor al het menselijk handelen. Mill benadrukt dan ook dat een individu rechtmatig verplicht kan worden tot bepaalde daden, zoals het leveren van een aandeel in de nationale verdediging, of in de rampenbestrijding, of ‘in een ander gemeenschappelijk werk dat nodig is voor het belang van de gemeenschap waarvan het individu de bescherming geniet’. Zijn redenering hier is opvallend simpel: de gemeenschap beschermt het individu (omdat vaak alleen zij dat kan), dus is ieder individu gehouden de samenleving te ondersteunen in haar sociaal nuttige taken. Voor Mill was het utilitarisme niet louter een filosofische theorie, hij wilde de kernboodschap van het utilitarisme in de praktijk brengen. Dat wil zeggen: hij wilde met politieke middelen ‘het grootst mogelijke geluk voor het grootst mogelijke aantal mensen’ nastreven. Waarbij ‘geluk’ steeds door hem werd opgevat als: ‘het vergroten en verbreiden van genot schenkende ervaringen en het zoveel mogelijk terugdringen van gewaarwordingen van pijn’. Dit laatste verbond Mill daadwerkelijk met de sociale opgave om verlichting te brengen in de armoede en de deplorabele levens van de lagere klassen. Utiliteit, als uiteindelijke toetssteen voor al het handelen, was bedoeld als moreel principe. Het stond in het teken van menslievendheid. Dat is wat, op de keper beschouwd, ‘het grootst mogelijke geluk voor het grootst mogelijke aantal mensen’ uitdrukt. De kredietcrisis Het is in het licht van het voorgaande niet vreemd dat Mill fel gekant was tegen duidelijke uitingen van economisch egoïsme. Mill signaleerde: “... meer en meer wordt er een gokkersmentaliteit in de handelspraktijk geïntroduceerd; en waar deze de overhand heeft, worden niet alleen de eenvoudigste grondregels van prudent handelen veronachtzaamd, maar krijgen alle, zelfs de meest riskante, vormen van financiële oneerlijkheid een afschuwelijke stimulans. Dit is de betekenis van wat het intense karakter van de moderne concurrentie wordt genoemd.” Mill voegde hieraan nog toe dat economische schaalvergroting ervoor zorgde dat “de gulzigheid naar het snelle gewin in de plaats [trad] van het bescheiden verlangen om de kost te verdienen.” En hij signaleerde ook dat, doordat sommigen winst wisten te behalen door fraude, anderen - vanwege de noodzaak om te concurreren - werden gedwongen om dit slechte voorbeeld te volgen en óók te gaan frauderen. “Zodoende worden de frauduleuze praktijken, door enkelingen begonnen, het algemene gebruik, en verslechtert de moraliteit van de handeldrijvende klassen steeds meer.” (Chapters on Socialism, passages geschreven in 1870 of 1871). In zijn beschouwingen over de verhouding tussen Frankrijk en Engeland had Mill regelmatig kritiek op zijn landgenoten omdat hij vond dat zij hun energie te eenzijdig inzetten voor het behalen van economische voordelen, waarbij zij het sociale en politieke domein teveel verwaarloosden. Hij sprak daarbij regelmatig zijn afkeuring uit over ‘accumulatie’, het steeds maar weer willen aanzamelen van méér en méér bezit. Het loopt als een rode draad door Mills denken dat hij zich steeds weer verzet tegen een puur kwantitatieve invulling van ‘geluk’. Voor Mill als utilitarist en hedonist stond het vast dat geluk (‘happiness’) het enige is dat in zichzelf, intrinsiek, waardevol is. Geluk is het hoogste goed, het summum bonum. Hierin volgde Mill zijn leermeester Bentham. Geluk is de staat van bewustzijn die we bereiken wanneer we genot ervaren en gevrijwaard zijn van pijn. ‘Genot’ staat hierbij voor allerlei positieve ervaringen van genieten, van tevredenheid, persoonlijke groei, schoonheid, trots zijn op behaald succes. En ‘pijn’ verwijst naar allerlei negatieve ervaringen van leed, ontbering, falen, schaamte. Mill benadrukt dat het hierbij in de praktijk veelal gaat om complexe, samengestelde, ervaringen. De mens als complex wezen ervaart vaak diverse positieve en negatieve emoties gelijktijdig. Mill bestreed hiermee bewust de opvatting van Bentham dat je geluk kon berekenen en min of meer kon afdwingen door te zorgen dat de optelsom van positieve genotservaringen hoger uitkwam dan de optelsom van negatieve pijnervaringen. Dus accumulatie alleen was voor hem geen garantie op geluk. Het gaat eerder om de kwaliteit van de ervaring. Poëtische inspiratie bijvoorbeeld kan tot een geluksgevoel leiden, terwijl het niet in een kwantiteit kan worden uitgedrukt. We moeten het volgens Mill zoeken in de hogere ervaringen, het hogere genot dat relatief zeldzaam is, en niet in de lagere vormen van simpel materieel bezit dat gemakkelijk te vermenigvuldigen is. Mill verbindt geluk zodoende heel nauw met het niveau van de persoonlijke ontwikkeling. Een hoogwaardige gelukservaring kan alleen worden bereikt door een hoogontwikkelde, gecultiveerde, persoon. Om echt gelukkig te worden moet de mens dus aan zijn eigen morele, intellectuele en kunstzinnige vervolmaking werken, in plaats van zich te richten op het verwerven van steeds meer materieel bezit. Is de kredietcrisis niet het gevolg van gedrag dat lijnrecht tegen deze adviezen van Mill ingaat? Alles leek de afgelopen jaren te zijn gericht op kwantiteit en accumulatie, voortdurende aangroei van vermogen, terwijl men de kwalitatieve aspecten van het prudente oordeel bij verstandig zakendoen uit het oog verloor. Er zijn nog meer punten waarop de door de kredietcrisis getroffen mens de wijze filosofie van Mill uit het oog lijkt te zijn verloren: a. vergeten werd dat er grenzen zitten aan de individuele vrijheid, dat deze vrijheid haar grens vindt daar waar zij anderen schade toebrengt. Zelfverrijking ten koste van anderen (die zodoende schade en leed wordt toegebracht) lijkt de norm te zijn geworden. b. vergeten werd dat een mens ernaar moet streven om een deugdzaam wezen te zijn dat voortdurend zelfdiscipline nodig heeft. Mills utilitarisme bouwt in veel opzichten voort op de klassiek-Griekse deugdethiek; c. we hebben laten gebeuren dat macht en invloed steeds meer kwamen te liggen bij de aanbidders van het geld, dat zijn in de ogen van Mill zeer beperkte, ééndimensionale, mensen. Mills eigen opvoeding en de persoonlijke crisis die hij rond zijn twingtigste doormaakte, had hem geleerd dat eenzijdigheid, ééndimensionaliteit, uiteindelijk ongelukkig maakt. Een mens moet er volgens Mill naar streven een meerdimensionaal wezen te zijn met een palet aan kwaliteiten en goede karaktereigenschappen. Dat karakter moet bovendien onderscheidend zijn, echt een unieke persoon. Mill is bovendien een meritocraat: macht en invloed kun je beter maar in handen geven van de best ontwikkelde, meest hoogwaardige, mensen; d. Mill was voorstander van een zgn. stationary state, een stationaire economische toestand. Als malthusiaan redeneerde hij: wanneer we de bevolkingsomvang kunnen stabiliseren, is een relatief bescheiden economische groei voldoende om per individu beduidend welvarender te worden. e. utiliteit is voor Mill ook een beginsel van rechtvaardigheid. Het ‘grootst mogelijke geluk voor het grootst mogelijke aantal mensen’ is iets anders dan een heel kleine groep superrijk laten worden. Dat hield voor hem in dat alle productieve mensen de voordelen zouden plukken van het centrale beginsel van het kapitalisme: privé-eigendom. De extreme rijkdom van een klein aantal superrijken is in strijd met de klassieke economie, die arbeidsinspanning koppelt aan privébezit en die bovendien de wet van het afnemend grensnut hanteert: door een handjevol rijken steeds rijker te laten worden vindt nauwelijks nog enige toevoeging van economisch nut plaats; f. Het neoliberalisme heeft, bij monde van Fukuyama en zijn volgelingen, de neiging gehad om ‘het einde van de geschiedenis’ af te kondigen. Daarmee bedoelden ze: er is nog maar één maatschappelijk en economisch model, het neoliberalisme. Mill associeerde zo’n monolitische benadering met stagnatie, verstening van een samenleving. Een samenleving kan alleen groeien en vooruitgang boeken in cultureel, moreel en economisch opzicht, wanneer zij open blijft staan voor andere, afwijkende, opvattingen en daarmee de dialoog aangaat. Mill was een dialecticus, die veel waarde hechtte aan de diversiteit van meningen en aan de confrontatie tussen verschillen in mening.
Cor Hermans Cor Hermans Linkshttp://www.uitgeverijatlas.nl/result_titel.asp?Id=2517 |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|