|
Het merkwaardige aan Dirk Verhofstadts jongste boek Pleidooi voor individualisme is dat hij hier op een boeiende manier eigenlijk een pleidooi ontwikkelt voor een actueel personalisme. Het uitgangspunt van het personalisme kan men omschrijven als de erkenning van de menselijke persoon als een innerlijk vrij en scheppend wezen binnen een reeds bestaande morele gemeenschap (1). Wie vertrouwd is met personalistische auteurs als Paul Ricoeur (°1913), Jacques Maritain (1882-1973) of Emmanuel Mounier (1905-1950) - wiens 100ste verjaardag we in 2005 herdenken - zal verwonderd zijn dat in het uitgebreide voetnotenapparaat geen enkele verwijzing gemaakt wordt naar deze personalisten. Niettegenstaande Dirk Verhofstadt op blz. 59 wel even het personalisme vermeldt, blijft hij hetgeen de essentie is van het personalisme, benoemen als ‘individualisme’. Voor Verhofstadt is individualisme ‘de groei naar een unieke persoonlijkheid’ (blz. 50). Hij vervolgt: “Het is mens worden met alle rechten en vrijheden die dit met zich meebrengt, maar ook met alle plichten tegenover anderen en ten aanzien van de gemeenschap”. Uiteraard heeft hij gelijk – zoals hij ook in Nachtwacht (Canvas 22 januari 2005) tegenover Mark Elchardus stelde – wanneer hij herhaalt dat een dergelijk individualisme (personalisme) niet mag vereenzelvigd worden met egoïsme, zelfzucht, extreem eigenbelang, hedonisme, narcisme, atomisme en onverschilligheid. Zoals Paul Ricoeur in zijn Le problème du fondement de la morale, typeert Verhofstadt vrijheid tot zelfverantwoordelijkheid als de kern van de ethiek (blz. 50). Pas vanuit authentieke vrijheid is het individu in staat om ook de positie van de medemens te bevorderen. Met de theoloog en ethicus Gerrit Manenschijn komt Verhofstadt bijna tot een pleidooi voor christelijke naastenliefde door aan te geven dat het klopt dat mensen zich goed voelen als ze iets goed voor anderen hebben gedaan – ‘zoveel sterker dan afstandelijke onverschilligheid’ (blz. 52). Zoals Kant – maar ook zoals een personalist – erkent de ‘individualist’ Verhofstadt zijn medemens echter niet alleen uit compassie, uit sympathie of om een goed gevoel te beleven. De mens kent een plicht jegens anderen. In het begrip vrijheid zit een opdracht verborgen. Voor Kant een verplichting, wat voor een personalist ook een verlichting kan betekenen. Zoals de personalistische Canadese filosoof Jean Vanier (stichter van de Arkgemeenschappen) het ooit uitdrukte: “celui qui me dérange, éveille en moi…la vie!”. Het wordt dan haast een evidentie om de andere te erkennen en ook hem of haar te helpen autonoom te zijn. Verhofstadt: “Het drukt uit dat je alleen mens bent in relatie tot de andere mensen” (blz. 53). Voor Verhofstadt is een dergelijk individualisme dan ook het tegengestelde van een socialisme dat mensen zou toelaten en zelfs aanmoedigen hun verantwoordelijkheid te ontlopen. Dit zou voor hem trouwens een van de redenen zijn van de sluimerende legitimiteitscrisis van het sociale zekerheidsstelsel (blz. 54). Terwijl volgens Verhofstadt het door ultraliberalen zo verketterde sociaal zekerheidssysteem, mensen juist in staat stelt tot waarachtig individueel (personalistisch) handelen (blz. 56). Verhofstadts pleidooi voor individualisme komt erop neer ‘instituties op te richten waarin mensen samenwerken zonder dat ze hun eigen, individuele doelstellingen loochenen’ (blz. 57). Merkwaardig is dus dat Verhofstadt zeer ver gaat in het – zonder dit zelf blijkbaar te beseffen – aansluiten bij het personalisme. Hij komt zelfs in het vaarwater van Emmanuel Levinas wanneer hij er voor pleit ‘iets te doen ten bate van medemensen zonder dat men daarvoor een tegenprestatie verwacht’. Een stap verder dus dan het ‘welbegrepen eigenbelang’ op het einde van Guy Verhofstadts tweede brief aan de andersglobalisten (november 2003). Heel sterk wordt het wanneer Dirk Verhofstadt stelt dat dit wel betekent ‘dat de mens zowel tegenover zichzelf als tegenover de anderen zijn geweten moet laten spreken’ (blz. 61). Jammer dat Verhofstadt niet (meer) weet dat een gezond zondebesef hier niet tegenstrijdig mee is (blz. 108), maar dat kan men de auteur natuurlijk niet kwalijk nemen. Toch komt hij heel dicht bij het inzicht dat een gave gewetensvorming als voorwaarde voor waarachtig individualisme (personalisme) in deze tijd geen gemakkelijke opgave is. In feite, stelt Verhofstadt, vertrekt alles van het besef van de betrekkelijkheid en onvolmaaktheid van het denken (blz. 62). In het christendom vertrekt alles van de onmetelijke liefde van God, waardoor de mens steeds opnieuw dit besef van betrekkelijkheid en onvolmaaktheid ervaart – uiteraard ook in zijn denken. Wanneer Verhofstadt echter aangeeft dat dit besef ingaat tegen het dogmatisme van zowel het christendom, het jodendom als de Islam dan heeft hij waarschijnlijk de repliek van de Jezuiët Jan Kerkhofs in een van de vorige afleveringen van Nachtwacht op Canvas gemist. Hierin veegde Kerkhofs moedig – in een confrontatie met E. Oger – deze achterhaalde eenzijdige visie omtrent de onfeilbaarheid van de paus, van de tafel. Knap is wel hoe Verhofstadt de Egyptische schrijfster Nahed Selim aanhaalt om het te hebben over de (individuele) zoektocht naar de antwoorden op vragen die het leven stelt (blz. 103). Verhofstadt verwoordt hier op een heel authentieke manier zijn opvatting van religie – bedoelt hij niet spiritualiteit? – in aansluiting op het denken van Pico delle Mirandola in de Renaissance. Deze gaf aan hoe de mens tot het goddelijke kan verheven worden wanneer hij deze zoektocht aandurft. Godsdienst, gemeenschap en familie bepalen de setting, stelde Pico, maar het scenario moet je zelf schrijven (blz. 116). Zeker tegen de achtergrond van een actief-pluralistische visie over spiritualiteit die zich in Vlaanderen meer en meer aan het ontwikkelen is, is dit een verrassende handreiking. Binnen het interuniversitaire Spes-Forum (Spiritualiteit in de Economie en de Samenleving) bijvoorbeeld omschrijft men spiritualiteit (niet toevallig vanuit een personalistische achtergrond) precies als de pluriforme zoektocht van mensen naar een levenszin die hen in voeling brengt met God of de ultieme werkelijkheid die hen verbindt met al wat leeft (3). Verhofstadt pleit herhaaldelijk (blz. 95, 112, 134, enz.) voor een soort nieuwe drievuldigheid: de scheiding tussen kerk en staat, de gelijkwaardigheid van alle mensen en de vrijheid van meningsuiting. Zoals kerkelijke leiders dit natuurlijk niet hoeven te interpreteren als een dogma omtrent een soort nieuwe universele seculiere moraal, zo geeft Verhofstadt zelf aan dat pas ‘als men aanvaardt dat eigen inzichten geen absolute geldingskracht hebben, men kan open staan voor de mening van anderen en dat men bereid is om zijn uitgangspunten bij te sturen’ (blz. 63). In een interview met het Vrijzinnig Antwerps Tijdschrift eind 2004 stelde Verhofstadt het dan ook heel klaar: ‘Een religie hoeft geen bedreiging te zijn voor het individualisme. Het kan voor veel mensen trouwens ook een bron en een inspiratie zijn’. We moeten de mens dus blijkbaar toch niet ‘behoeden voor Gods woord’, zoals vreemd genoeg bij een weekendinterview met Verhofstadt in De Morgen geblokletterd stond in het najaar van 2004. In de tweede helft van het boek stapt Verhofstadt echter plots over van een pleidooi voor een aanvaardbaar en begrijpelijk individualisme (personalisme, zeg maar) naar een pleidooi voor een consumptiemaatschappij. Daarenboven gaat hij zich afzetten tegen denkers zoals R. Safranski die duidelijk gemaakt hebben dat een (personalistisch) ‘individualisme’ tot een egoïsme verwordt, wanneer men de consumptiemaatschappij vrij spel laat (blz. 65 en 73). Het is vreemd dat Verhofstadt niet lijkt door te hebben dat het precies daarom is dat men zijn Pleidooi voor individualisme moeilijk anders kan interpreteren dan een vergoelijken van een tot ‘eng egoïsme verworden’ individualisme. Verhofstadt blijkt maar niet te aanvaarden dat de vrijheid die normaliter door zijn individualisme gegarandeerd wordt, juist door het consumentisme in de kiem gesmoord dreigt te worden. Hij snapt blijkbaar niet dat de ‘consumptiemaatschappij zou leiden tot onverschillige kopers die alleen maar oog hebben voor een vergroting van hun eigen materiële welvaart, waarbij het individu zich zou laten regeren door de markt’ (blz. 65). Verhofstadt weet geen weg met een auteur als Kalle Lasn die het heeft over ‘de vloek van de overvloed’ en de noodzaak om te consu-minderen, waar nu zelfs onze staatssecretaris voor duurzame ontwikkeling (Els Van Weert) op springt, iemand die toch moeilijk als neo-marxist te bestempelen is. Lasn stelt dat reclame en media ons dreigen te verdoven en te verdwazen. Verhofstadt kan er haast niet bij dat Mark Elchardus (zijn opponent in de Nachtwacht midden januari), de samenleving ziet evolueren naar ‘een markt van consumenten die op zich geen weerstand kunnen bieden’ (blz. 66). Uiteraard heeft Verhofstadt overschot van gelijk dat het een zegen is dat ‘individuen’ (mensen?) over zoveel keuze beschikken ‘inzake literatuur, muziek, film, plastische kunsten, reizen, communicatie of informatie’ (blz. 67). Maar hij lijkt niet in te zien dat juist het téveel aan keuzemogelijkheden een ‘land van de dwazen’ installeert - waarvoor die andere personalist K. Van Isacker decennia geleden al waarschuwde. Vreemd dat Verhofstadt aangeeft niet te beseffen welk gevaar dit alles inhoudt voor de samenleving. Hij legt de vinger op de (eigen?) wonde wanneer hij zo pertinent stelt: ‘Burgers zijn inderdaad consumenten, maar tegelijk veel meer dan dat’ (blz. 67 en 68). De democratie ‘corrigeert’ volgens Verhofstadt en tegelijkertijd onderschat hij met die uitspraak de overmacht van de consumptiemaatschappij. Verdoofde burgers bedanken voor V’s pleidooi om door middel van inspraak greep te krijgen op het beleid (blz. 67). Het typeert Verhofstadts individualisme dat individuen hun vrijheid uiteindelijk maar kunnen realiseren wanneer ze die vrijheid ook gaan (h)erkennen in ‘de ander’e en hiervoor juist gemeenschappen (her)waarderen: “Daarom zullen individuen zich steeds willen inschakelen in sociale netwerken, omdat alleen in deze netwerken en niet in cocons, erkenning, respect en begrip gevonden kunnen worden” (blz. 76). Met Kant stelt V. dan ook dat juist deze ungesellige Geselligkeit aanzet tot een redelijk gedrag en evenwicht tussen individu en gemeenschap. Toch worden die netwerken door Verhofstadt toch plots door het slijk gehaald als ‘collectieve identiteiten’ die gelukkig afbrokkelen (blz. 68). De prangende nood aan een gezond middenveldweefsel wordt nu in één klap geïdentificeerd met ‘uniformiserende tendensen van de verzuiling’ (blz. 68). Vervolgens blijkt Verhofstadt niet te aanvaarden dat wanneer mensen zogezegd ‘bouwen aan een persoonlijke identiteit naar gelang van hun favoriete muziek, boeken, reizen, vrienden en contacten’ dit juist de ‘uniformiserende’ tendensen van deze tijd zijn (blz. 68). De vakantierages naar de Provence en Toscane worden volop ingeruild voor Turkije – om Koen Raes in diezelfde Nachtwacht met Dirk Verhofstadt en Mark Elchardus te parafraseren. Klopt het overigens wel dat consumenten geen volgzame schapen maar kieskeurige wolven zijn (blz. 74)? Het is wat pijnlijk te moeten lezen bij Verhofstadt dat Elchardus de morele waarde van het individu niet zou beseffen ‘omdat hij het in zijn ideologische blindheid en partijpolitieke aanhankelijkheid bewust of onbewust vereenzelvigt met egoïsme’ (blz. 71). Helaas moeten we vaststellen dat Verhofstadt deze - zoals aangegeven niet noodzakelijke - identificatie uitlokt door zelf haast blind te zijn voor de negatieve externe effecten van het consumentisme op het (personalistisch) individualisme. Treffend is dan weer dat hij deze bijzonder goed samenvat door opnieuw met R.Safranski aan te geven dat de vrijheid van de burgers in de maatschappelijke rol van kiezer én consument als een existentieel probleem ervaren wordt: “De veelheid aan opties leidt immers tot een vorm van besluiteloosheid, onverschilligheid en ervaring van zinloosheid” (blz. 73). Ongelimiteerde keuzemogelijkheden maken de mens onvrij en leiden tot keuzedwang. Hoe komt het toch dat Verhofstadt in zijn analyse de dynamiek van het personalistisch individualisme – waar hij in het begin van het boek voortdurend naar verwijst – verlaat door het belang van ‘consuminderen’, ‘zelfbeheersing’ en ‘zichzelf een vorm van discipline opleggen’ nu als haast belachelijk conservatief, van tafel te gooien? Waarover heeft hij het dan wanneer hij – zoals in het interview met hem in het decembernummer van Filosofiemagazine, en ook in Nachtwacht – voortdurend Immanuel Kant citeert die stelt dat de autonome mens zijn medemens erkent omdat hij een ‘plicht’ heeft jegens de andere en de samenleving: ‘Du kannst, denn Du sollst’? Verhofstadt riskeert op deze manier Kant met Kant van kant te maken. In tegenstelling met Verhofstadt kunnen we ons niet achter Pascal Bruckner scharen die stelt dat alle gepraat over de leegte van het consumentisme even leeg is als datgene waar het zich tegen verzet (blz. 74). Het is juist de opkomende innerlijke ervaring van leegte die in onze samenleving en economie zo problematisch wordt.
Hendrik Opdebeeck Hendrik Opdebeeck |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|