Liberalen moeten streven naar een open samenleving. Dit is een maatschappij waarin er geen plaats is voor onderdrukking van het individu door religieuze extremisten, ethische conservatieven, corporatistische en paternalistische organisaties en fascistische bewegingen. Het idee van de open samenleving is afkomstig van de filosoof Karl Popper en wordt tegenwoordig door Belgische liberalen terecht naar voren geschoven als hét samenlevingsmodel bij uitstek. Een mooi voorbeeld hiervan is de column van de hand van Dirk Verhofstadt die verscheen in de nieuwsbrief van Liberales op 26 januari 2007. Aanstekelijk zijn ook de vurige pleidooien van het aanstormende liberale talent Mathias de Clercq. Zelden heb ik de laatste jaren iemand met meer passie en overtuiging horen spreken over een verdraagzame, tolerante en dus open samenleving met aandacht voor iedereen, voor ieder individu als individu met onvervreemdbare rechten. Niet alleen de gegoede bovenklasse is belangrijk voor hem, ook gehandicapten, laaggeschoolden, etnische minderheden, migranten, vluchtelingen en mentaal zwakkeren worden door de open samenleving in bescherming genomen. Of beter gezegd: ze krijgen van de open samenleving de gelegenheid om een menswaardig leven te leiden. Zoals gezegd mag de open samenleving niet vervallen in oude maakbaarheidsidealen die kenmerkend zijn voor een corporatistische staat die het individu van bij de wieg tot aan de dood een welbepaalde richting opstuurt. De open samenleving schept de condities waarin ieder individu kan gedijen maar mag op geen enkel moment zelf gaan bepalen hoe het individu zijn leven nu precies moet vorm geven. De open samenleving is inderdaad de beste mogelijke manier om het samenleven binnen de hedendaagse westerse maatschappij vorm te geven. Het Popperiaanse concept past daarom perfect met de ideeën van de grote Amerikaanse liberale filosoof John Rawls, allicht de meest invloedrijke politieke filosoof uit de twintigste eeuw. Met name zijn idee van de overlappende consensus is een uitstekende aanvulling bij de open samenleving. Volgens mij gaat het zelfs om een noodzakelijke aanvulling. Je zou ook kunnen zeggen dat een overlappende consensus inherent is aan een open samenleving omdat het op een ingenieuze manier de Januskopachtige demonen van het cultuurrelativisme en het monoculturalisme buitenspel zet. In datgene wat volgt probeer ik de fundamenten van deze stelling bloot te leggen. De structuur van het vervolg van dit korte essay is opgedeeld in twee delen. Eerst verklaar ik waarom de hedendaagse westerse samenleving een overlappende consensus nodig heeft. Daarna ga ik dieper in op de vraag wat de overlappende consensus nu precies is. Pluralisme In een samenleving die wordt gekenmerkt door diversiteit is het bestrijden van onderdrukking van het individu de enige manier om grote maatschappelijke onrust te voorkomen. De Amerikaanse filosoof John Rawls beschrijft dit mooi in zijn boek Political Liberalism uit 1994. Volgens hem is er binnen hedendaagse westerse samenlevingen sprake van het feit van verstandelijk pluralisme (reasonable pluralism). Rawls stelt terecht dat het cultureel pluralisme een gegeven is waar westerse samenlevingen niet meer omheen kunnen. Volgens mij is het moeilijk om deze stelling van Rawls te weerleggen. We leven inderdaad in een samenleving die wordt gekenmerkt door pluralisme. Zelfs de meest geharde critici van het multiculturalisme kunnen het bestaan van het pluralisme niet ontkennen. Het idee van homogene natiestaten is niet meer van deze tijd. In de eerste plaats is er natuurlijk het feit dat binnen ons globale tijdperk interactie tussen verschillende culturen een fenomeen is waarmee iedereen dagelijks wordt geconfronteerd. Een beperkte groep mensen probeert zich aan deze culturele interactie te onttrekken door zich op te sluiten in afgesloten gemeenschappen, echter, in de publieke sfeer is het onmogelijk om contact met mensen met een andere culturele achtergrond te ontlopen. Culturele diversiteit is dus belangrijk. Toch is het niet de enige vorm van diversiteit waarmee westerse samenlevingen aan het begin van deze eeuw worden geconfronteerd. Het zou verkeerd zijn om de samenleving in te delen in culturele blokken zoals de conservatieve politieke denker Samuel Huntington doet in zijn ondertussen befaamde boek The Clash of Civilizations uit 1996. We moeten diversiteit aanzien in de meest ruime zin van het woord. Naast culturele verschillen zijn er ook andere verschillen die belangrijk zijn. Amartya Sen verwijst in zijn boek Identity and Violence hier naar. We moeten volgens hem niet alleen aandacht schenken aan verschillen in culturele achtergrond maar aan alle verschillen in levensstijlen. Hij wordt hierin gevolgd door de Ghanese filosoof Kwame Anthony Appiah die momenteel doceert aan de universiteit van Princeton. Sen denkt onder andere aan verschillende vormen van kunstbeleving of divergerende religieuze en spirituele levenswijzen. Appiah wijst op het feit dat het individu zelf het kruispunt is geworden van meerdere identiteiten. Hijzelf is bijvoorbeeld niet alleen Ghanees maar ook een westers filosoof. In zijn boeken beschrijft hij op een bijzonder interessante manier de conflicten die dat bij hemzelf teweegbrengt. Belangrijk is ook dat hij er net als Sen in slaagt om het vraagstuk van het pluralisme niet te herleiden tot een cultureel debat. Kosmopolitisme wordt door hem gebruikt als een concept om te spreken over verschillende levensstijlen en niet louter over verschillende culturen. Dat soort Huntingtoniaans reductionisme leidt alleen maar tot cultureel fanatisme en een dichotomisch denken dat functioneert als een self-fulfilling prophecy. De ontwikkelingen die in de wereld sinds het verschijnen van het boek van Huntington hebben plaatsgevonden spreken boekdelen. Enkele maanden geleden las ik een krantenartikel over jonge leden van Hamas die werden geïnterviewd door een Belgische journalist. Op de vraag waarom ze strijd voerden tegen de ‘zionistische vijand’ gaven ze een ontluisterend antwoord: “Het gaat om een strijd tussen beschavingen, heeft u het boek van Huntington dan niet gelezen meneer de journalist?” Belangrijk is echter ook om er op te wijzen dat het proces van individualisering heeft geleid tot een bijna onoverzichtelijk aantal levensstijlen. Denken we maar aan holebi’s die een kind willen adopteren, aan een vrouwelijke manager die ook de moeder wil zijn van drie kinderen of aan een priester die uit het celibaat wil stappen maar toch zijn geloof wil blijven prediken. Het aantal voorbeelden dat ik hier kan aanhalen is schier oneindig. Deze visie ontleen ik aan de werken van de Britse socioloog Anthony Giddens. Hij legt hier één van de meest belangrijke sociale ontwikkelingen die hebben plaatsgevonden sinds het einde van de tweede wereldoorlog bloot. Omdat mensen steeds meer kansen krijgen om zichzelf te ontplooien is er een grote diversiteit aan levensstijlen ontstaan binnen de grenzen van de moderne westerse samenleving. Sociologen hebben de neiging om te spreken in termen van subculturen. Deze term is echter achterhaard – het is een term geïntroduceerd tijdens de jaren zestig van de vorige eeuw – omdat het niet meer gaat om culturele verschillen in strikte zin maar over verschillen tussen individuele levensstijlen. Omdat iedereen tegenwoordig zelf de kans heeft om keuzes te maken met betrekking tot zijn persoonlijke levensinvulling is het ontstaan van deze diversiteit aan levensstijlen zo vanzelfsprekend dat we er weinig aandacht aan hebben besteed op conceptueel en politiek niveau. Dan is er ook nog de invloed van technologische en medische vooruitgang. Deze hebben er voor gezorgd dat de levensduur van de mensen in het westen substantieel is verlengd. Ze maken ook de behandeling van meerdere ziektes mogelijk zodat aandoeningen die enkele jaren geleden nog levensbedreigend waren dat nu niet meer zijn. Mensen met fysieke en geestelijke tekortkomingen zijn vandaag de dag niet meer gedoemd tot een leven in afzondering maar kunnen dankzij de medische en technologische vooruitgang actief deelnemen aan het publieke en politieke leven. Het aantal ouderen en gehandicapten die deelnemen aan het publieke leven is de laatste jaren opmerkelijk toegenomen. Dat er tegenwoordig iemand die doof is, in het Vlaamse parlement kan zetelen is in dit opzicht veelzeggend. De toenemende aanwezigheid van deze mensen in het maatschappelijke leven vereist echter dat we onze politieke theorieën en modellen aanpassen. Hoe moeten we immers omgaan met deze mensen die, laten we eerlijk zijn, fundamenteel verschillen van de gemiddelde burger? Samenvattend: de hedendaagse samenleving, en de publieke sfeer in het bijzonder, laat zich kenmerken door een grote veelheid aan verschillende vormen van leven. Het is in deze, ruimere, zin dat we het feit van verstandelijk pluralisme van Rawls moeten interpreteren. Het is ook binnen dit kader dat de overlappende consensus zijn intrede doet. Een pluralistische samenleving vereist een overlappende consensus om twee redenen. Ten eerste wordt de individuele diversiteit die ontegenzeglijk bestaat erkent, ten tweede biedt het ondanks deze erkenning een model dat vreedzaam samenleving op basis van gedeelde waarden mogelijk maakt. Om dit beter te begrijpen moeten we van naderbij bekijken wat deze overlappende consensus nu precies inhoudt. Sta me toe om dit vooral ook te doen door exact aan te wijzen wat het niet inhoudt. Zo kunnen heel wat misverstanden a priori vermeden worden. De twee demonen van de overlappende consensus: het cultuurrelativisme en het monoculturalisme Redelijk pluralisme impliceert geen cultuurrelativisme. De leden van de westerse pluralistische samenleving delen volgens Rawls een overlappende consensus van waarden die het fundament vormen van de liberale democratie. Deze overlappende consensus brengt met zich mee dat de burgers van de samenleving zich engageren om fundamentele basiswaarden te erkennen als legitiem en onaantastbaar. Het is vanzelfsprekend dat binnen een open samenleving de erkenning van het individu en zijn rechten één van deze fundamentele basiswaarden is. Andere belangrijke waarden zijn het recht op vrije meningsuiting, het recht op een menswaardig leven en het recht op politieke associatie. Buiten de overlappende consensus is er ruimte om een persoonlijke invulling te geven aan het eigen leven zonder de overlappende consensus in gevaar te brengen. Bovendien zijn ook bepaalde onderdelen van de overlappende consensus vatbaar voor een individuele interpretatie. Zo bijvoorbeeld het recht op een goed leven. Amartya Sen heeft op dit vlak overtuigend aangetoond dat niet iedereen onder een menswaardig leven hetzelfde verstaat. Dit doet hij in zijn baanbrekende boek Inequality Reexamined uit 1992. Individuen hebben volgens Sen het recht, misschien zelfs de plicht, om voor zichzelf te bepalen wat ze willen bereiken in hun leven. Iemand het recht op een goed leven onthouden gaat echter te ver en moet ten alle tijden worden afgekeurd. De overlappende consensus van het liberalisme van John Rawls vermijdt op deze manier het cultuurrelativisme van postmoderne denkers die iedere vorm van universalisme afwijzen als een illusoire fictie van de moderne tijd. Met name de liberale filosoof Richard Rorty komt in sommige van zijn essays dicht bij deze positie uit. We zien het ook in vergaande mate terug bij de Britse filosoof van Indiase afkomst Bhiku Parekh. De overlappende consensus bevat immers wél waarden die kunnen beschreven worden als universeel. De fundamenten van de overlappende consensus zijn de maatstaf die bij cultuurrelativisten ontbreekt om verwerpbare praktijken af te keuren. De overlappende consensus vermijdt echter niet alleen het cultuurrelativisme maar ook het monoculturalisme. Dit laatste houdt het idee in dat er één vorm van het goede leven bestaat dat superieur is aan alle anderen manieren om een leven te leiden. Een gevolg hiervan is dat iedereen die dit goede leven niet erkent als het enige legitieme en nastrevenswaardige levensmodel een inferieur leven lijdt. Het concept monoculturalisme werd in het leven geroepen door de Britse filosoof Isaiah Berlin, jarenlang werkzaam als professor in Oxford. Het is een bijzonder actueel concept dat meer aandacht verdient in filosofische discussies. Worden we tegenwoordig immers niet opnieuw geteisterd door een horde van monoculturalisten? Zo is er de rechtse Franse presidentskandidaat en huidig minister van binnenlandse zaken Nicolas Sarkozy. Hij noemde anderhalf jaar geleden de jonge etnische inwoners van de banlieus van Parijs ‘uitschot’ dat hij met een hogedrukreiniger van de straat zou gaan spuiten. In interviews en toespraken hamert hij er voortdurend op dat inwoners van Frankrijk die de waarden van de Republiek niet erkennen geen plaats hebben binnen zijn land. Het wordt hoog tijd dat iemand Sarkozy het boek Political Liberalism van John Rawls cadeau doet. Dan kan ook Frankrijk beginnen met het creëren van een overlappende consensus. Zoals ik al aanhaalde is zo een consensus onontbeerlijk in de hedendaagse pluralistische samenleving. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de rellen die tijdens de herfst van 2005 in nagenoeg alle Franse steden uitbraken geen verlengstuk kregen in de overige landen van West Europa. Een doembeeld dat toen nochtans door fascistische politici in België met veel praalvertoon werd verkondigd in de media. Ook zij hadden toen allicht van de overlappende consensus van Rawls nog nooit gehoord. Het Franse republikeinse staatsmodel is een anachronisme en een uitstekend voorbeeld van de desastreuze gevolgen van de toepassing van monoculturele idealen in de praktijk. Maar laten we ook de Amerikaanse predikant en Baptist Jerry Falwell niet vergeten. Volgens hem waren de aanslagen van 11 september een verdiende straf voor zijn volk omdat zijn Amerikaanse landgenoten te decadent en te wellustig geworden zijn. Een leven dat afwijkt van de religieuze doctrines gepredikt door Falwell? Onaanvaardbaar! Onder monoculturalisten verstaat de filosoof Bhiku Parekh vooral westerse denkers en ideologen die hun waarden willen opleggen aan etnische of religieuze minderheden. De hierboven aangehaalde Franse politicus Nicolas Sarkozy is hier een uitstekend voorbeeld van. In zeker zin heeft Parekh gelijk, monoculturalisme is niet verzoenbaar met de principes van de overlappende consensus van Rawls. Het monoculturalisme probeert met geweld één vorm van het goede leven op te leggen aan iedereen. Omdat liberalen het, in navolging van Amartya Sen, de laatste jaren met elkaar eens zijn geraakt dat individuen nu eenmaal verschillende verlangens, behoeften en verwachtingen hebben, valt het monoculturele denken niet meer te verzoenen met de basisprincipes van het liberalisme. Toch schuilt er een gevaar in de redenering van de filosoof Parekh. Doorheen zijn boek Rethinking Multiculturalism laat hij uitschijnen dat het monoculturalisme vooral een probleem is van universalistische westerse denkers die assimilatie aanzien als het enige politieke model voor de multiculturele samenleving. Dit is een misleidende suggestie. Het monoculturalisme is geen verschijnsel dat alleen terug te vinden is onder westerlingen. Het zijn inderdaad moslimfundamentalisten allerhande die aan het begin van de 21ste eeuw de grootste groep van monoculturalisten vormen. Zij volgen de leer van de beruchte Egyptische Moslimbroeder Said Qutb, die met veel pathos beweerde dat de westerse cultuur met wortel en al moet worden uitgeroeid. Hij propageerde een strenge Wahabistische interpretatie van de Islam als de enige vorm van het goede leven. Wie twijfelt aan de invloed van dit soort ideeën op hedendaagse moslims verwijs ik graag naar een uitstekend boek van de Amerikaanse intellectueel Paul Berman uit 2003: Liberalism and Terror. De vraag die overblijft, is hoe de overlappende consensus het monoculturalisme omzeilt. Dit gebeurt op de volgende manier: er wordt gezorgd voor een sokkel van basiswaarden die iedereen moet onderschrijven. Zoals gezegd bieden deze basiswaarden aan iedereen de kans om een menswaardig leven te leiden. Ze zijn nooit monoculturalistisch omdat de overlappende consensus geen veelomvattende lijst is met gedragingen die de burgers van de samenleving moeten navolgen. Het gaat in tegenstelling om basisprincipes die moeten erkend worden als legitiem zodat ieder individu de kans heeft om zijn eigen gedragingen te kiezen. Een erkenning van deze basisprincipes impliceert uiteraard bepaalde beperkingen. Maar deze beperkingen zijn altijd negatief in de zin dat ze verbieden om het recht op individualisme van anderen te ondermijden. Ze zijn niet positief omdat ze niet zeggen: dit moet, dit kan, dit moet zo gebeuren, dan moet je zo handelen en dan zo. Het liberalisme mag immers niet terug in de val lopen van de positieve vrijheid. Zo belanden we opnieuw bij de grote filosoof Isaiah Berlin. Die waarschuwde voor de gevolgen van positieve vrijheid in zijn inaugurale rede aan de Universiteit van Oxford in 1958. Karl Popper, Amartya Sen, Kwame Anthony Appiah, Anthony Giddens, Isaiah Berlin en John Rawls: wie zei er ook alweer: ‘Great Minds think alike?’
Christophe Andrades Linksmailto:Chris.Andrades@HISTORY.unimaas.nl |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|