Omtrent vrije meningsuiting

essay vrijdag 24 november 2006

Yannick Ottoy

Liberalen huldigen de stelling dat niemand in de plaats van een ander kan kiezen hoe die ander moet leven. Maar maakt dat de liberale ideologie niet kwetsbaar: wat als mensen de geboden vrijheid gebruiken om te kiezen voor een leven dat in strijd is met die vrijheid? Mogen liberalen die keuzes verbieden? Het liberalisme is een huis met vele kamers. Al naargelang van de kamer waarin men zich bevindt, kan men dan ook een ander uitzicht op het politieke landschap rondom zich hebben. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat liberalen het over een aantal thema’s onderling soms grondig oneens kunnen zijn. Toch bewijzen deze onenigheden geen onoverbrugbare interne kloof, maar bevestigen ze alleen maar dat het liberale huis gebouwd is op één en dezelfde fundering, namelijk de vrijheid.

Vrijheid is voor een liberaal het brood, de morgen en de opgaande zon. Het is het geboorterecht van elke mens en hoeft in belang dan ook voor geen enkel ander principe onder te doen. Vrijheid is namelijk de noodzakelijke voorwaarde bij uitstek tot het uitbouwen van een volwaardig menselijk bestaan. Elk individu moet in volle vrijheid de keuzes kunnen maken die hij nodig acht in het nastreven van zijn geluk. Hij moet dus vrij kunnen bepalen waar te leven, voor wie te werken en wat te kopen. Alleen zo zal hij zijn talenten het best kunnen benutten, en zich volledig kunnen ontplooien. Twijfelen aan de waarde van het begrip vrijheid betekent dus het ondergraven van de fundering onder het liberale huis. Een invulling geven aan het liberalisme zonder te wijzen op de centrale rol van de vrijheid, is dus ondenkbaar.

We merken dus al gauw dat het liberalisme, in tegenstelling tot andere ideologieën zoals het socialisme, niemand een bepaalde levenswijze wenst op te leggen maar daarentegen aan iedereen de vrije keuze laat zijn leven naar eigen goeddunken in te vullen. Het beste leven is immers het leven dat men zelf kan kiezen. Liberalen bieden dus geen ideologisch onderbouwd antwoord op de vraag welke levenswandel nu als de ideale moet worden beschouwd. Deze stimulans tot openheid en zelfbeschikking mag echter niet als een vrijgeleide voor absolute vrijheid worden begrepen. Het liberalisme kent immers een sterke morele ondertoon, en voert waarden als tolerantie, diversiteit en rechtvaardigheid hoog in het vaandel. Op die basis is het voor alle liberalen, waar en wanneer dan ook, onmogelijk misdadig gedrag goed te praten als een uiting van persoonlijke levensvrijheid. Stelen of het plegen van geweld is immers een uiting van vrijheid die echter de vrijheid van bezit en zelfcontrole van een andere personen aantast, en bijgevolg verwerpelijk is. Vrijheid blijft pas legitiem tot op het punt waar de vrijheid van anderen begint. Want hoewel ieder individu de vrije beschikking heeft over zichzelf, moet hij of zij ook het evenwaardige recht op vrijheid van anderen respecteren. De sterke voorliefde voor vrijheid, die alle liberalen kenmerkt, staat dus helemaal niet gelijk aan een neutraal en onverschillig relativisme, waarbij ook een levenswijze die anderen schaadt wordt getolereerd.

Wanneer we dit onderscheid tussen vrijheid jegens zichzelf enerzijds en vrijheid tegenover anderen anderzijds als basis nemen, dan kan een liberaal zich bijvoorbeeld niet vinden in een verplichting tot het dragen van de autogordel. Iedere persoon bezit immers zichzelf en heeft dus ook het absoluut vrije recht zichzelf schade toe te brengen. Niemand, ook de overheid niet, heeft het recht iemand deze verplichting op te leggen, enkel en alleen omdat men meent dat het een goed idee is. De situatie wordt anders wanneer we onze logica nu toepassen op de vraag of er in cafés mag gerookt worden. Wie in alle vrijheid beslist te roken op een publieke en afgesloten plaats, tast immers de vrijheid van de mensen rondom hem die beslissen niet te roken, onvermijdelijk aan. Wanneer de vrijheid van de mens zoals hier dus een gevaar voor de vrijheid van een ander mens vormt, dan dient de overheid wel regulerend op te treden.

Hieruit blijkt bijgevolg dus ook dat liberalen, ondanks hun voorliefde voor vrijheid, niet afkerig staan tegen het idee van een staat. Zonder een duidelijke staatsstructuur kunnen de individuen in elke samenleving namelijk niet beschermd worden tegen misbruiken van de vrijheid door anderen. In een wetteloze samenleving is er zodoende dan ook geen enkele garantie tot veiligheid. Vrijheid kan dus, paradoxaal genoeg, enkel en alleen bestaan onder de bescherming van een staat.

Liberalen zijn het klaarblijkelijk dus wel eens zijn over het principiële bestaansrecht van de staat. Toch rest er een stevige discussie onder liberalen over de precieze reikwijdte die deze staat zich in zijn strijd voor ieders persoonlijke vrijheid mag aanmeten. Hedendaagse liberalen, die de aanknopingspunten tussen het liberalisme en de sociaal-democratie in de verf zetten, wijzen op het belang van positieve vrijheden. Armoede, een gebrek aan kennis en maatschappelijke achterstand verhinderen de mens er namelijk in echt vrij te leven. Wie totaal onwetend of arm is, is veroordeeld tot een leeg en onverschillig bestaan. Wie afhankelijk is van steun en medeleven, beleeft zijn vrijheid virtueel. Daarom stellen deze moderne liberalen dat een rechtvaardige overheid de taak heeft onderwijs, sociale opvang en werklozensteun aan te bieden.

Dit is echter niet de visie van klassieke liberalen, die aan hun moderne geestesgenoten vooraf gingen en de rol van de staat veel minder groots zagen. Zij menen immers dat de staat enkel de negatieve vrijheden van zijn burgers moet garanderen. Zo een negatieve vrijheidsvisie impliceert dat iedereen het recht heeft met rust gelaten te worden. Los van elke overheidsinmenging moet ieder individu vrije keuzes kunnen maken. De overheid is er dus niet om sociale opvang te voorzien, maar wel om het leven, het bezit en de vrijheid van zijn inwoners te beschermen. Zo werd de godsdienstvrijheid één van de absolute stokpaardjes van deze generatie liberalen.

Deze overtuiging, die het liberalisme tot zijn kern terugbrengt en tegelijk de basis was waar ook de moderne liberalen op verder bouwden, impliceert natuurlijk ook een zekere tolerantie. Individuen zijn namelijk unieke schepselen, die in alle diversiteit hun eigen mening vormen. Alle liberalen, zowel de klassieke als de moderne, dienen met respect voor de persoonlijke autonomie dus te erkennen dat de overheid zich niet met deze diepste gedachten van de menselijke ziel kan inlaten. Ieder heeft de vrijheid te denken zoals het hem belieft, en moet hierbij van overheidsinmenging onthouden blijven. Want zelfs al strookt iemands mening niet met de onze, dan blijft zijn recht die mening te verkondigen overeind. Of zoals Voltaire het reeds lang geleden zei: “Ik verafschuw wat u zegt, maar ik zal uw recht om het te zeggen met mijn leven verdedigen.”

Deze gedachtegang brengt ons bij de achilleshiel van het liberalisme. Net zoals alle andere ideologieën kent ook het liberalisme namelijk zijn zwakke punten, waar het oog in oog met zichzelf komt te staan en moeilijk weet hoe te reageren. Wat staat ons, de liberale ideologie indachtig, immers te doen wanneer we geconfronteerd worden met meningen die indruisen tegen alle vormen van vrijheid, die zoals we nu weten, het fundament van het liberalisme uitmaken. Dient de overheid hier met de permissie van het liberalisme repressief tegen op te treden of niet?

Feit is de Westerse democratieën rondom ons het gevolg zijn van liberale ideeën. Het zijn stuk voor stuk constitutionele regimes waarbij de overheid in zijn taak beperkt wordt, en de liberale overtuiging een dominante stroming is geworden. Vrijheden zoals het recht op vrije meningsuiting, vrijheid van religie en vrijheid van bezit zijn zo diep in onze samenleving ingebed dat we ons deze waarden eigen hebben gemaakt. Wanneer de basis van al dit denken dan onder onze eigen neus in twijfel wordt getrokken, reageren we dan ook verschrikt. Toch moeten we ons hierbij behoeden voor een subjectieve reactie.

We mogen in onze reactie op personen of partijen die de meest fundamentele waarden uit het liberalisme aanvallen, niet vervallen in een messianistisch discours. Dit betekent dat we er niet van uit mogen gaan dat de belangen en doelstellingen van het liberalisme zo vanzelfsprekend zijn dat ze voorrang genieten op andere belangen, zelfs als deze populairder blijken te zijn. Het liberalisme staat niet boven alle andere opinies maar dient daarentegen het debat aan te gaan met deze tegenstrijdige meningen. Zo een voortdurende strijd van argumenten en meningen vormt de motor van sociale vooruitgang. Het liberale antwoord op ons dilemma ligt dus in het pluralisme, waarbij het debat en de communicatie over waarden ten alle tijden mogelijk blijft. Het pluralisme predikt immers de schoonheid van verscheidenheid. Het respecteert een verschil in ethische waarden, en erkent de eigenheid van elke cultuur. Zo een tolerante reactie past het beste in de liberale geest van diversiteit en vrije meningsuiting. De gedachten zijn en blijven vrij.

Samengevat kunnen we dus stellen dat liberalen niet bereid mogen zijn intolerantie met repressie te bestrijden. In een open samenleving staat het immers vrij kritiek te formuleren, alternatieve oplossingen voor te stellen en de heersende theorie te verwerpen. Hierbij ontstaat dan wel een onzekere situatie, waarbij een ideologie die uitgaat van intolerantie en onverdraagzaamheid de meerderheid kan bekoren en zo een gevaar kan vormen voor onze liberale basisprincipes.

Om het risico hierop en vooral de gevolgen hiervan te minimaliseren, dienen liberalen dan ook genoeg belang te besteden aan de bestaande staatsstructuur. Liberalen wensen immers niet blind te blijven voor het gevaar van een tirannieke meerderheid die de minderheid onderdrukt. De staat moet namelijk, zoals we eerder zagen, de individuele vrijheid van de mensen garanderen, en mag dus zelf niet het middel worden waarmee anderen deze vrijheden trachten in te perken. Daarom moeten de instituties zo ontworpen worden dat zelfs de meest intolerante en anti- liberale gezagsdragers slechts een minimum aan kwaad kunnen aanrichten, en daarenboven zelf steeds gecontroleerd kunnen worden. Dit kan onder andere door de grenzen van de overheid scherp af te bakenen, de onafhankelijkheid van de media te verzekeren, en burgerrechten diep te verankeren. Enkel en alleen door zo onze gezagsdragers zelf aan controle te onderwerpen kan een maatschappelijk kader ontstaan waarbij dreigende intolerantie niet met angstige repressie moet worden bestreden, maar met redelijke argumenten kan worden beantwoord. Op die manier komen liberalen wederom tot de vaststelling dat de sleutel en de waarborg voor persoonlijke vrijheid bij de constitutionele staat en zijn werking ligt.


De auteur is parlementair medewerker van Jacques Germeaux en Luc Willems

Yannick Ottoy

Yannick Ottoy

Links
mailto:yannick.ottoy@yahoo.com
Share |

Nieuwsbrief

Schrijf je in op onze wekelijkse nieuwsbrief door hieronder je e-mailadres in te vullen.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be