Onpolemisch slotbetoog

essay

Stefan Paas

In een vorige bijdrage op Liberales heb ik mij verbaasd over de manier waarop Maarten Boudry ons boek God bewijzen heeft besproken. Recentelijk heeft Boudry daarop gereageerd met een bijdrage waarin hij laat zien dat uitdelen hem beter afgaat dan incasseren. (1) Maar dat is nu eenmaal menselijk en ik kan hem er moeilijk hard om vallen. In deze laatste bijdrage van mijn kant wil ik nog eenmaal reageren op Boudry’s laatste repliek, met zoveel mogelijk vermijding van wapengekletter. Polemiek heeft een zekere amusementswaarde, maar heeft zelden bijgedragen aan waarheidsvinding of wereldvrede. Ter zake dus. Ik wil me eerst richten op wat m.i. het kernpunt is van Boudry’s bezwaar tegen godsgeloof. Daarna bespreek ik nog enkele details die zijn blijven liggen.

Basale overtuigingen

Zoals ik het heb begrepen, richt Boudry’s hoofdbezwaar zich tegen onze opvatting (uitgebreid uitgewerkt in hoofdstuk 2 van ons boek) dat godsgeloof onder bepaalde voorwaarden ook zonder argumentatie gerechtvaardigd is. Hij constateert terecht dat deze opvatting sterk verwant is met het werk van de Amerikaanse filosoof Plantinga, die godsgeloof ziet als een voorbeeld van basale overtuigingen die rationeel zijn, ook zonder dat we er argumenten voor hebben. Op dit punt wordt Boudry’s bezwaar echter enigszins onduidelijk. Hij lijkt Plantinga’s theorie over basale overtuigingen te lezen als een theorie over overtuigingen zonder enige evidence. In dit geval zouden basale overtuigingen dus overtuigingen zijn die min of meer spontaan in ons opkomen, zonder enige ondergrond in bijvoorbeeld waarneming, intuďtie, ervaring of herinnering. Ze zijn in feite volstrekt willekeurig.

Dat is echter niet wat Plantinga zegt en het is ook niet wat wij zeggen. (2) Plantinga heeft het primair over argumenten en niet over evidence in het algemeen. Basale overtuigingen berusten op waarneming, introspectie, herinnering, het ‘onmiddellijk zien’ van wiskundige waarheden, morele intuďtie, enzovoort. Dat zijn allemaal geen argumenten (c.q. het zijn geen redeneringen die van een aantal premissen via een geldige procedure naar een conclusie leiden), maar zij tellen wel (volgens veel filosofen) als evidence. En mocht Boudry mijn interpretatie van Plantinga hier betwisten, dan geldt dat we het hier uiteindelijk niet hebben over de exegese van Plantinga, maar over het boek God bewijzen. En daarin zeggen wij klip en klaar: “Is het waar dat geloof in God alleen rationeel is als het gebaseerd is op goede argumenten?

Met veel hedendaagse filosofen en theologen denken wij dat dit niet zo is. Geloof in God kan prima rationeel zijn, ook al heeft de gelovige geen enkel argument voor Gods bestaan” (p. 78). Vervolgens werken wij uit wat ‘basale overtuigingen’ zijn en dan gebruiken wij de bekende voorbeelden van herinnering, introspectie, waarneming, e.d. (p. 79). Kortom, ‘basaal’ betekent niet: ‘zonder enige evidence’. Het betekent: ‘niet gebaseerd op argumenten’. De overtuiging dat er een god is, is voor veel mensen gebaseerd op evidence, zoals religieuze ervaring, getuigenverklaringen, introspectie, aangesproken worden door de Bijbel, e.d. (3) Nu we dit hebben opgehelderd, rijst de vraag: wat betekent het precies dat Boudry de kentheorie van Plantinga niet aanvaardt? Hij zegt: “Er zijn volgens mij geen ‘basale overtuigingen’ in Plantingaanse zin”. Hier zit voor mij de onduidelijkheid.

Bedoelt Boudry dat overtuigingen alleen rationeel zijn als ze gebaseerd zijn op geldige/goede argumenten? (4) Of bedoelt hij dat overtuigingen alleen rationeel zijn als ze zijn gebaseerd op evidence? Het eerste lijkt hij niet te bedoelen. Immers, zijn voorbeeld van de overtuiging dat er een buitenwereld is zou dat tegenspreken. Wij geloven niet in het bestaan van de buitenwereld op basis van argumenten; wij geloven in het bestaan van de buitenwereld op basis van evidence (waarneming, ervaring). Ik ga er hier dus vanuit dat Boudry bedoelt dat rationele overtuigingen gebaseerd moeten zijn op evidence. Voor zover ik Boudry begrijp, wil hij die evidence breed houden. Hij bedoelt niet dat we alleen maar rationeel iets mogen geloven als het volgens een nauwkeurige wetenschappelijke procedure gestaafd is. Immers, zo’n stelling is zelf niet wetenschappelijk te staven en bovendien zou zijn voorbeeld van geloof in het bestaan van de buitenwereld hiermee ook in tegenspraak zijn. (5)

Kortom, ik begrijp Boudry’s opvatting over rationele overtuigingen als volgt: een overtuiging is (in principe) rationeel wanneer hij is gebaseerd op evidence (in brede zin). Nu, als deze reconstructie klopt, kunnen we volgens mij constateren dat Boudry en Plantinga het grotendeels eens zijn over basale overtuigingen. Basale overtuigingen zijn gebaseerd op evidence (waarneming, herinnering, introspectie e.d.) en zij zijn gerechtvaardigd wanneer wij in staat zijn eventuele bezwaren tegen die overtuigingen te weerleggen.

Godsgeloof

De vraag waarom het vervolgens draait, is natuurlijk: behoort godsgeloof nu tot die categorie van gerechtvaardigde basale overtuigingen? (6) Om die vraag ontkennend te beantwoorden (zoals Boudry overduidelijk doet), kan men voor drie routes kiezen: In de eerste plaats zou men de hele categorie van basale overtuigingen kunnen ontkennen. Maar dat kan m.i. alleen wanneer iemand bereid is te geloven (a) dat overtuigingen alleen rationeel zijn wanneer ze zijn gebaseerd op geldige/goede argumenten (wat tot extreem scepticisme leidt), of (b) dat overtuigingen alleen rationeel zijn wanneer ze berusten op geldige wetenschappelijke bewijsvoering of wanneer zo’n bewijsvoering mogelijk is (een vorm van sciëntisme, die eveneens tot absurditeiten leidt). Beide opties zijn niet erg aantrekkelijk of overtuigend; ze komen neer op een epistemologie van de verschroeide aarde. Anders gezegd: ze lijken speciaal ontworpen om God buiten de deur te houden en nemen voor lief dat we dan ook een groot deel van onze alledaagse en prima gerechtvaardigde overtuigingen niet meer als rationeel mogen beschouwen. Ik ga er, zoals hierboven beargumenteerd, vooralsnog vanuit dat Boudry deze route niet kiest.

In de tweede plaats kan men ontkennen dat godsgeloof een gerechtvaardigde basale overtuiging is door twijfels te zaaien bij de basale aard ervan. Men zou kunnen zeggen: anders dan echte basale overtuigingen, komt godsgeloof niet op uit normaal functionerende epistemische instrumenten. De overtuiging dat er een god is, is daarom niet vergelijkbaar met overtuigingen die zijn gebaseerd op herinnering, introspectie, of waarneming. Boudry lijkt hierop te doelen wanneer hij het heeft over het ontstaan van het oog vs. het ontstaan van biologisch aangelegde mechanismen die de ondergrond vormen voor godsgeloof.

De derde manier om te ontkennen dat godsgeloof een gerechtvaardigde basale overtuiging is, is het inbrengen van goede de facto bezwaren tegen de waarheid van godsgeloof. We komen dan terecht in de klassieke debatten tussen theďsten en atheďsten. Het gaat dan simpelweg om de kracht van de argumenten die worden ingebracht tegen Gods bestaan. Boudry stelt nadrukkelijk: “Tegen God zijn goede argumenten in te brengen” (voetnoot 3). Probleem is wel dat hij vervolgens verzuimt die argumenten te noemen, afgezien van het argument van het kwaad. Hieronder ga ik eerst in op Boudry’s aanval op het basale karakter van godsgeloof. Daarna zeg ik iets over zijn aanval op het bestaan van God.

Niet basaal?

Boudry’s aanval op het basale karakter van godsgeloof lijkt hierop neer te komen: om te verklaren hoe de “biologische wortels van bovennatuurlijk geloof” konden ontstaan, hoeven we geen beroep te doen op bovennatuurlijke oorzaken. We hebben voldoende aan (wetenschappelijke) scenario’s die deze wortels hetzij verklaren als bijproducten van cognitieve adaptaties, hetzij ze verklaren als adaptaties ter bevordering van sociale cohesie en moraliteit. Volgens Boudry volgt hieruit blijkbaar dat het bestaan van God onwaarschijnlijker wordt. Ik zie werkelijk niet waarom dit het geval zou zijn. Boudry merkt zelf terecht al op dat het onjuist is om te stellen: ‘We hebben B niet nodig om A te verklaren, en dus bestaat B niet’. Hij lijkt dat echter een triviale tegenwerping te vinden en zegt: “Het is niet omdat we de bliksem elektromagnetisch kunnen verklaren, dat we kunnen uitsluiten dat Thor achter de wolken met zijn (onzichtbare) hamer zwaait, op een wijze die wetenschappelijk onwaarneembaar is”.

De analogie is uiteraard dat ‘bliksem’ hier staat voor godsgeloof en ‘Thor’ voor God (zoals in ons boek gedefinieerd). En de conclusie is: je kunt natuurlijk altijd volhouden dat er toch een god is, maar het wordt wel heel onwaarschijnlijk wanneer onze aanleg voor godsgeloof kan worden verklaard zonder een beroep te doen op God. Deze tegenwerping lijdt aan een aantal problemen, waardoor hij niet werkt: (1) Laten we allereerst gewoon vaststellen dat onze biologische aanleg voor bovennatuurlijk geloof inderdaad niets zegt over het al dan niet bestaan van God. Het een volgt gewoon niet uit het ander. Boudry ridiculiseert over dit levensgrote feit heen, met het voorbeeld van Thor en zijn hamer, maar er zijn genoeg andere voorbeelden te geven. Menselijke kunstzinnigheid is volgens sommige biologen een bijproduct van bepaalde cognitieve adaptaties. We hebben, met andere woorden, Rembrandt noch Bach nodig om die aanleg te verklaren. Maar wat zegt dit over kunst? Voor zover ik kan zien helemaal niets. Een nog simpeler voorbeeld: oorbellen zijn niet nodig om het ontstaan van oren te verklaren. En dus?

(2) Boudry ziet naar mijn idee over het hoofd dat (vooralsnog niet al te sterk onderbouwde en moeilijk toetsbare) biologische verklaringen van het ontstaan van religieuze aanleg niets zeggen over de culturele functies van deze aanleg. Zijn analogie met het oog en fotonen versluiert dit probleem. Inderdaad kunnen we zeggen: zonder fotonen geen oog. Maar wij zien nu eenmaal geen fotonen (of alleen in een sterk gereduceerde natuurwetenschappelijke beschrijving). Wij zien mensen, huizen, bomen, beesten, letters, e.d. Wat wij zien en hoeveel wij te zien krijgen, wordt niet alleen bepaald door de aanwezigheid van fotonen. Het wordt ook bepaald door wat er is gebouwd of gemaakt, wat er om ons heen leeft en groeit, door brillen en lenzen, enzovoort. Een beschrijving van de werking van ons gezichtsvermogen die blijft steken op het niveau van fotonen, heeft daarover allemaal weinig te zeggen.

Hetzelfde geldt voor onze religieuze aanleg. Het is één ding om uitspraken te doen over het ontstaan en de werking van die aanleg; het is iets heel anders om uitspraken te doen over wat die aanleg allemaal produceert, of over wat mensen met behulp van die aanleg geloven, doen en formuleren. Wat wij te ‘zien’ krijgen met behulp van die aanleg wordt niet slechts bepaald door de biologische beschrijving van de werking van die aanleg. Het wordt even goed bepaald door de manier waarop wij die aanleg gebruiken en ontwikkelen (naar analogie van brillen en lenzen), en door wat er in de werkelijkheid bestaat. Zo is het prima mogelijk dat een natuurlijke aanleg door voortdurende (culturele) ontwikkeling en cultivering toegang geeft tot domeinen die eerst gesloten waren en die ook niet nodig zijn om het ontstaan van die aanleg te verklaren. Dat geldt in feite voor vrijwel elke vorm van culturele ontwikkeling. En weinig wetenschappers zullen bestrijden dat religie primair een cultureel fenomeen is.

(3) Boudry’s argument lijkt afhankelijk van een ‘God-als-wetenschappelijke-hypothese’-bezwaar, dat wij uitgebreid bespreken in hoofdstuk 3 van ons boek (helaas, zonder dat Boudry er een enkel woord aan wijdt). In het kort komt het hierop neer: als een natuurlijk fenomeen (biologische aanleg voor godsgeloof, bliksem) kan worden verklaard vanuit natuurlijke oorzaken, maakt dit God tot een overbodige hypothese. Dit argument is afhankelijk van een godsbeeld dat God maakt tot een onderdeel van de kosmos in plaats van de auteur ervan. Boudry’s analogie met Thor onderstreept dit: Thor was een gepersonifieerde natuurkracht; hij werd niet vereerd als de auteur van het heelal. Kortom, Boudry’s bezwaar is afhankelijk van een godsbeeld dat niet wordt gedeeld door (denkende) gelovigen in de grote theďstische tradities. Wat heeft het voor zin om een godsbeeld te bestrijden waarin mensen toch niet geloven?

(4) Zelfs als Boudry’s argument zou werken (wat niet het geval is), dan zou het alleen gaan over onze biologische aanleg voor bovennatuurlijk geloof in zijn breedste zin. Het gaat niet over religieuze ervaringen en het gaat niet over klassiek theďsme. Zijn analogie tussen bliksem en godsgeloof gaat dus niet op. Bliksem wordt restloos verklaard door elektromagnetisme; godsgeloof wordt niet restloos verklaard door biologie. Boudry’s bezwaar vervalt daarmee. Mensen komen, op basis van ‘gewone’ epistemische instrumenten tot hun overtuiging dat God bestaat. Als die mensen verder gezond zijn en normaal functioneren, is er geen enkele reden om het basale karakter van hun overtuiging aan te vechten.

Onjuist?

Daarmee zijn we bij de volgende aanvalstactiek gekomen: zelfs als godsgeloof een basale overtuiging is (zoals bij de meeste mensen het geval is), dan nog kan het zo zijn dat er goede bezwaren zijn in te brengen tegen de waarheid van die overtuiging. Hiermee komen we terecht in alle literatuur van de laatste eeuwen rondom het bestaan van God. In ons boek God bewijzen bespreken we dertien argumenten tegen het bestaan van God. We weerleggen die allemaal, dat wil zeggen: we laten zien dat deze argumenten hetzij inconsistent zijn, hetzij bij nader inzien helemaal niet het bestaan van God ontkrachten, of dat zij concepties van God bestrijden waarin de meeste gelovigen helemaal niet geloven.

Boudry meent dat er tegen het bestaan van God goede argumenten zijn in te brengen. Maar welke dan? Hij bespreekt geen enkele van onze dertien bezwaren en weerleggingen. Hij komt daar alleen enigszins in de buurt (en meer ook niet), wanneer hij zijn pijlen richt op een zijlijn in onze weerlegging van het argument op basis van het kwaad. Met ons hoofdargument houdt hij zich niet bezig, maar hij windt zich op over iets wat wij presenteren als onderdeel van “een handvol aanvullende christelijke benaderingen van dit probleem”. Zelfs al zou hij hier raak schieten, dan nog zou hij onze weerlegging niet ontkrachten. Het probleem is echter dat hij in het geheel niet raak schiet. Hij maakt zich van het argument af met wat honende parafrasen, zonder het ook maar een moment goed te analyseren. Het lijkt erop dat zijn emoties hier met hem op de loop gaan, zodat het argument niet werkelijk tot hem doordringt.

Verder verwijst Boudry nog kort naar Epicurus’ dilemma tussen Gods goedheid en almacht. Hij negeert onze weerlegging daarvan (het dilemma bijt zichzelf in de staart (7)) en constateert: “Als er een goede god is, is hij niet almachtig; als hij almachtig is, is het een schoft”. Nu, een atheďstisch argument is dit niet, omdat het immers alleen wijst op een (vermeende) tegenstelling tussen eigenschappen van God. Het zegt niets over het bestaan van een god. Enigszins retorisch is het bovendien, want als Epicurus’ dilemma zou kloppen, zou het logischer zijn te concluderen dat God (indien almachtig) a-moreel is dan immoreel. Immers, deze wereld bevat toch ook veel schoonheid, naastenliefde, hoge idealen, opofferingsgezindheid, en zo meer. Of men zou kunnen concluderen dat God goed is, maar niet almachtig – en ook dat is geen argument tegen Gods bestaan. Voor alle duidelijkheid: wij verdedigen geen van beide opties, omdat wij beargumenteren dat het dilemma van Epicurus zichzelf opheft.

Helaas redeneert Boudry hier nogal slordig en ik zou hem graag uitnodigen ons argument (in zijn geheel) nog eens met een koel hoofd en een rustig gemoed te bestuderen. Verscheurd door het leed in de wereld is elk mens met enig gevoel in zijn lijf, maar dat is geen reden om helder denken op te geven. Ik constateer dat Boudry zijn energie vooral heeft gericht op Plantinga’s theorie over basale overtuigingen, een theorie die hij niet echt lijkt te doorgronden. De daaruit volgende mogelijkheden om de rationaliteit van godsgeloof te bestrijden heeft Boudry enigszins gezien, maar zoals ik heb laten zien is hij daarin niet succesvol geweest. Dat sluit allemaal niet uit dat het met nauwkeuriger werk wel zou lukken (al denk ik het niet), maar ik hoef het werk voor Boudry niet te doen.

Nog wat details

Tot slot stip ik nog wat losliggende punten aan uit Boudry’s betoog. (1) De theďstische tango. Boudry lijkt nog steeds niet te begrijpen dat het in ons hoofdstuk 1 ging over de bewijslast en niet over de redelijkheid van godsgeloof. Zijn tegenwerping dat de paashaas ook gezond en gelukkig maakt, is exact de tegenwerping die wijzelf formuleren aan het begin van hoofdstuk 2 (met de kerstman). (8) Hij volgt dus, zonder het blijkbaar zelf te beseffen, de structuur van ons argument en hij levert – precies zoals wij het graag zien – het eerste (de jure) bezwaar tegen godsgeloof. Een bezwaar dat wij in hoofdstuk 2 uitgebreid weerleggen. (9)

(2) Xenofobie. Boudry’s opmerking over het christendom dat hekserij “bijna 2000 jaar gecultiveerd” zou hebben, is historisch volslagen onzin. (10) Wat zijn argument betreft: dit deugt niet. Volgens hem zou niet godsgeloof aangeboren zijn, maar de “cognitieve potgrond waarin het gedijt”. Dit beeld is misleidend, omdat potgrond geen planten produceert, terwijl de aanleg voor godsgeloof wel degelijk leidt tot (zich kan ontwikkelen tot) geloof in hogere machten. In ons boek gebruiken we daarom de (veel meer geschikte) parallel met onze aanleg voor taal. Die heeft uiteraard stimulering en cultivering nodig om werkelijk tot bloei te komen, maar is tegelijk geen passief (inert) materiaal. Hetzelfde geldt voor onze religieuze aanleg. Wie meent dat dit niet zou moeten, zal met zelfstandige argumentatie moeten komen voor Boudry’s in de lucht hangende verzekering over “irrationeel geloof in het bovennatuurlijke”.

(3) Goddelijke voelhoorn. Boudry’s weergave van de christelijke zondeleer laat vooral zien dat hij zich werkelijk eens zou moeten verdiepen in de theologie. Dan weet hij tenminste waarover hij het heeft en zou hij opmerkingen over een Mesopotamische mythe achterwege kunnen laten. Plantinga’s punt hier is natuurlijk dat de jure argumentatie tegen godsgeloof niet los kan staan van de waarheid van dit geloof zelf. (11) Als het christelijk geloof waar is, dan heeft het simpelweg een uitstekende verklaring voor het feit dat niet iedereen in God gelooft of dat niet iedereen dat op de juiste manier doet. Als het niet waar is, dan deugt die verklaring uiteraard niet. Maar Boudry kan daarop geen voorschot nemen, door al bij voorbaat ervan uit te gaan dat de christelijke zondeleer nergens op berust. Boudry’s opmerking over “seculiere verklaringen van godsgeloof” zijn in dit verband in het geheel niet relevant (afgezien van zijn vrij naďeve opmerking over de “toetsbaarheid” van dergelijke verklaringen). Wanneer dergelijke seculiere verklaringen worden ingevlogen als ondersteuning van een atheďstische wereldbeschouwing (en dus buiten een wetenschappelijk kader gebruikt worden), geldt simpelweg wat ik eerder schreef: iedereen zoekt naar argumenten om te verklaren waarom een ander niet gelooft wat voor hemzelf zo vanzelfsprekend is. (12)

(4) Theepot. Boudry’s behandeling van dit argument is geheel afhankelijk van zijn misverstand dat wij godsgeloof zonder enige evidence verdedigen. Dat is niet het geval, zoals ik hierboven heb duidelijk gemaakt (en zoals uit ons boek m.i. duidelijk blijkt). Los daarvan: Boudry lijkt steeds te denken dat wij hier een exegese van Russell aanbieden. Ook dat is onjuist. Wij gebruiken het theepotargument zoals het in de praktijk vaak wordt gebruikt: als een de jure argument in de trant van ‘als je dit mag geloven zonder argumenten, dan mag je alles geloven’ (varianten zijn de onzichtbare roze eenhoorn of de tandenfee). Iets geloven zonder argumenten is niet hetzelfde als iets volkomen willekeurigs (ongerijmds) geloven. Het feit dat Russell dit argument op een iets andere manier heeft gebruikt, doet daaraan niets af.

(5) Verificaties. In hoofdstuk 2 van ons boek stellen wij: het is niet irrationeel om te geloven in het bestaan van God zonder argumenten (dat is dus wat anders dan zonder evidence). Wij bespreken verschillende tegenwerpingen tegen deze stelling, waaronder deze: je kunt alleen rationeel geloven dat iets bestaat wanneer je in principe kunt verifiëren dat dit klopt (het is nu eenmaal niet altijd mogelijk of nodig om iets te verifiëren). Wij beargumenteren vervolgens dat dit het geval is bij geloof in God. Wie gelooft in Gods bestaan, kan dit in principe verifiëren, namelijk door religieuze ervaringen, na de dood (volgens veel religies) en bij het Laatste Oordeel (volgens sommige religies). Kortom, wie gelooft in God zonder argumenten, heeft een rationele overtuiging (als hij de bezwaren tegen Gods bestaan kan weerleggen). Immers, hij gelooft in het bestaan van iets/iemand (God) dat in principe verifieerbaar is (ook al is het niet altijd mogelijk om Gods bestaan te verifiëren en ook al is het niet voor iedereen nodig dat Gods bestaan geverifieerd wordt).

Boudry begrijpt niet wat we hier aan het doen zijn. Hij reageert: “Natuurlijk zijn er mogelijke verificaties van [Gods] bestaan denkbaar: contact met het hiernamaals, verhoorde gebeden, robuuste mirakels, enzovoort. (…) Die bewijzen zijn perfect voorstelbaar en mogelijk, maar ze doen zich gewoon niet voor”. Laten we eerst vaststellen dat deze uitspraak wel heel parmantig is. Dat wonderen prima kunnen voorkomen en dat er uitstekende redenen zijn om tenminste enige van de talloze wonderverhalen te geloven, betogen we in ons boek (helaas gaat Boudry met geen woord op onze argumentatie in). Dat er geen verhoorde gebeden zouden zijn, lijkt me simpelweg een bizarre uitspraak. Tenzij Boudry hier doelt op zogeheten ‘gebedsexperimenten’. Welnu, die bespreken we uitgebreid, maar helaas: ook hierover geen woord van Boudry.

Belangrijker is echter dat Boudry niet lijkt te begrijpen waarover we het hier hebben. Onze vraag in hoofdstuk 2 is of het rationeel kan zijn om te geloven in God zonder argumenten. De vraag is hier niet of God bestaat (daarvoor geven wij argumenten in hoofdstuk 5). Het gaat simpelweg over de vraag die in hoofdstuk 1-3 centraal staat, namelijk of iemand die in God gelooft dat rationeel verantwoord doet (zelfs al kan hij niet bewijzen dat God bestaat). En wij zeggen in de bewuste passage: zelfs als het waar is dat iemand alleen iets rationeel verantwoord kan geloven wanneer datgene wat hij gelooft in principe verifieerbaar moet zijn, dan nog is godsgeloof rationeel verantwoord.

Boudry snijdt hier echter een heel ander punt aan, namelijk hoe godsgeloof a.h.w. ‘objectief’ onderbouwd kan worden, zodanig dat ook ongelovigen overtuigd worden. Met andere woorden: hij heeft het hier over ‘godsbewijzen’. Hij lijkt hier te zeggen dat godsgeloof alleen rationeel gerechtvaardigd is als er klip en klare bewijzen voor geleverd kunnen worden, bewijzen die zelfs ongelovigen overtuigen. Dat zullen dan bewijzen zijn, neem ik aan, die via een onafhankelijke procedure (wetenschappelijk?) gevonden worden, zodanig dat ze alle rationele mensen zullen overtuigen. Het blijft een beetje raden wat Boudry bedoelt, want hij werkt het niet duidelijk uit. (13) Maar hoe dan ook: hij gaat voorbij aan ons argument, dat er immers op gericht was te laten zien dat iemand die in God gelooft een rationele overtuiging heeft (en niet om te laten zien dat iemand die niet in God gelooft ‘dus’ irrationeel is).

(6) Immunisatie. Hier verliest Boudry zich opnieuw in retoriek, zodat het (wederom) lastig is om te volgen wat zijn argument nu precies is. Maar als ik het goed begrijp, wil hij ongeveer dit zeggen: geloof in God was altijd al in strijd met de rede en de ervaring, en theologen wisten dat altijd al. Maar zij hebben al duizenden jaren lang rationalisaties bedacht om godsgeloof te redden. Bovendien hebben zij brandstapels en banvloeken ingezet om twijfels de kop in te drukken. Wanneer wij in ons boek zeggen dat wij geen nieuw godsbeeld presenteren, maar simpelweg nog eens uitleggen wat denkende gelovigen altijd al over God zeiden, dan is dat slechts een nieuw voorbeeld van deze kwalijke werkwijze. Ik heb dat in mijn vorige artikel een bar staaltje complotdenken genoemd. Ik kan het ook echt niet anders zien. Wat moet ik met zo’n verzameling ongeďnformeerde vooroordelen? Ziet Boudry niet dat je met zo’n hermeneutiek van extreem wantrouwen letterlijk elke discussie kapot kunt framen? Maar omdat hij dit argument werkelijk schijnt te menen, maak ik er dan toch maar een paar opmerkingen over.

Ten eerste: Boudry trekt parallellen tussen hekserij en godsgeloof, blijkbaar in de veronderstelling dat dit een vernietigend antwoord is. Maar het is een simpel gegeven dat “empirische bezwaren tegen hekserij” inderdaad “parasiteren” op geloof in heksen. Immers, wie empirische bezwaren tegen hekserij wil formuleren, zal zich ervan op de hoogte moeten stellen wat heks-gelovigen nu feitelijk beweren over heksen. Zo zal Boudry zich niet kunnen onttrekken aan de intellectuele plicht zich op de hoogte te stellen van serieuze theologie, wanneer hij (empirische?) bezwaren wil formuleren tegen godsgeloof. Al zijn niet terzake analogieën van klassiek theďsme (theepot, spoken, heksen, Wotan, creationisme, enz.) lijken een beetje op iemand die zegt: heksen bestaan niet, want leeuwen eten vlees. Het is allebei wel waar, denk ik, maar het heeft weinig met elkaar te maken. Boudry illustreert slechts dat hij niet op de hoogte is van doordacht godsgeloof. Ofwel: hij schiet liever op stromannen.

Ten tweede: wil Boudry nu echt beweren dat denkende gelovigen van de grote theďstische tradities (zeg een Gregorius van Nyssa of Maimonides of Avicenna) zelf niet werkelijk geloofden wat ze zeiden? Denkt hij nu echt dat die briljante geesten de boel flesten? Denkt hij misschien dat de martelaren het ook niet geloofden, maar deden alsof? Hij mag het denken, als ik het maar niet serieus hoef te nemen.

Ten derde: Boudry lijkt werkelijk te denken dat denkende gelovigen hun godsbeelden altijd hebben behandeld als een voortdurend gefalsifieerde hypothese, die dan vervolgens met hulpconstructies nog een tijdje werd opgelapt. Wie theologische geschriften eens bestudeert (aanbevolen!), kan daaruit iets heel anders opmaken. Klassiek-theologische reflectie op het correcte spreken over God was in hoge mate gedreven door het verstaan van God zelf, God als noodzakelijk wezen, God als aanbiddenswaardig wezen, God als niet-geschapen, enzovoort. Anders gezegd: godsbeelden worden niet primair gevormd door reflectie op de wereld (empirical constraint), maar door reflectie op wat het betekent om iets of iemand ‘God’ te noemen.

Theo-logie heeft natuurlijk ook te maken met integrale kennis (integratie van geloofskennis en andere vormen van kennis, inclusief wetenschappelijke), maar primair gaat het hier om verantwoord spreken over God en de reflectie hierop is in hoge mate autonoom – en gaat ruimschoots vooraf aan de ontwikkeling van de moderne wetenschap. Daarom konden veel kerkvaders al ver voor Darwin benadrukken dat het spreken van God in Genesis 1 natuurlijk niet letterlijk verstaan moest worden, alsof God een meer dan levensgroot mens was met stembanden en een keel (bv. Basilius de Grote), of dat de dagen in hetzelfde hoofdstuk mysterieuze aanduidingen waren voor de verhouding tussen eeuwigheid (buitentijdelijkheid) en tijd (Augustinus). (14) En zo zou ik lang kunnen doorgaan. Punt is dat wie over God en godsgeloof wil spreken, zich echt zal moeten verdiepen in wat theologen gezegd hebben en waarom zij dit gezegd hebben. (15) Wie zich liever ingraaft in goedkope complottheorieën, mag dat vanzelfsprekend doen, maar diskwalificeert zichzelf als gesprekspartner.

Zo eindigt mijn verhaal toch nog streng. Laat ik benadrukken dat ik Boudry’s ongeloof niet wil bestrijden. Zoals wij in ons boek zeggen: ongeloof kan intellectueel gerechtvaardigd zijn, mits iemand zijn epistemische plichten is nagekomen (p. 221-222). Zoals ik hierboven laat zien, is van het nakomen van die plichten bij Boudry nog geen sprake geweest. Dus of hij nu alsnog geloof in God wil omarmen, dan wel zijn ongeloof beter wil funderen: in beide gevallen is er werk aan de winkel. Hiermee sluit ik mijn bijdrage aan deze discussie af.


De auteur schreef samen met Rik Peels het boek ‘God bewijzen’.

Met deze reactie sluiten we de discussie tussen Maarten Boudry en Stefan Paas.



Voetnoten:

(1) Voor Boudry’s bespreking van het boek God bewijzen (door Stefan Paas en Rik Peels, uitgeverij Balans: Amsterdam 2013), zie http://liberales.be/essays/maartengod. Mijn reactie is te vinden op http://liberales.be/essays/paas. Voor Boudry’s repliek op mijn reactie, zie http://www.liberales.be/essays/voelhoorn.

(2) Dat betekent overigens niet dat er per se iets mis is met dit standpunt. Stel dat iemand altijd in God heeft geloofd. Hij gelooft niet op basis van ervaringen of redeneringen (hij heeft geen godservaringen en godsargumenten zijn hem onbekend). Hij kent zichzelf simpelweg als iemand die altijd de overtuiging heeft gehad dat er een God is. Hij is niet ziek of psychisch gestoord; hij functioneert in alle opzichten normaal. Bovendien heeft hij zich verdiept in atheďstische literatuur en hij is in staat om de argumenten die tegen het bestaan van God worden ingebracht technisch adequaat te weerleggen. Wat is er eigenlijk mis met zo’n overtuiging? Het zal nog een hele filosofische exercitie zijn om te laten zien dat iemand die zo’n overtuiging heeft onredelijk of irrationeel is. Zoals gezegd: wij verdedigen dit niet (en Plantinga doet dat ook niet), maar dit voorbeeld laat zien dat zelfs als Boudry’s weergave van ons argument klopt, hij nog steeds zijn best zal moeten doen om met een overtuigende weerlegging te komen in plaats van met hoon.

(3) Een enkel voorbeeld uit talloze: het bekeringsverslag van Peter Hitchens, broer van religiebestrijder Christopher. In zijn The Rage against God (Continuum: London 2010) vertelt hij hoe zijn weg naar godsgeloof verliep. Een aantal elementen uit zijn bekeringsweg: (a) teleurstelling in een naturalistische levensbeschouwing, toen hij door zijn werk als journalist in de voormalige USSR geconfronteerd werd met het meest vergaande experiment dat de mensheid heeft ondernomen om een samenleving zonder religie te bouwen; (b) zijn fascinatie met kunst en de vaststelling dat het geloof van onze achterlijke voorouders hen bepaald niet heeft verhinderd om schitterende bouwwerken, muziek en schilderkunst te produceren (zozeer zelfs dat Hitchens zich afvraagt of wij zoiets nog wel kunnen); (c) ervaringen van huwelijk en vaderschap (waarop hij verder niet wil ingaan); (d) de ontmoeting met een Middeleeuws schilderij over het Laatste Oordeel, dat hem op diep-emotionele wijze (als ware het een openbaring) confronteerde met zijn eigen zondigheid. Ik zeg niet dat dit alles zonder enige argumentatie is, en het is zeker niet ontbloot van rationele reflectie, maar opmerkelijk is dat het primair levensbeschouwelijke ervaring is die Hitchens naar godsgeloof voerde. Voor hedendaagse bekeringsverhalen (tot het christendom), zie bijv. Andries Knevel, Niets is onmogelijk: In gesprek met mensen die niet konden geloven, Kok: Kampen 2010.

(4) Hij lijkt dat te suggereren in voetnoot 3, als hij het heeft over “ons wereldbeeld rationeel onderbouwen” en “kennis nemen van beschikbare argumenten”. Men kan dit interpreteren als: overtuigingen zijn alleen rationeel wanneer ze zijn gebaseerd op argumenten. Maar in de hoofdtekst beargumenteer ik dat dit in strijd komt met zijn eigen voorbeelden, dus ik neem aan dat dit niet meer is dan een onbedoelde onduidelijkheid.

(5) Het is me overigens niet helemaal duidelijk of Boudry dit standpunt misschien toch niet huldigt. In voetnoot 5 heeft hij het over mijn voorbeeld van ‘pijn hebben in je kleine teen’ en hij bestrijdt dat dit een basale overtuiging is. Zijn argument: die overtuiging is “perfect empirisch te onderbouwen”. Mogelijk dat dit berust op de genoemde verwarring tussen ‘argumenten’ en ‘evidence’. In dat geval bedoelt Boudry niet meer dan dat die overtuiging gerechtvaardigd is als je inderdaad pijn voelt (en dat zou Plantinga helemaal met hem eens zijn). Maar het zou ook kunnen dat Boudry bedoelt dat de overtuiging dat je pijn hebt in je kleine teen alleen rationeel is wanneer via een wetenschappelijk onderzoek wordt vastgesteld “dat er pijnprikkels worden uitgestuurd door de zenuwen in mijn teen”. Dat lijkt me om allerlei redenen absurd (al was het maar omdat er dagelijks mensen onderzocht worden bij wie de dokter niets vindt en die toch pijn voelen), en ik ga er voor het gemak maar vanuit dat Boudry dit niet bedoelt. Wat de opmerking over “pijnprikkels” en “zenuwen” dan moet betekenen, weet ik ook niet. Het voegt niets toe.

(6) Voor alle duidelijkheid: het is natuurlijk best mogelijk dat er gelovigen zijn voor wie Godsgeloof niet basaal is, maar puur berust op een serie argumenten.

(7) In het kort: het dilemma impliceert dat niet-alwetende, niet-almachtige en niet volmaakt goede wezens een oordeel kunnen vellen over een alwetend, almachtig en volmaakt goed wezen. Wie probeert het dilemma begrijpelijk te construeren, komt dus logischerwijs uit bij sceptisch theďsme: wij moeten ons van een oordeel onthouden. Immers, het ligt voor de hand dat een alwetend, almachtig en volmaakt goed wezen toegang heeft tot redenen die wij niet kennen en die wij niet kunnen kennen.

(8) Overigens staat nog te bezien in hoeverre overtuigende parallellen te vinden zijn voor godsgeloof als een gecultiveerde natuurlijke aanleg die gezond is, gelukkig maakt en nuttig is voor de samenleving. Ik betwijfel sterk of Boudry’s voorbeeld van geloof in de paashaas zelfs maar in de buurt komt, afgezien van het feit dat er geen volwassen mens is die in de paashaas gelooft.

(9) De argumentatie in hoofdstuk 1 gaat over het natuurlijk aangelegd zijn van godsgeloof en de goede effecten op gezondheid, levensgeluk en maatschappelijk nut die een goede cultivering van dit godsgeloof teweeg brengt. Wij gebruiken dit niet om de redelijkheid van godsgeloof te beargumenteren (iets wat Boudry steeds schijnt te denken). Niettemin: zelfs als wij dit zouden doen, dan zou dit helemaal niet zo gek zijn. Men zou bijvoorbeeld kunnen beargumenteren dat, all things being equal, deze positieve effecten van religie (c.q. dat wat men doet met godsgeloof) pleiten voor de redelijkheid ervan (immers, wanneer in rationeel opzicht de stemmen staken, hebben we geen andere criteria dan pragmatische om de redelijkheid van religie te bepalen). Of men zou erop kunnen wijzen dat het in het algemeen niet verstandig is om een waterscheiding aan te brengen tussen de cognitieve en praktische dimensies van een levensbeschouwing (iets wat Boudry wel lijkt voor te staan). Zij moeten in onderlinge samenhang worden besproken. In de wetenschap worden theorieën bijvoorbeeld vaak mede geaccepteerd omdat zij in de praktijk werken. Kortom, zelfs al zouden wij inderdaad hoofdstuk 1 gebruiken om te pleiten voor een verhoogde redelijkheid van religieus geloof (wat wij niet doen), dan nog zou Boudry’s verweer niet overtuigend zijn.

(10) Het is onderdeel van populaire atheďstische mythevorming. In feite probeerden vrijwel alle christelijke theologen, zendelingen en pausen het geloof in hekserij te ontmythologiseren. Heksenverbrandingen vonden pas plaats in de opkomende moderniteit, om allerlei redenen die weinig te maken hadden met christelijke theologie. Voor deze en andere mythen, zie David Bentley Hart, Atheist Delusions: The Christian Revolution and Its Fashionable Enemies, Yale University Press: New Haven 2009.

(11) Zie zijn Warranted Christian Belief, Oxford University Press: Oxford 2000, 190-191.

(12) Zie hiervoor ook God bewijzen, p. 172-175.

(13) Mocht Boudry inderdaad bedoelen dat rationele overtuigingen gebaseerd moeten zijn op evidence of op argumentatie die voor ieder rationeel mens overtuigend zijn, dan lijkt me dat een heel problematisch idee. Evidence is immers lang niet altijd voor iedereen beschikbaar (anders hadden we geen onderzoek en onderwijs), procedures van bewijsvoering zijn lang niet voor iedereen uitvoerbaar (anders hadden we geen wetenschappers en politiemensen), en argumentatie is lang niet voor iedereen overtuigend (anders hadden we geen filosofische debatten, politieke partijen en wetenschappelijke scholen). Hoe dit ook zij, we moeten zorgvuldig onderscheid maken tussen de vraag of iemand die iets gelooft een rationele overtuiging heeft en de vraag welke overtuigingen ieder rationeel mens zou moeten hebben. Wij beargumenteren dat godsgeloof zeker rationeel is voor wie in God gelooft, maar niet noodzakelijk overtuigend is voor ieder rationeel mens. Hetzelfde geldt natuurlijk voor talloze filosofische, wetenschappelijke, politieke, en levensbeschouwelijke overtuigingen.

(14) Zie bv. Henk Bakker en Stefan Paas, ‘De kerkvaders over Genesis: Schepping en scheppingsdagen in de vroege kerk’, Wapenveld 59.3 (2009), 4-14 (http://wapenveldonline.nl/artikel/895/de-kerkvaders-over-genesis/).

(15) Zie bijvoorbeeld Paul van Geest, Stellig maar onzeker: Augustinus’ benadering van God, Damon: Budel 2007; David Bentley Hart, The Experience of God: Being, Consciousness, Bliss, Yale University Press: New Haven 2013.

Stefan Paas

Links
mailto:s.paas@vu.nl
Share |

De Arabische Revolutie:

tussen droom en werkelijkheid

Op woensdag 5 april 20.00 uur

Afspraak in De Markten (Oude graanmarkt 5, 1000 Brussel) voor een avond met Koert Debeuf,

schrijver, columnist, directeur van het Tahrir Institute for Middle East Policy Europe en onderzoeker aan de Universiteit van Oxford.

Zijn recentste boek is "Inside the Arab Revolution. Three Years on the Front Line of the Arab Spring".

Koert zal gebaseerd op zijn persoonlijke ervaringen de Arabische Revolutie trachten te kaderen door parallellen te trekken met de Franse Revolutie en door een aantal inzichten te bieden in het Midden Oosten.

Uw aanmeldingsmail aan info@liberales.be geldt als inschrijving.

STEUN LIBERALES

Liberales werkt met onbezoldigde vrijwilligers en beperkt haar kosten tot een minimum. Toch hebben wij middelen nodig voor noodzakelijke uitgaven zoals abonnementen voor website en mailverkeer.

Uw steun is welkom op onze bankrekening BE44 3900 2047 5745. Ook kleine bedragen worden gewaardeerd. Vermeld het woord 'steun' als referentie.

Met hartelijke dank

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Claude Nijs
gsm: +32476 343098
claude@liberales.be