In de Ethica Nicomachea schrijft Aristoteles dat de discussie over het soort samenleving waarin we willen leven aan de ethiek voorafgaat. Voor we nadenken over het soort gedragsregels dat we moeten respecteren, en voor we discussiëren over het soort burgerschap dat we moeten promoten, zouden we ons een idee moeten vormen van welk type gemeenschap we de burger willen zijn. Daarom gaat de politieke wetenschap aan de ethiek vooraf. Dat gezichtspunt lijkt op het eerste gezicht wat vreemd. In onze traditionele moraal had ethiek weinig te maken met burgerschap, maar met individuele deugdzaamheid in het licht van het Laatste Oordeel. Sinds de apocalyptische verwachting ons minder sterk fascineert, brengen we ethiek vandaag opnieuw sneller in verband met rechtvaardigheid, met maatschappelijke verantwoordelijkheid en met burgerzin en wordt Aristoteles uitgangspunt opnieuw vanzelfsprekender. Wanneer mensen hun professionele verantwoordelijkheid omschrijven en funderen, blijken ze vaak te verwijzen naar wat hun beroep voor de samenleving betekent. Ondernemers gaan er prat op werkgelegenheid te verschaffen; verplegers, artsen en apothekers staan in voor de gezondheid; journalisten werpen zich op als vierde macht; werknemers zien hun arbeid als het produceren van goederen en diensten waar de samenleving wel bij vaart. Ook mensen die zonder bezoldiging instaan voor hun gezin, voor familieleden, voor een ledenbeweging of een socio-culturele organisatie, zien hun inzet rechtstreeks of onrechtstreeks als een dienst aan de samenleving. Als mensen hun persoonlijke inzet evalueren aan de hand van wat die inzet voor de samenleving betekent, dan zal de voorstelling die mensen van hun samenleving hebben een belangrijke invloed uitoefenen op hun morele verantwoordelijkheidszin. Mensen die zich de samenleving voorstellen als hard en meedogenloos zullen zich wellicht minder gemotiveerd voelen dan mensen die zich de samenleving voorstellen als zorgzaam en rechtvaardig. Niet alleen de actuele perceptie, maar ook hun visie op hoe de samenleving moet worden uitgebouwd zal een impact hebben op hoe ze hun persoonlijke inzet zullen interpreteren. Als er een duidelijke stimulerende visie is over de manier waarop men de samenleving zou moeten uitbouwen dan kan de samenleving fungeren als een gemeenschappelijk project. De vraag in welke richting men de samenleving moet uitbouwen is dan ook een heel belangrijke vraag. Het soort discussies waar dit soort van vraagstelling tot voor dertig jaar werd gevoerd had een sterk ideologische inslag. Je had enerzijds mensen die kozen voor een liberale markteconomie en je had mensen die opteerden voor een sterk regulerende overheid die zich bekommerde voor het materiële welzijn van elke burger, ten koste van het individueel initiatief. Die scheidingslijn lijkt vandaag veel minder strikt. Sociaal-democratische politici stellen vaak erg liberale maatregelen voor en omgekeerd, liberale regeringen varen soms een eerder sociaal georiënteerde koers. We leven dan ook in een samenleving waarin een open gesprek mogelijk lijkt over het soort samenleving waarin we morgen willen leven. Voor het uitbouwen van ethiek als vak binnen het universitair onderwijs lijkt deze discussie van bijzondere betekenis. Een dergelijke discussie kan leiden tot het concretiseren van een gemeenschappelijk onderwijsproject waarin men in alle opleidingsonderdelen nadenkt over hoe een specifieke vaardigheid kan worden ingezet voor het welzijn van de gemeenschap. Opleiding zal dan niet enkel en alleen worden beschouwd als capaciteitsopbouw, maar ook als een brede vorming die ertoe bijdraagt dat mensen in diverse omstandigheden rechtvaardige beslissingen kunnen nemen, oog hebben voor menswaardige leefomstandigheden, en betrouwbare afspraken kunnen maken. Een tweede element die de discussie vandaag noodzakelijk maakt is het feit dat de gemeenschap waarin we leven heel breed is geworden en dat we er niet meer onderuit kunnen om de verantwoordelijkheid van de eigen samenleving te kaderen in een verantwoordelijkheid met betrekking tot de hele wereldgemeenschap. We leven immers niet meer in een provincie, niet in een gemeenschap of federale staat, we leven in een wereldgemeenschap waarin onze inzet, ons consumentengedrag, onze omgang met energie repercussies heeft over de hele wereld. Toch wordt daar vandaag weinig ernstig over nagedacht. Het lijkt dat toen de klassieke ideologieën hun gezag verloren, meteen ook de discussie is stilgevallen over hoe we de samenleving idealiter moeten uitbouwen. In dat vacuüm is er, geruisloos, een verstandhouding gegroeid waarin men stilzwijgend denkt in termen van consumenten en producenten en waarin klanttevredenheid de meest belangrijke deugd is geworden. Dit soort verstandhouding is praktisch, weinig kritisch en ook niet erg verantwoordelijk. Ons hoofd in het zand steken, is geen optie. De ontwikkelingen binnen onze maatschappij dwingen ons tot nadenken.
Bart Pattyn Bart Pattyn LinksMailto:Bart.Pattyn@oce.kuleuven.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|