Over het denken in nationale categorieën heen

essay vrijdag 13 juni 2008

Hugo Dyserinck

Comparatistische imagologie als kritisch-rationalistische visie op het probleem van de Europese multinationaliteit Naar het schijnt zou een van de bekendste Franse Europa-politici van de twintigste eeuw ooit eens gezegd hebben dat hij, indien hij nog eens zijn werk aan de Europese eenmaking zou moeten aanvangen, hij bij de cultuur en niet bij economie en industrie zou beginnen. Een mooi idee, dat evenwel meteen ook op diepere waarheden wijst.

We kunnen inderdaad van een culturele eenheid van Europa spreken. Haar vol lof en aanbeveling voor de toekomst prijzen. Het erfdeel met zijn in het oude Griekenland geboren geest, de joods-christelijke fundamenten van het Avondland, het Humanisme van de Renaissance en de geest van de Verlichting met zijn bevrijding van de mens uit de resten van een door eigen schuld ontstane onmondigheid. Dit alles – in het Zuiden en Westen geboren en tot ver naar het Oosten reikend – ter verwezenlijking van een ‘eenheid’ die van Athene tot Noord-Ierland en van Toledo tot naar Krakau reikt - om van het westelijk georiënteerde Polen en van de ontwikkelde kringen van Rusland maar te zwijgen. Vanaf het ogenblik evenwel, waar het erop aankomt deze ideële structuur in een politieke realiteit om te zetten, staan we voor problemen. En de realisatie van een Europese eenheid waarvan wij na de Tweede Wereldoorlog droomden, herinnert in het beste geval aan de processie van Echternach. En niet eens dat. De stelling die ik hier naar voren wil brengen – als resultaat van onderzoek op het gebied der Europese vergelijkende literatuur- en cultuurgeschiedenis – luidt: het eigenlijk belemmerende element, dat tot nog toe steeds werd onderschat en in tegenstelling tot de economische problemen zelfs werd geïgnoreerd, is het denken in ‘nationale categorieën’. En dit in de ruimste zin van het woord. Toen na de napoleontische oorlogen – en zulks als tegengewicht tegen de ontwikkeling van een Pruisisch nationalisme, dat naar de schepping van een Duitse staat streefde – in het Franse geestesleven in de loop van de negentiende eeuw de wil ontplooid werd (ondanks het verleden en misschien juist op basis ervan) een eenheid respectievelijk een verzoening tussen de ‘Volkeren’ van Europa tot stand te brengen, formuleerde de grote Victor Hugo het begrip ‘Etats-Unis de l’Europe’.

Maar het bleef bij literair volmaakte formuleringen. Ook ondanks het feit dat een andere Fransman (ook hij een van de belangrijkste dichters van zijn tijd) de eigenlijke problemen, waarvoor men stond, iets verder had doorgrond. Nadat de Duitsnationaal georiënteerde tweederangsdichter Niclas Becker zijn beroemd en berucht geworden ‘Rheinlied’ met de sprekende beginwoorden, die het bijna tot het Duitse ‘Volkslied’ hadden gemaakt, de Fransen in het gezicht geslingerd had, antwoordde Lamartine met zijn in alle landen van Europa bekend geworden Marseillaise de la Paix die meteen het vooruitstrevende karakter van de Franse Romantiek demonstreerde. Bij Becker hadden de woorden geklonken: ‘Sie sollen ihn nicht haben, den freien deutschen Rhein, ob sie wie gierge Raben sich heiser darnach schrein.’ En Lamartine antwoordde: ‘Nation, mot pompeux pour dire barbarie’ en: ‘Déchirez ces drapeaux; une autre voix vous crie: «L’égoïsme et la haine ont seuls une patrie; La fraternité n’en a pas!»’

En de scherpte van de gedachte was niet eens nieuw: al in de 18de eeuw had in Engeland de beroemde Dr. Samuel Johnson de definitie gelanceerd van het patriotisme als ‘the last refuge of a scoundrel’. Het waren gedachten die de kern van het probleem raakten. Wat in de weg stond, was het concept van de natie zelf, ja zelfs het concept ‘volk’. Onze uit het oude Oostenrijk-Hongarije afkomstige filosoof Karl Raimund Popper sprak nog in 1981 in een in Wenen gehouden voordracht van de ‘irrsinnige Idee des Nationalitätenprinzips’, waarvoor hij Rousseau, Fichte und Hegel verantwoordelijk maakte en (ik citeer nog eens letterlijk) ‘sicherlich auch (…) die Folgen der Napoleonischen Kriege’. Wat betekent hier ‘Nationalitätenprinzip’ respectievelijk ‘Denken in nationale categorieën’? In The Open Society and its Enemies (ik citeer uit de Duitse uitgave: Die offene Gesellschaft und ihre Feinde) zegt Karl Popper in 1944: ‘Es ist gesagt worden, dass eine Rasse eine Ansammlung von Menschen ist, die vereinigt sind, nicht durch ihren Ursprung, sondern durch einen gemeinsamen Irrtum in bezug auf ihren Ursprung. In ähnlicher Weise könnte man sagen, dass eine Nation (im Sinne Hegels) eine Anzahl von Menschen ist, die vereinigt sind durch einen gemeinsamen Irrtum in bezug auf ihre Geschichte.’ Op een eenvoudiger manier geformuleerd en in directe toepassing op onze situatie: het gaat om het feit dat de Europeanen nog steeds aan het bestaan van ‘Volkeren’ geloven, die – zuiver van elkaar gescheiden – zich door bepaalde eigenschappen van elkaar onderscheiden en ook een onaantastbaar zelfbewustzijn kunnen ontwikkelen.

Om zich een beeld te vormen van de soms groteske gedachten die door deze voorstellingen vaak werden voortgebracht, volstaat het een blik te werpen op de talrijke – en soms ook omvangrijke – publicaties die het ondoordachte begrip der ‘Volkenpsychologie’ in hun titel voeren. Het begint al met de in 1860 gestichte Zeitschrift für Völkerpsychologie van Moritz Lazarus en Heymann Steinthal. Dan zijn er de werken van Wilhelm Wundt, Salvador de Madariaga en André Siegfried. André Siegfried, die zelfs nog na de Tweede Wereldoorlog –en dit ondanks de eerdere overvloedige aberratie in nationalisme en racisme – in zijn Werk L’âme des peuples niet alleen de gedachte aan het mogelijke bestaan van ‘Volkskarakters’ maar ook van ‘Volkszielen’ – zoals hij het formuleerde – behartigde. De waarheid evenwel is anders: enerzijds eenvoudiger, anderzijds complexer. De verschillende entiteiten, waar het bij onze diversiteit om gaat, zijn geen ‘Volkeren’, maar staten en taalgebieden. En de diverse karaktertrekken, die men met ‘Wesenskunde’ en het zoeken naar ‘l’âme des peuples’ meent te kunnen ontdekken, zijn geen realiteiten, maar voorstellingen. In de comparatistische terminologie spreken wij sinds het midden van de twintigste eeuw (in het Frans) van ‘images’. En dit als voorstellingen van ‘de andere’ of ‘het vreemde’ (‘L’étranger tel qu’on le voit’), oftewel ‘Heteroimages’; alsook van ‘Autoimages’, dit wil zeggen voorstellingen van het ‘eigene’, die uiteindelijk steeds aan de basis van de ontwikkeling van ‘Heteroimages’ liggen. Dit zijn de ware realiteiten die ons denken nog steeds op veelvuldige wijze beïnvloeden en zelfs beheersen! Niet een zogenaamd ‘karakter’, ‘wezen’ of ‘ziel’ van ‘volkeren’.

In de comparatistische imagologie gaan wij zo ver, van ‘zogenaamde volkeren’ te spreken. Onze staten, en zelfs ‘volkeren’, zijn immers in de ruimte van de geschiedenis ontwikkelde denkstructuren; en dit van oudsher zelfs van tijdelijke aard. Een van de beroemdste voorbeelden van een door ‘imagotypie’ ontstane voorstelling van verschil en tegenstelling tussen twee der grootste zogezegd nationale gemeenschappen binnen Europa is dat wat Madame de Staël in 1810 in haar beroemd geworden boek De l’Allemagne heeft voorgelegd. Zij had het verschil respectievelijk de tegenstelling Duitsland-Frankrijk op drie verschillende vlaktes gesitueerd en daarbij een structuur ontwikkeld die tot de meest succesvolle modellen van bipolaire imagotypieën zou worden die Europa tot nog toe gekend heeft.

Duitsland als kernelement van het Europese noorden (“le Nord”) was in geestelijk opzicht voor haar het land van het romantisme, terwijl Frankrijk en – überhaupt – de Romania (le Midi) door de traditie van het door de ratio gevormde classicisme beheerst werd. In religieus opzicht was Duitsland voor Mme de Staël het land van het protestantisme, terwijl Frankrijk door het katholicisme was gevormd. En op politiek vlak werd Duitsland door een sinds eeuwen en vooral in een geest van oppositie tegen Latijnse dominantie ontwikkelde drang naar vrijheid beheerst, terwijl Frankrijk (ten tijde van Mme de Staël dus het Empire en daarvóór de absolute monarchie) steeds gekenmerkt was geweest door autoritaire krachten en denkwijzen.

Niet toevallig ontwikkelde zich precies uit de laatstgenoemde polariteit de voorstelling van een Duitsland dat steeds door ‘beweging’ (en drang naar veranderingen) was opgevallen, terwijl voor Frankrijk het ‘statisch’ bewarende karakteristiek bleef. Nog in het midden van de twintigste eeuw werd ze door een Jean Giraudoux op de korte formule gebracht: ‘L’Allemagne est le mouvement et la France le repos’. En bijzonder interessant aan deze Duits-Franse imagotype structuur – zoals wij dit in de comparatistische imagologie noemen – was niet alleen haar lange levensduur en stabiliteit bij auteurs die zich (ook in de wereld van de politieke en algemene journalistiek) met Duitsland bezig hielden; ook was er haar uitwerking op algemeen-Europees en zelfs buiten-Europees vlak. En wat dit laatste betreft ging het niet slechts om Noord- en Zuid-Amerika, maar ook om Afrika, zoals de ‘Négritude’-theorie bewijst. Het beeld van een door vernuft en ratio gedirigeerde ‘Romaan’, die zich zodoende van de ‘Germaan’ onderscheidt; daarbij de voorstellingen van een ‘deutsche Denkungsart’, een ‘Duitse denkwijze’, die beter bij de Angelsaksische dan bij de Romaanse past; ze werken nog na tot in de tegenwoordige tijd. En iets gelijkaardigs geldt ook voor bepaalde voorstellingen van de vermeende andere geaardheid van het Europese oosten tegenover het westen. Nog interessanter evenwel – en in een zekere zin een nog duidelijker bewijs voor kracht en uithoudingsvermogen van deze ‘imagotypieën’ is het feit dat de met tegengestelde tendens, dat wil zeggen germanofoob denkende Franse auteurs, literatuurcritici en journalisten er eveneens gebruik van maakten, maar dan wel met een omgekeerde evaluatie. Zo waren er in Frankrijk de zogenaamde ‘antiromantici’, die trouwens grotendeels tegelijk de intellectuele vertegenwoordigers van extreem rechts waren (zoals b.v. Charles Maurras en zijn ‘Action française’). Was voor Mme. de Staël Duitse romantiek een positief geladen begrip, zo was ze voor de ‘antiromantici’ eenvoudigweg een ziekteverschijnsel dat vooral van over de Rijn en het Kanaal Frankrijk was binnengedrongen en een gevaar voor ‘l’Occident’ in zijn geheel vormde. En was het protestantisme voor Mme de Staël, van wie de familie uit Genève afkomstig was en die ten tijde van haar Duitslandboek zelf nog protestantse was, een vooruitstrevendere vorm van het Christendom, zo was het voor het conservatief georiënteerde Frankrijk verraad aan de religie van het avondland tout court – en aldus typisch voor de van Duitsland in het algemeen uitgaande infectie van het ware Europese geestesleven. En wat tenslotte de door Mme de Staël geprezen Germaanse vrijheidsdrang betrof, die met de (tegen elke klassieke striktheid gerichte) romantiek en met het tegen de Kerk van het avondland gerichte protestantisme op vanzelfsprekende wijze verbonden was, zo was die niets anders dan oppositie tegen de in het Westen op de basis van oudste (vooral dan ook Romeinse) tradities berustende ordeprincipes. Het heeft nog tot ver in de 20ste eeuw geduurd tot een kritisch georiënteerd comparatisme door middel van binationale en ook supranationale methodes (en werkwijzen) deze structuren heeft kunnen ontwrichten. En het was pas de kritisch-rationalistische methode die het voor de comparatistische imagologie mogelijk maakte, er elementen in te ontdekken, die vergelijkbaar waren met de door Karl Popper blootgelegde objecten van de ‘World 3’ – waarbij het dan tegelijkertijd ook mogelijk werd om in de gelijkaardig gerichte theorieën van de zogenoemde ‘Volkenpsychologie’ niets anders te zien dan een verzameling van ondoordachte imagotypieën. Het was onze taak om vanuit een wetenschappelijk standpunt deze bijna als bacteriën op het Europese geestesleven belastende elementen te ‘deconstrueren’ (of - om het met een reeds oudere maar inmiddels weer actueel geworden en vooral exactere term te zeggen: te ont-ideologiseren). En het was ook het ogenblik waarop wij vanuit het comparatisme het terminologische voorstel konden doen om van de zogenaamde ‘Ethnopsychologie’ over te stappen naar een ‘Ethnoimagologie’. Daarbij beperken wij ons niet alleen tot een ‘deconstructie’ van de aan de ‘volkeren’ toegeschreven ‘nationale’ eigenschappen, karaktertrekken en ‘Wesenheiten’. Wij relativeren uiteindelijk de volksbegrippen zelf – en zetten daardoor zelfs het constitueren van de huidige Europese nationale staten op losse schroeven.

Ik bedoel dit als volgt: wat betekent eigenlijk ‘Duitsland’, dit door Mme de Staël als romantisch, vrijheidslievend en door de geest van het protestantisme gevormde land? Hoort Beieren daar ook bij? En is het niet het gevolg van een willekeurig handelen van de geschiedenis, dat Oostenrijk er niet bij hoort c.q. dat niet in het Noorden een Pruisische en in het Zuiden een Beiers-Oostenrijkse Duitstalige staat is ontstaan? Wie is nu eigenlijk Duitser? Wij weten: het was een zogenoemd liberaal nationaal bewustzijn dat aan de basis van de plaatsgevonden ontwikkeling lag. We kennen de geest van Hoffmann von Fallersleben, de dichter van het beroemd (en ook wel berucht) geworden ‘Deutschland, Deutschland über alles...’, die op kritisch-rationalistische wijze gemakkelijk kan worden ‘geontideologiseerd’ respectievelijk gedeconstrueerd, waarbij dan ook aan Zwitserland moet worden gedacht om van Luxemburg en de Duitstalige minderheid van België maar te zwijgen.

Maar laten we liever eerst eens vegen voor eigen deur – in de engere zin van het woord: hoe ontstaan eigenlijk deze ‘in de ruimte van de geschiedenis ontwikkelde structuren van voobijgaande aard’, die wij tenslotte ‘naties’ noemen? Hoe ziet zo’n ‘nation building’ eruit? Ik denk aan het Benelux-gebied en aan het nationale respectievelijk ‘volkse’ identiteitsbewustzijn van de ‘Belgen’ en van de – ik gebruik opzettelijk aanhalingstekens –‘Nederlanders’? Iets wat trouwens een alles behalve provincialistische betekenis heeft en in menig opzicht zelfs een experimenteel karakter voor grotere Europese verbanden kan krijgen.

We hebben het geval van de ‘Belgische gedachte’. Ze werd niet door Pirenne uitgevonden en ze bevredigt nog steeds de nationale ‘behoeften’ van een niet eens bijzonder klein deel van de bevolking, ondanks het ‘onnatuurlijk karakter’ van de taalverhoudingen. Daarnaast – of beter gezegd daartegen – is er een ‘Groot-Nederlandse’ gedachte als model van eenheid van ‘Vlaanderen’ en ‘Holland’ zonder het Franstalige gebied; en ook hiervoor hebben zich in de laatste tweehonderd jaar politici geëngageerd – vooral dan in het Zuiden. Anderzijds is er de realiteit van het kleinere Nederlandse nationale model in de vorm van het tegenwoordige ‘Koninkrijk der Nederlanden’, iets dat herinnert aan het ‘klein-Duitse’ model van het Bismarck-Rijk en dat voldoet aan de nationale ambities van miljoenen Nederlanders die per se niet met Belgen in één pot willen worden gegooid en waardoor dus de ‘Vlamingen’ niet als ‘Nederlanders’ worden beschouwd. En daarnaast is er evenwel nog steeds, misschien zelfs als toekomstdroom van niet weinigen, het model van het oude ‘Verenigd Koninkrijk’ (in feite dus de tegenwoordige Benelux), dat in 1830 ten val werd gebracht.

En er bestaan nog andere, hoewel minder bekende maar desniettemin bij sommigen diep verankerde modellen die het verdienden en misschien nog steeds verdienen au sérieux te worden genomen. Bijvoorbeeld het Vlaanderen dat Patricia Carson in The Fair Face of Flanders voor ogen heeft of ook de beperkte en dan écht Vlaams particularistische visie die men kan terugvinden in het ooit eens succesvolle boek Ma Flandre que voici van de West-Vlaamse publicist Charles d’Ydewalle, voor wie ‘la Flandre’ Rijsel net zo goed als Brugge en Gent omvat, maar geenszins Antwerpen, dat dan – samen met gebieden die niet tot het tegenwoordige Belgische koninkrijk behoren – Brabants is. En dit alles – uiteraard – om van Limburg maar te zwijgen. Hoe komt dus zo iets tot stand? Ik bedoel het vormen van officiële ‘Gemeenschappen’, de basis van ‘nation building’?

Nemen we nog eens het geval België en zijn inwoners. De buitenlander die zich de moeite getroost om de pas sinds weinige jaren bestaande officiële benamingen der Regio’s en Gemeenschappen van dichterbij te bekijken, die in de zin van de voorbereiding van een nog te regulariseren Belgisch federalisme ingevoerd werden, zal om te beginnen met verbazing vaststellen van welk gebrek aan consequentie ze getuigen. Naast de regio Brussel, waarvan de naam geen problemen schept, daar hij op een stad wijst, zijn er de twee grote gebieden die in de omgangstaal Vlaanderen en Wallonië genoemd en door een derde, kleinere vervolledigd worden, die met haar circa 65.000 Duitstalige inwoners de oorzaak is van het feit dat het Koninkrijk België tegenwoordig officieel drietalig is. Hoewel deze Duitstalige regio het kleinste ‘Bondsland’ (ik gebruik opzettelijk de terminologie van andere ‘Bondsstaten’) van een nieuw federaal België vormt en er volgens een in Vlaanderen en Wallonië algemeen verspreide denkwijze eigenlijk niet ‘echt’ bij hoort respectievelijk haar bijzondere status slechts aan het Verdrag van Versailles te danken heeft, is zij degene waarvan de officiële benaming de natuurlijkste en op het eerste gezicht de meest probleemloze van alle is. Naar de taal die door de inwoners gesproken wordt, heet zij Deutschsprachige Gemeinschaft.

Niet zo echter bij de twee grotere gemeenschappen, die er nog steeds de reden voor zijn dat gezegd wordt dat de Belgen uit Vlamingen en Walen bestaan of zoals het in een bekende hymne luidt: ‘Flamand et Wallon ne sont que des prénoms, Belge est notre nom de famille’. Wie nu zou verwachten dat deze twee gemeenschappen, net zoals de Duitstalige, naar de taal van de inwoners zouden worden genoemd, komt met zijn logica bedrogen uit. Wallonië zeilt onder een naam als Communauté Française, waarbij opengelaten wordt, op hoeveel interpretatiemogelijkheden het adjectief français hier wijst. En in het geval Vlaanderen is het weer anders. Hier is het noch Nederlandstalig in de zin van een verwijzing naar de taal, noch Nederlands met een zijdelingse blik naar het gelijktalige buurland (zoals Française in het geval van Wallonië). Het is: Vlaamse Gemeenschap waarbij het adjectief weer meer dan één probleem verwekt. In het geval Wallonië liggen de dingen nog relatief eenvoudig. De Walen zijn Belgische staatsburgers die Franse dialecten spreken en voor de omgang op hoger vlak van het Frans als eeuwenoude cultuurtaal gebruik maken. Van de Fransen uit Frankrijk scheidt hen slechts een staatsgrens. Ze zijn – en dit niet slechts in een filologische zin – eigenlijk Fransen met Belgisch staatsburgerschap. Zo mag men het formuleren; ook als een niet gering percentage onder hen uit ingeweken Vlamingen (of hun nakomelingen) bestaat, die zich daardoor tegenover de Fransen c.q. als vreemdelingen kunnen voelen.

Maar voor de Vlamingen is de situatie ingewikkelder. De benamingen Vlaanderen, Vlamingen, Vlaams maken in de sinds 1830 bestaande Belgische context deel uit van de omgangstaal en worden – streng genomen – over het algemeen verkeerd gebruikt. Zij hebben namelijk bijna altijd betrekking tot dat deel van de staat, waarvan de inwoners Nederlandse dialecten spreken, en zulks ook daar waar deze dialecten, filologisch gezien, geen Vlaams maar Limburgs of Brabants zijn. Want Vlaams is streng genomen slechts de naam voor de dialecten die in de provincies Oost- en West Vlaanderen worden gesproken. Zo gezien zijn ook slechts de inwoners van deze provincies Vlamingen, terwijl de inwoners van de provincies Brabant en Antwerpen Brabanders zijn en ook Brabantse dialecten spreken, net zoals de inwoners der provincie Limburg Limburgers zijn en Limburgs spreken. En dit alles geldt natuurlijk alleen voor zover ze zich niet, al dan niet correct, in het zogenaamd ‘Algemeen Beschaafd’ uitdrukken, dat Nederlands heet en naast Duits, Deens, Noors, Zweeds, Ijslands, Fries en Engels een zelfstandige Germaanse taal is. De uitdrukkingen Vlaanderen en Vlamingen zijn dus – met betrekking tot het Nederlandstalige deel van het Belgische Koninkrijk – specifieke pars pro toto begrippen. Als een van de bovenvermelde twee ‘volkeren’, die België bewonen, wordt het zogenoemde ‘volk’ der Vlamingen eenvoudigheidshalve naar dat deel genoemd dat in de loop van de geschiedenis het beroemdst geworden is, namelijk het Graafschap Vlaanderen.

En iets analoogs speelt zich ook in het Noorden en Oosten van het Nederlandse taalgebied af: net zoals Vlaanderen en Vlaams voor het Nederlandstalige deel van België zijn ook de benamingen Holland en Hollands voor het ‘Koninkrijk der Nederlanden’ pars pro toto benamingen, die niet in iedereens smaak vallen als ze voor gebieden buiten hun eigenlijke sfeer worden gebruikt. Dus de Limburger van Maastricht is geen Hollander, maar is de Limburger van Hasselt een Vlaming? Desniettemin is deze verkeerde, omgangstalige terminologie ‘Holland’-‘Vlaanderen’ in werkelijkheid duidelijk en zelfs praktisch. Dit zal dan ook wel de reden zijn waarom ondanks alle (ook op antipathieën tegenover het Noorden berustende) beklemtoning door de inwoners van de staatkundig Nederlandse provincie Limburg dat ze geen ‘Hollanders’ zijn, bijna 90% of meer der reisbussen en vrachtwagens uit Maastricht, Heerlen en Valkenburg in hun firmabenamingen, resp. in het adres op hun deuren, aan de naam van hun stad het woord ‘Holland’ toegevoegd krijgen.

Wat betekent dit allemaal? Niet alleen dat ook voor deze ‘warboel’ nationale factoren en emoties verantwoordelijk zijn, maar dat juist grens- en overlappingsregio’s in Europa ons een bijzonder duidelijke blik op de essentiële waarheid mogelijk maken dat onze naties (‘nations’, ‘Nationen’) noch eeuwig, noch door een God gewild, noch heilig zijn, maar niets anders dan temporair in de ruimte van de geschiedenis gerealiseerde mentale structuren. En het is overduidelijk dat al deze ‘nationale’ modellen – zij het dan in hun voltooide, zij het in hun groeiende toestand – elkaar onderling tegenspreken, zelfs uitsluiten en zich zodoende omzeggens vanzelf relativeren.

Even zo duidelijk is echter ook dat zij, elk voor zich, het gevolg waren en zijn van geprononceerde behoeften: of hun realisatie nu al dan niet van langere duur was – voor deze modellen hebben inderdaad mensen geleefd, uit elk van hen hebben mensen in de loop van de geschiedenis krachten geput en voor elk van hen hebben mensen zelfs gestreden en geleden, zijn Europese mensen gestorven. Wij voelen hier dus niet slechts iets van de relativiteit van het ‘nationale denken’, maar ook iets van het verlangen van het individu en misschien zelfs van een zekere objectieve noodzaak om zich ergens ‘thuis’ te voelen, om ergens ‘thuis’ te zijn. Wij weten: er gaat irrationalisme mee gepaard en dit alles kan gevaarlijk zijn. Maar de vraag mag en moet worden gesteld: kan de mens eigenlijk wel bestaan zonder de betreffende gebondenheid in een collectieve context? Zonder dit gevoel van ‘identiteit’ en zonder ‘auto-image’?

In zijn beroemd geworden rede Qu’est-ce qu’une nation? noemde Ernest Renan in 1882 de natie het resultaat van ‘un plébiscite de tous les jours’ en doelde daarmee op de situatie in het tussen het toenmalige Duitse Rijk en Frankrijk omstreden Elzas-Lotharingen. En wij zouden aan deze beroemde definitie zonder spoor van ironie kunnen toevoegen: ‘Pourvu que ça dure’. De Elzassische schrijver Jean Egen ging namelijk bijna een eeuw later in het eerste deel van zijn Mémoires d’Alsace, Les tilleuls de Lautenbach een stap verder. Hij noemde diegenen, die zich voor een radicale bekentenis ten gunste van één van de beide ‘strijdende’ en dus nationalistische partijen engageerden, ‘les imbéciles’ en vertaalde in de door hemzelf mede geredigeerde Duitse versie van de roman dit (uit de terminologie van Jean-Paul Sartre overgenomen) begrip met ‘die Patridioten’.

Evenwel toont precies de blik op onze binneneuropese grens- en overlappingsgebieden dikwijls ook nog iets anders – vooral wanneer wij daarbij op de geschiedenis terugkijken. Namelijk dat er in ons oude Europa ook talloze vormen van binding aan het regionale hebben bestaan en ten dele nog bestaan, die slechts bij vergissing als primitieve verknochtheid aan het ‘nationale’ worden bestempeld. Het feit dat “nationaal” denken in ons Europees verleden niet slechts door de bekrompen massa werd gedragen – of erger nog – door een rabiaat geworden kleinburgerij, maar dat zich niet zelden ook belangrijke figuren (vooral dan uit de wereld van de dichtkunst) eraan hebben overgeleverd, en dit dan met enorme uitstraling, zo mag ook niet worden vergeten. Het ‘Lebe droben, o Vaterland, und zähle nicht die Toten’ van Friedrich Hölderlin, de ‘Dichter in dürftiger Zeit’, is niet slechts een versleten formule die diende om door gewetenloze politici en demagogen gebruikt te worden teneinde jonge mensen op de slachtvelden van Europa de dood in te drijven.Maar er zal bij Hölderlin en zo menig andere, wanneer van ‘Vaterland’ of (zoals eveneens bij Hölderlin) van het ‘Land der Mutter’ sprake was, ook iets aanwezig geweest zijn dat niet eenvoudigweg met het nationalisme uit tijden van echte of zogenaamde ‘Befreiungskriege’ kan worden gelijkgesteld, maar een diepere behoefte van de mens aanraakt. Hier wordt inderdaad iets aangesproken dat samenhangt met een verlangen naar de genoemde ‘Geborgenheit’ – om het woord in de zin van de filosoof Otto Friedrich Bollnow te gebruiken – dat niet alleen kan worden verklaard uit de oerangst van de in prehistorische tijden op zijn horde aangewezen vroege Homo sapiens. Hölderlins ‘Vaterland’ respectievelijk ‘Mutterland’ was trouwens niet een ‘Deutschland’, laat staan een ‘Deutsches Reich’, het was zijn ‘engere schwäbische Heimat’, zijn ‘Suevia’ Zwaben.

Nooit zal ik de op de televisie uitgezonden scène op het Sint-Pietersplein vergeten toen, nu meer dan vijfentwintig jaar geleden, de uit Polen afkomstige nieuwe paus op het bekende balkon van het Vaticaan voor de menigte trad en in zijn Italiaanse toespraak, zinspelend op zijn herkomst, duidelijk en beklemtoond zei: ‘Sono un figlio di Polonia’. Een blijkbaar eveneens uit Polen afkomstige kloosterzuster sloeg – voor de lopende camera – bij het horen van deze woorden beide handen voor haar gezicht en brak in tranen uit. Het was de concentratie van de niet te bedwingen herinnering aan barbaarse onderdrukking die Poolse mensen vanwege Pruisen en Rusland eeuwenlang hadden moeten ondergaan, verbonden met het gevoel eveneens recht te hebben op een menswaardig leven in vrijheid.

En ik beperk me niet tot voorbeelden uit de wereld van de religiositeit. Ook het utopische denken van het socialisme brengt er. De zin waarmee de Duitse marxistische filosoof Ernst Bloch, die een groot deel van zijn leven – vervolgd door racisme en nazistisch totalitarisme – in ballingschap moest doorbrengen, beëindigt zijn hoofdwerk Prinzip Hoffnung met de volgende woorden: ‘…so entsteht in der Welt etwas, das allen in die Kindheit scheint und worin noch niemand war: Heimat.’ - En deze ‘Heimat’, waar nog nooit iemand was geweest, was allesbehalve een nationaal afgebakend territorium. Het was het tegendeel ervan.

In de loop van onze vreselijke twintigste eeuw hebben veel ‘dichters en denkers’ (om het nog eens met een bekend germanisme te zeggen), die ‘tussen de naties’ hebben geleefd en van uit sommige ook werden verdreven, zich graag in dit probleem van het ‘Heimat’ en vaderlandsgevoel verdiept. En sommigen onder hen kwamen zelfs op het idee de binding aan een vaderland met een binding aan de moedertaal gelijk te stellen. Ware het in het ‘multinationale’ Europa, beter gezegd: ‘multilinguale’ Europa, van morgen – vooral dan wanneer de talen los van territoriale gebondenheid op diverse plaatsen van het continent worden gesproken – misschien denkbaar dat de taal zelf de functie van een ‘Heimat’ zou kunnen overnemen en aan de mens het gevoel van een eigen ‘levensruimte’ zou kunnen geven? Dus taal als ‘ruimte’, waarin zich de spreker ‘thuis’ kan voelen en waaruit hij ook de gevoelens van “geborgenheid” kan putten, die hem weleer door het ‘vaderlandse’ denken werden beloofd en in een zekere omvang ook werden gegeven?

De dichters hebben in elk geval reeds aan zoiets gedacht. Aan de spits Heinrich Heine, die het Duits als zijn ‘portatives Vaterland’ bestempelde. Maar ook lang na de Romantiek – en inderdaad volledig onafhankelijk ervan – waren er in geheel Europa dichters die hun gebonden-zijn aan de eigen taal op de zelfde wijze beleefden. Bijvoorbeeld de Oostenrijkse Ingeborg Bachmann: ‘Ich, mit der deutschen Sprache, dieser Wolke um mich, die ich halte als Haus, treibe durch alle Sprachen’. En uit dit zelfde beeld van ruimte“ – en omzeggens als consequentie ervan – Julien Green: ‘La langue, elle aussi est une patrie’. Of voor het Nederlands, de toentertijd in Parijs levende Willem Frederik Hermans: ‘De taal is mijn vaderland’. Of nog de Israëlische dichter van Duitse origine, wiens naam gehebraïseerd Shalom Ben-Chorin luidt, kort en bondig: ‘Niet Duitsland, het Duits is mijn vaderland.’ Uitingen van een gebondenheidsverklaring tegenover de taal als ‘Heimat’; wat in elk van deze gevallen tegelijkertijd een ‘neen’ aan het adres van de almachtige ‘Nationalstaat’ impliceert en dus ook een consequente afwijzing van het denken in nationale categorieën en ‘volksnationalisme’ überhaupt. En dit vanzelfsprekend als aankondiging van problemen die in een verenigd multilinguaal Europa, waarin de delen van de Gemeenschap niet meer door hinderende grenzen zullen worden gescheiden of tegen elkaar zullen worden afgesloten, zonder twijfel op ons afkomen.

Laten we ons evenwel niet misleiden door de dichterlijke beelden van taal als thuishaven. De kerngedachte, die in elk van deze formuleringen steekt, is dat uiteindelijk de talen het eigenlijke verschil tussen de mensen uitmaken. De talen als – onder elkaar uiteraard verschillende – instrumenten waarmee door de mensen het gedachte, het gevoelde, kortom: het gemeende, tot uiting wordt gebracht.

Onze taak zal er dus allicht in bestaan, het verlangen naar een ‘Heimat’ in de zin van Bloch respectievelijk de behoeften aan ‘Geborgenheit’ – over alle patriotismen of ‘patridiotismen’ heen – tot een supranationale, of beter gezegd multilinguale eenheid te verbinden. Een denken en voelen, dat in de tijd van globale communicatie en van globale overzichtelijkheid, van echte of vermeende diversiteit, niet meer onvervulbaar kan zijn. En dit – zoals Victor Hugo het al heeft geformuleerd – met als eerste stap de realisatie van een Europe Unie die van meet af aan globaal (in casu zelfs planetair) zal georiënteerd zijn. Dus nota bene: niet een ‘Nation Europa’ zoals dit meer dan 50 jaar geleden eens werd geconcipieerd in de zin van een tegengewicht tegen een als gevaar beschouwd ‘Oostblok’; geen supernatie, die zich op haar manier tegen andere blokken keert; maar een ‘Laboratorium Europa’, zoals wij in het comparatisme zeggen, waar men aan de mogelijkheid kan en mag geloven om binnen het kader van ons oude continent het spel der ‘nationaliteiten’ te analyseren, te verwerken en uiteindelijk te boven te komen. En dit niet alleen in ons eigen Europees belang maar ook met het oog op verdere ontwikkelingen in andere delen van de wereld.

En dit Europa als object voor een nieuw gevoel van ‘vader’- of ‘moederlandse’ verbondenheid, over alle nationalismen en ‘volkse’ ideologieën heen? Kan dit gerealiseerd worden? En kunnen wij, voor wat het gevoel van ‘thuis’ zijn betreft, dit ‘Europa’ als een nieuwe vorm van vader- of moederland beschouwen, of beter gezegd aanvoelen? Wij geloven inderdaad aan deze mogelijkheid.

Het gaat met andere woorden om de ontwikkeling van een nieuwe denkstijl, die in onze tijd door een supranationale comparatieve visie kan worden gerealiseerd. En het weze tenslotte bij wijze van nuchtere conclusie nog eens gezegd: het is tijd dat deze dimensies van de ‘comparatistisch imagologische’ visie in Europa meer bekendheid krijgen. Tijd ook dat voorbereidingen worden getroffen om de reeds bereikte – theoretische en praktische – resultaten van het onderzoek vanuit de wetenschap door te geven aan het onderwijs, waar de volwassenen van morgen niet vroeg genoeg kunnen worden voorbereid op een ‘esprit européen’ die we broodnodig hebben. En het is ook tijd dat ze worden doorgegeven naar de gespecialiseerde vormen van volwassenenvorming waar, op de basis van goodwill en openheid van geest, ook nog bij ouderen via agogische methodes een zin voor dit Europese denken kan worden ontwikkeld.

En heel in het bijzonder is het hoog tijd om dit soort comparatistisch onderzoek, dat zich van zijn politieke draagwijdte bewust is, te integreren in bepaalde reeds bestaande multinationale Europese researchinstellingen, teneinde de mogelijkheden van deze waardevolle, en uiteindelijk niet alleen voor Europa belangrijke, bijdrage tot het ‘verwerken’ van onze multinationaliteit en onze multilingualiteit niet nog eens jaren lang te verwaarlozen of zelfs verloren te laten gaan.


Dit is de tekst van de tweede Popperlezing uitgesproken op 4 juni 2008 in Hasselt.



Professor emeritus Hugo Dyserinck werd geboren in Brugge op 5 augustus 1927. Hij studeerde Wijsbegeerte en Vergelijkende Literatuurwetenschap aan de universiteiten van Gent, Marburg en Parijs. Hij is Dr.phil. van de Universiteit Marburg en Dr. Honoris causa van de Vrije Universiteit Brussel verleend vanwege de Faculteit voor Psychologie en Opvoedkunde. Van 1952 tot 1962 was hij lector aan de Universiteit van Erlangen. Van 1962 tot 1967 was hij docent aan de Rijksuniversiteit van Groningen. Sinds 1967 was hij hoogleraar en hoofd van de sectie ‘Komparatistik’ in de faculteit der Wijsbegeerte en Letteren bij de Technische Universiteit te Aken. Van 1983 tot 1992 was hij ook buitengewoon hoogleraar aan het ‘Centre Universitaire’ van het Groothertogdom Luxemburg.



Professor Dyserinck wordt beschouwd als een van de grondleggers van de comparatistische imagologie, een specifieke tak van vergelijkend literatuuronderzoek. Binnen de Vergelijkende Literatuurwetenschap is de imagologie gedurende enkele decennia gemarginaliseerd tengevolge van, ondermeer, het toenemend anti-historisme van die discipline na 1965. De imagologie is in die tijd vooral staande gehouden door Professor Dyserinck en zijn ‘Akense programma’, van waaruit een interesse naar nationale beeldvorming vooral is uitgewaaierd naar andere vakgebieden zoals 'Europese Studies' en hetgeen ooit 'Volkenpsychologie' werd genoemd. En dit ook onder sterke invloed van de filosofie van Karl Popper.



Professor Dyserinck publiceerde diverse Duits-, Nederlands- en Franstalige studies op het gebied van de vergelijkende literatuur- en cultuurwetenschappelijke theorie, over de Duits-Franse intellectuele betrekkingen in de twintigste eeuw alsmede over de Nederlandstalige Cultuur in Europees verband. Hij schreef verschillende boeken over komparatistiek. Naar aanleiding van zijn 65ste verjaardag werd hem door zijn oud-leerlingen Joseph Leerssen en Karl Ulrich Syndram een Liber Amicorum aangeboden onder de titel Europa provincia mundi: essays in comparative literature and European studies. Begin juni 2008 werd door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek officieel medegedeeld dat aan de tot nog toe bekendste oud-student, oud-wetenschappelijk medewerker en oud-promovendus van Dyserinck de Spinozapremie 2008 werd toegekend. Het gaat om prof. dr. J.Th. Leerssen, hoogleraar Europese Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam, die zijn universitaire studies in Aken in het hoofdvak ‚Komparatistik’ in 1973 begon, in 1979 met de graad van Magister Artium afsloot en in 1986 (met prof. Dyserinck als ‚Promotor Extranaeus’) aan de Universiteit Utrecht tot Doctor in de Letteren promoveerde. De toekenning van de premie werd ondermeer met de volgende woorden gemotiveerd: ‚Zijn benadering van de imagologie – het onderzoek naar beeldvorming, nationaal besef en nationale stereotypen – heeft volgens de jury een nieuwe kijk op cultureel nationalisme opgeleverd.’



Professor Dyserinck is ook al lang actief binnen de liberale beweging. Zo was hij jarenlang voorzitter van de Limburgse afdeling van het Studiecentrum Prof. Dr. Herman Uyttersprot, het centrum genoemd naar de man, bij wie hij in Gent een deel van zijn comparatistische vorming heeft opgestoken. Daarnaast is lid van de commissie van de liberale Club Universitaire Réformes et Liberté aan de universiteit van Luik, die de driejaarlijkse Prix Jean Rey verleent. Een zéér belangrijk liberaal initiatief met internationale allure.

Prof. em. Dr. Hugo Dyserinck

Links
mailto:egbert@liberales.be
Share |

De welvaart en trots van naties

Liberales organiseert op dinsdag 28 mei (20u) een gespreksavond met Olivier Boehme over zijn laatste boek 'De welvaart en trots van naties'. Klik hier voor meer info en inschrijven.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be