Van alle markten thuis

essay vrijdag 25 oktober 2002

Koen Raes

Te denken dat de uitwassen van de vrije markt maar kunnen worden opgelost door het marktmechanisme opzij te schuiven, is achterhaald. De vraag naar de grenzen van de markt en naar de grenzen binnen de markt is relevanter. 'Eerder dan het marktmechanisme zelf zou men beter de enorme maatschappelijke ongelijkheden op de korrel nemen en pleiten voor meer gelijkheid binnen de markt en grotere gelijkheid in de toegang tot de markt' De tweede helft van de negentiende eeuw beleefde een ware apologie van de markt, en dat zowel op praktisch vlak, waar men van een dominante 'age of capital' kan spreken, als op theoretisch vlak, waar de economische wetenschap groeiende aandacht krijgt. In de twintigste eeuw worden marktmechanismen steeds verder ontwikkeld, maar het is tevens de eeuw waarin zich krachtdadige alternatieven voor de markt profileren. Op cultureel vlak verweerden modernistische kunstenaars zich op allerlei manieren tegen de vermarkting van de kunsten, terwijl op economisch-politiek vlak planeconomieën werden uitgebouwd die met het kapitalistisch economisch systeem probeerden te wedijveren. Binnen dat systeem brachten welvaartsstaten belangrijke correctieven aan op de markt, vooral dan voor wat betreft de bescherming van de arbeidskracht. De 21ste eeuw lijkt dan weer de eeuw te worden waarin het kapitalistische marktsysteem zich over de hele aardbol globaliseert en radicale alternatieven aan de productiezijde nauwelijks nog hun stem verheffen. Het lijken nu veeleer alternatieven aan de consumptiezijde te zijn die het voortouw nemen in de strijd tegen een ongebreideld marktmechanisme: kritische consumenten. Wat is het eigenlijk dat de markt steeds blootstelt aan principiële kritieken? Voor de apologeet van de markt leidt de vrije ruil van goederen en diensten automatisch tot welvaartsverhoging, want wie iets koopt hecht meer waarde aan het product dan aan het geld, terwijl wie iets verkoopt meer waarde hecht aan het geld dan aan het product: vrijheid en blijheid aan beide zijden dus? Critici van de markt wijzen enerzijds met de vinger naar de verregaande instrumentalisering van de mens door de markt, die er als arbeidskracht niet als doel maar uitsluitend als middel wordt bejegend. Wie niets heeft, is niets waard en dus vertolkt de markt het recht van de sterkste. En bij uitbreiding geldt dat voor het hele economische systeem, dat niet gericht is op het bevredigen van behoeften, maar op het realiseren van winst. Voor de Gentse filosoof Rudolf Boehm is precies die omkering van doel en middel, zoals ze al kernachtig werd verdedigd door Adam Smith, de essentie van het kapitalisme: produceren om te produceren in plaats van produceren om te consumeren. En ten slotte heeft de markt weliswaar geen moraal noch cultuur tenzij de drijfveer dat uit alles waaruit winst kan worden geslagen, winst zal worden geslagen, maar parasiteert hij ondertussen vrolijk op tal van waarden en normen die het schroomteloos misbruikt. Laat ons eens wat nader ingaan op - enkele van - die kritieken. Wat met hen die niets, of slechts hun vege lijf te ruilen hebben? Wat met de grenzen van de vermarkting? Wat met de instrumentalisering van de mens? Wat met de doel-middelperversie? En ten slotte, wat met het marktparasitisme? De markt, zoveel is duidelijk, houdt niet van de zwakkere medemens, het weze omdat hij niet of onvoldoende kan werken, het weze omdat hij geen geld heeft, het weze omdat hij geen macht heeft. Tegenmacht, die is er precies nodig om de zwakkeren te beschermen. Dat is het verhaal van de sociale strijd. Wie meent dat die gedachte geschiedenis zou zijn geworden, wordt vriendelijk verzocht het kapitalistische wereldsysteem wat nader te bekijken, want het is precies door hun gebrek aan macht dat ontwikkelingslanden vandaag moeten plooien voor, bijvoorbeeld, de octrooien die hen volledig afhankelijk maken van de leveranciers van genetisch gemanipuleerde gewassen of die het verspreiden van levensreddende geneesmiddelen verhindert. Wie noch geld noch macht heeft, tja, die gaat onderuit. Wie daarentegen kapitaalkrachtig is, die kan zich alles permitteren. Geen norm of waarde is heilig voor de markt, als men er maar een prijs voor over heeft. "If Hitler wanted to get rid of the Jews, he should have bought them out", stelde die andere marktapologeet Richard Posner ooit. Verkeerd waren niet Hitlers racistische preferenties (want dat is een kwestie van smaak...), maar wel zijn politiek-militaire methodes om ze door te drijven. Als dat geen waarlijk liberale neutraliteit is? En inderdaad, waren het recentelijk niet precies liberalen die voorstellen lanceerden om migranten financieel 'uit te kopen' met een oprotpremie. 'If you want to get rid of strangers, you should buy them out!' Anderen denken daar gelukkig anders over. Er zijn wel degelijk grenzen aan de vermarkting te stellen. Vooreerst zijn er om actielogische redenen goederen die men eenvoudig niet kopen kan: vriendschap, liefde of vertrouwen, bijvoorbeeld: can't buy me love, de Beatles wisten het al. Dan zijn er goederen die men om intrinsieke redenen niet mag kopen of te koop aanbieden: mensenlevens, organen, embryo's, zelfdodingspakketten, moordwapens, wellicht ook bloed en, ja, racistische en andere verwerpelijke voorkeuren. Vervolgens kan men die zogeheten vrije keuze op de markt niet klakkeloos verabsoluteren, want vaak lijkt die vrijheid uit niets meer te bestaan dan, zeg maar, de 'vrijheid' van de roker om door te gaan met roken, omdat hij niet ophouden kan. Sommige publieke goederen kunnen niet efficiënt en zeker niet rechtvaardig door de markt worden verspreid, ofwel omdat ze eenvoudig niet te delen zijn, zoals zuivere lucht, ofwel omdat de markt ze alleen maar onrechtvaardig zou verdelen, zoals gezondheidszorg. En dan zijn er ten slotte ook goederen die men van vermarkting moet afschermen omdat ze anders irreversibel te niet zouden gaan, zoals het tropisch regenwoud of ons cultureel erfgoed. Voor Kant mag men een mens nooit louter als middel, maar altijd ook als doel behandelen. Dat staat een zekere instrumentalisering dus niet in de weg en hier is de kritiek op de markt, de arbeidsmarkt zowel als de consumptiemarkt, dan ook niet helemaal overtuigend. Vooreerst werden mensen ook in planeconomieën als middel ingezet, zij het dan niet om winst te realiseren, maar wel om zekere productiedoelen te halen. Is dat zo wezenlijk verschillend? Theoretisch allicht wel: het eerste is een 'slecht', het tweede een 'goed' doel. Maar maakt het echt zoveel uit of de bakker u zijn brood verkoopt omdat hij daarmee winst maakt dan wel omdat je zin hebt in brood? Dat laatste mag ethisch hoogstaander zijn, maar daarom is het eerste nog niet volstrekt onethisch. Dat wordt wel het geval indien zijn winststreven zijn enige bekommernis zou zijn of danig alles overwoekert dat hij zou prutsen met de kwaliteit van de ingrediënten (dat heet bedrog) of indien dat winststreven geen oog zou hebben voor wie dat brood nodig heeft, maar er niet voor kan betalen. Dat laatste is een kernprobleem op wereldvlak, maar het is fout te denken dat het alleen maar kan worden opgelost door het marktmechanisme opzij te schuiven. Integendeel, het hele oeuvre van Nobelprijswinnaar Amartya Sen is er nu juist op gericht aan te tonen dat het creëren en stimuleren van markten veruit de voorkeur verdient over voedselhulp, en in termen van behoeftenbevrediging en in termen van menselijke vrijheid. Altruïstische motieven mogen dan al moreel hoogstaand zijn - de werkelijkheid wijst echter uit dat de grenzen tussen caritas en corruptie vaak erg smalletjes zijn - in hoofde van de gever, ze zijn dat minder in hoofde van de ontvanger, die men in een toestand van afhankelijkheid duwt. Zeker, ook het marktmechanisme weet aardig wat misbruik van afhankelijkheid te maken. Maar dan moet men werken aan het egaliseren van de machtsverhoudingen binnen de marktverhouding eerder dan de markt 'op te heffen', wat dat ook moge betekenen. De lessen die we kunnen trekken uit alle mislukte planeconomieën, mogen we toch niet eenvoudig opzij schuiven. Doelrationaliteit mag dan al rationaliteit bij uitstek heten, ze wordt niet het meest effectief gerealiseerd door één centrale planner, al is het maar omdat die niet in staat is maar ook moreel niet het recht heeft om alle kennis te vergaren over de miljoenen investerings-, koop- en verkoopbeslissingen die dagelijks door miljoenen mensen worden genomen. Sturen kan daarentegen wel: de economie moet zich aan de politiek vastgestelde randvoorwaarden houden. Overigens en ten slotte is zelfs het behoorlijk esthetische marxistische ideaal van een economie waarin iemand alleen maar werkt om zijn talenten te ontwikkelen en te vervolmaken ook niet bepaald 'altruïstisch' te noemen. Ook hier blijft er sprake van een 'doel-middelperversie'. Het gegeven dat mensen andere motieven hebben om bepaalde behoeften en verlangens van hun medemensen te bevredigen dan die behoeften en verlangens zelf is dus zeker niet eigen aan 'de economische markt'. Eerder dan het marktmechanisme zelf zou men veel beter de enorme maatschappelijke ongelijkheden op de korrel nemen en pleiten voor meer gelijkheid binnen de markt en grotere gelijkheid in de toegang tot de markt. Belangrijker is de vaststelling dat de marktideologie maar een halve waarheid vertelt, omdat ze voortdurend parasiteert op waarden die het zelf tegelijk met voeten treedt. De vraag naar de grenzen van de markt en naar de grenzen binnen de markt is, precies opdat iedereen een gelijkere toegang zou verwerven tot de markt, daarom vandaag wellicht relevanter dan een discussie over alternatieven voor de markt. Het eerste probleem verwijst naar de vraag wat niet voor vermarkting kan of mag in aanmerking komen. Het tweede probleem stelt de vraag naar de aanvaardbare machtsverschillen op de markt. Beide zijn ondubbelzinnig ethische vragen, die om uitgesproken politieke antwoorden vragen. En die zullen onvermijdelijk in de richting gaan van het verzekeren voor de volkeren van de derde wereld van een veel gelijkere toegang tot de productie(middelen)markt - met inbegrip van de informatiemarkt! -, de arbeidsmarkt en de consumptiemarkt, net als van het tegelijk beperken van de roofbouw die op hun schaarse hulpbronnen wordt gepleegd. Het lijkt een onmogelijke, ja, contradictorische opdracht en dat is ook zo indien het Westen zijn levensstijl niet radicaal verandert in termen van grotere duurzaamheid en minder verkwisting, ja, minder verslaving, en indien die derde wereld zijn macht niet explicieter profileert. Het 'vluchtelingenwapen' zou hierbij een zeer belangrijke hefboom kunnen zijn, omdat het precies markten verovert waar die aanwezig zijn. Alleen door lokale markten te stimuleren kan dat proces worden getemd. Er moet, met andere woorden, vooral anders worden gemarkt door markten te veranderen, eerder dan ze af te schaffen.


De auteur is hoogleraar in de rechtsfilosofie en de toegepaste ethiek aan de Universiteit Gent. Vorig jaar verscheen van hem : Verschaalde waarden. De onmin in een cultuur, Uitgeverij Pelckmans.



Deze column verscheen in De Morgen van 12 juni 2002



© 2002 Uitgeverij De Morgen n.v.

Koen Raes

Share |

Nieuwsbrief

Schrijf je in op onze wekelijkse nieuwsbrief door hieronder je e-mailadres in te vullen.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be