John Stuart Mill heeft gelijk gekregen toen hij in zijn autobiografie schreef dat On Liberty waarschijnlijk langer tot de verbeelding zou blijven spreken dan zijn andere publicaties. (1) Hoewel Mill vanwege zijn essay Utilitarianism te boek staat als een verdediger van het utilisme, is daar weinig van te merken in On Liberty. Ook in On Liberty beschouwt hij nut als het ultieme criterium voor alle ethische kwesties, maar hij haalt de angel uit het utilisme van zijn peetvader Jeremy Betham door nut in de breedste zin van het woord op te vatten. Het utilisme resulteert daarom in de handen van Mill niet in een dictatoriale overheid die vrijheden vertrapt en onschuldigen in het cachot gooit, mocht dat toevallig in het belang van de meerderheid zijn. Au contraire, Mill concludeert als een volbloed liberaal dat het grootste geluk enkel bereikt kan worden met behulp van een minimale overheid, maximale individuele vrijheid en onderwijs voor het volk. In On Liberty geeft Mill dan ook aan waar de grenzen van de overheidsmacht en van de vrijheid van het individu liggen en benadrukt hij het belang van individualiteit en het gevaar van de ‘tyranny of public opinion’. Mill illustreert zijn opvattingen met behulp van de discussie rond de vrijheid van meningsuiting en zijn verdediging daarvan is tot de dag van vandaag een toonbeeld van zuiverheid en eloquentie. In dit artikel onderzoek ik hoe relevant zijn argumenten nog zijn voor de huidige discussie over de reikwijdte van de vrijheid van meningsuiting. Ik zal mijn stellingname illustreren aan de hand van het rookverbod in de horeca, de controversiële politicus Hans Janmaat en de rechtszaak die minister-president Jan Peter Balkenende voerde tegen het inmiddels failliete blad Opinio. Het schadebeginsel: de grenzen van de overheid Mill bestrijdt de gedachte dat overheidsmacht in een democratie niet hoeft te worden begrensd omdat de macht van het volk zelf is en grondrechten en machtenscheiding enkel tegenover een dictator nodig zijn. Ook een democratische ‘tyranny of the majority’ kan een minderheid onderdrukken en het bepalen van de grenzen van overheidsmacht is in een democratie net zo belangrijk als in een dictatuur. Deze gedachte werd ook verwoord door een tijdgenoot van Mill, de Franse filosoof Alexis de Tocqueville. Mill noemde zijn boek, Democracy in America, een ‘remarkable work’ met een ‘masterly analysis’ en schreef er enkele recensies over. (2) In Democracy in America schrijft De Tocqueville: ‘The maxim that in matters of government the majority of a nation has the right to do everything I regard as unholy and detestable; yet, I place the origin of all powers in the will of the majority. Am I contradicting myself?’ (3) Mill loste deze paradox op doordat hij inzag dat uit het feit dat alle overheidsmacht afkomstig is van het volk niet noodzakelijk de stelling voortvloeit dat de overheid op alle denkbare onderwerpen bevoegd is. Hij bekritiseert dan ook de filosofen die een definitief antwoord willen geven op de vraag of een handeling, opvatting of levensstijl door de samenleving moet worden geaccepteerd of moet worden afgewezen. Hij buigt zich liever over de vraag of de maatschappij überhaupt het recht heeft om door middel van wetgeving handelingen, opvattingen of levensstijlen strafbaar te stellen. Het principe dat overheidsmacht volgens Mill begrenst is: (…) ‘that the sole end for which mankind are warranted, individually or collectively, in interfering with the liberty of action of any of their number, is self-protection. That the only purpose for which power can be rightfully exercised over any member of a civilized community, against his will, is to prevent harm to others. His own good, either physical or moral, is not a sufficient warrant.’ (4) Dit is Mills schadebeginsel en het bekendste principe uit On Liberty. De overheid kan de vrijheid van het individu enkel beperken om schade aan andere individuen te voorkomen. Paternalisme – de mens dwingen om vrij, gelukkig, respectvol, verstandig, fatsoenlijk, milieuvriendelijk, kuis of moreel te zijn – is geen rechtvaardiging voor Mill. Hij legt de nadruk op de autonomie van de mens, omdat misbruik van overheidsmacht op de loer ligt wanneer burgers tegen zichzelf in bescherming mogen worden genomen. Voor zover het individu enkel zichzelf schade toebrengt, kan de overheid volgens het schadebeginsel de activiteit dus niet verbieden. Ook kan de overheid de activiteit niet beperken door middel van accijnzen en belastingen. Dat zou enkel een gradueel verschil met een verbod zijn en zal er altijd toe leiden dat bepaalde mensen de activiteit niet meer kunnen betalen of gedwongen worden andere uitgaven op te geven. Mill betoogt in hoofdstuk 5 van On Liberty dan ook dat het heffen van accijnzen op zaken als drank, sigaretten en gokken alleen gerechtvaardigd is als het verbieden ervan ook gerechtvaardigd is. (5) Dat betekent in Mills universum niet dat de overheid met lege handen staat. Mensen zijn volgens hem pas werkelijk vrij als ze goed geïnformeerde keuzes kunnen maken. Daarom is Mill voorstander van onderwijs. Door educatie kan het volk een vrijwillige mentaliteitsverandering ondergaan en bewuster kiezen. Mochten individuen zichzelf desondanks schaden, dan is dat hun eigen verantwoordelijkheid: ze kennen de risico’s. Het is immers niet aan de overheid, maar aan het individu om de afweging tussen bijvoorbeeld gezondheid en genot te maken. Zo zijn de gevaren van roken in Nederland bij iedereen bekend. Hoeveel gewicht aan die gevaren wordt gegeven is een individuele keuze. Op deze wijze stelt het schadebeginsel Mill in staat een onderscheid te maken tussen een sfeer waarbinnen de overheid – en dus de democratische meerderheid – soeverein is en een sfeer waarbinnen het individu soeverein is. Nu heeft de vooruitgang in de wetenschap van de afgelopen 150 jaar duidelijk gemaakt dat vrijwel alle menselijke activiteit op de een of andere manier schadelijk is. Mills schadebeginsel behoeft daarom precisering omdat niet elke vorm van schade voldoende zwaarwegend is om de vrijheid van het individu te beperken. Mill meent dan ook dat enkel de schade die voortkomt uit de aantasting van een recht een legitimatie is voor beperking. (6) Voor een correcte toepassing van het schadebeginsel zullen we dus moeten vaststellen of er sprake is van schade, wie die schade betreft en ten slotte of die schade een recht aantast. Het schadebeginsel kunnen we ook toepassen op de discussie rond het vermeende ‘recht op beledigen’. Een spotprent, boek, vloek, musical, grap of artikel kan schade veroorzaken in de zin dat het gevoelens kwetst. Die schade wordt echter niet beschermd door een recht. Er bestaat geen recht om van beledigingen of gekwetste gevoelens verschoond te blijven. Dit is een privilege dat enkel de kluizenaar toekomt en niet een recht van de burger in een multiculturele en multireligieuze samenleving waarin een keur aan verschillende opvattingen en levensstijlen elkaar in het publieke domein ontmoeten. Deze vorm van schade kan dan ook niet als grond(recht) dienen ter beperking van de vrijheid van meningsuiting. Mill: ‘The acts of an individual may be hurtful to others, or wanting in due consideration for their welfare, without going to the length of violating any of their constitutional rights. The offender may then be justly punished by opinion, though not by law.’ (7) Laat er geen misverstand over bestaan: Mill zou de Deense spotprenten of die van Gregorius Nekschot ruim binnen de vrijheid van meningsuiting hebben laten vallen. Mill stelt dan ook dat de macht die de overheid meent te hebben om bepaalde opvattingen te verbieden in zichzelf illegitiem is. Ik kom hier later op terug. In andere discussies is toepassing van het schadebeginsel problematischer. Met betrekking tot het rookverbod in de horeca kan schade aan anderen relatief eenvoudig worden bewezen. De echte discussie gaat over de vraag of dit een aantasting is van een recht. Bestaat er een ‘recht op frisse lucht’ of vloeit dit voort uit andere rechten, zoals het recht op de fysieke integriteit? Is dit niet het geval, dan is het rookverbod niet gerechtvaardigd. Mocht rook inbreuk maken op een recht, dan zal men de vraag moeten stellen of de aantasting van dat recht voldoende groot is om een eventueel ‘recht op roken’ te beperken. In dat geval zou het inconsequent zijn de gevolgen tot de horeca te beperken. Als men een recht op frisse lucht of fysieke integriteit heeft, heeft men dat overal, onafhankelijk van de locatie. Een ‘recht op frisse lucht’ heeft men dan niet enkel tegenover rokers, maar ook tegenover andere schadelijke vormen van luchtvervuiling, zoals uitlaatgassen. In dat geval zouden stedelijke centra wellicht autovrij moeten worden, tenzij een ‘recht op mobiliteit’ zwaarder zou wegen. Wellicht dat men dan ook een recht heeft om vrij te zijn van geluidsoverlast omdat dit het gehoororgaan kan beschadigen of zelfs een meer omvattend ‘recht op een schoon milieu’? De hoeveelheid (mensen)rechten waarover individuen beschikken, heeft de afgelopen 150 jaar niet eenzelfde groei meegemaakt als de hoeveelheid kennis over wat schadelijk is. Niettemin heeft de mensenrechtencatalogus wel degelijk een behoorlijke groei meegemaakt. Zo spreekt de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens uit 1948 naast de klassieke vrijheden over het recht op arbeid, maatschappelijke zekerheid, rechtmatige en gunstige arbeidsvoorwaarden, bescherming tegen werkeloosheid, rechtvaardige en gunstige beloning, sociale bescherming, rust, vrije tijd, deelname aan het culturele leven en genot van kunst. Daarnaast kan de overheid haar burgers – of dieren, groepen, de natuur, toekomstige generaties of zelfs de gehele wereldbevolking – aanvullende rechten toekennen. Mills eigen schadebeginsel kan vervolgens als legitimatie dienen voor de overheid om in te grijpen en al deze ‘rechten’ tegen aantasting te beschermen. Ik kom daardoor tot de paradoxale conclusie dat teveel rechten overheidsingrijpen vereenvoudigen en dat dit veel eerder een gevaar voor de individuele vrijheid vormt dan dat het er aan bijdraagt. Mill bespreekt weliswaar niet een rookverbod in de horeca, maar schrijft wel over Amerikaanse staten en counties die een absoluut alcoholverbod uitvaardigen. Daarbij bekritiseert hij de ‘theory of social rights’, die stelt: ‘(…) that it is the absolute social right of every individual, that every other individual shall act in every respect exactly as he ought; that whosoever fails thereof in the smallest particular violates my social right, and entitles me to demand from the legislature the removal of the grievance. So monstrous a principle is far more dangerous than any single interference with liberty; there is no violation of liberty that it would not justify.’ (8) Mill komt daarmee tot de conclusie dat sociale rechten het recht geven om andere mensen te dwingen hun levensstijl op te geven zodra deze op enige wijze botst met de eigen levensstijl en dat dit de legitimatie vormt voor een carte blanche voor de overheid om naar welbelieven in te grijpen in het leven van haar burgers. Waarom Mill nog steeds relevant is De verdediging van de vrijheid van meningsuiting rust in On Liberty niet enkel op het schadebeginsel, wat problematisch zou zijn omdat men sterk van mening verschilt welke vormen van schade hier onder vallen. Mill laat in hoofdstuk 2, ‘Of the Liberty of Thought and Discussion’ van On Liberty zien dat vrijheid van meningsuiting voordelig is voor een samenleving en dat het verbieden van opvattingen vooruitgang verhindert. Vooruitgang is enkel mogelijk met behulp van de waarheid en die komt het snelst aan het licht in samenlevingen waar vrije discussie over alle onderwerpen mogelijk is. Door het verbieden van meningen kunnen mensen immers worden beroofd van de mogelijkheid onwaarheid voor waarheid te verruilen. De overheid heeft volgens Mill niet de autoriteit om te beslissen van welke opvattingen het volk wel en niet kennis mag nemen. Het verbieden van opvattingen is in zijn ogen een testimonium paupertatis, een brevet van onvermogen de ander te overtuigen en een machtsmiddel bovendien. Mill wil het toeval en het vooroordeel uit opvattingen elimineren. Men moet een opvatting niet hebben omdat men toevallig door die familie in die stad is opgevoed en omdat men tot die klasse, dat beroep, die periode of dat land behoort. Men moet elke opvatting die men heeft durven te betwijfelen en vervolgens uit volle overtuiging koesteren, niet omdat je er mee bent opgegroeid, maar omdat er goede redenen voor zijn. Naast het schadebeginsel geeft Mill dan ook een drievoudige verdediging van de vrijheid van meningsuiting. Laten we eerst aannemen dat de verboden opvatting waar is. In dat geval negeert het verbieden van opvattingen de menselijke feilbaarheid en deze hoogmoed is in de geschiedenis maar al te vaak ten val gekomen. Het is een romantisch en naïef idee dat de waarheid altijd boven komt en alles overwint. Soms verliest de waarheid de strijd en wordt de vooruitgang tijdelijk een halt toegeroepen of moet men een hoge prijs betalen. Voordat Galileo Galileï en Luther respectievelijk het heliocentrische wereldbeeld en de Reformatie ‘ontdekten’, waren deze al minimaal twintig keer ontdekt, hun ontdekkers vervolgd en hun ideeën succesvol uitgebannen. Mill herinnert ons aan onze feilbaarheid met behulp van Socrates en Jezus. Socrates werd ter dood veroordeeld voor het corrumperen van de jeugd, terwijl Jezus werd veroordeeld en gekruisigd voor godslastering. We kunnen eenvoudigweg niet weten hoe belangrijk de figuren die we nu van hun opvattingen beroven zullen worden voor de wereld en de samenleving waarin ze leven. De 150 jaren die zijn verstreken sinds het verschijnen van On Liberty tonen aan dat de valkuil van onfeilbaarheid nog steeds bestaat. Zo kwam Tweede Kamerlid Henricus Ruyter in 1939 voor de rechter en werd veroordeeld tot een boete van 25 gulden omdat hij NSB-voorman Meinoud Rost van Tonningen een ‘landverrader’ noemde. Als een Karl Popper avant la lettre stelt Mill dat we enkel zekerder kunnen worden van onze opvattingen en vooruitgang kunnen boeken door bezwaren en problemen op te zoeken in plaats van tegenargumenten te ontwijken door ze te verbieden. Zelfs de meest intolerante kerk – de rooms-katholieke, aldus Mill – luistert bij het heilig verklaren van mensen naar een “advocaat van de duivel”. Hier is geen beter voorbeeld van te geven dan wanneer Mill schrijft dat we vertrouwen op Newtons wetenschappelijk inzichten omdat we de vrijheid hebben ze te betwijfelen en uit te dagen. Dat is immers precies wat Einstein succesvol heeft gedaan en waardoor de mensheid vooruitgang heeft geboekt op het gebied van wetenschap sinds het verschijnen van On Liberty. Op het gebied van religie lijkt het soms wel alsof men geen vooruitgang wil boeken. Ten slotte wijst Mill er op dat men soms tracht het verwijt van onfeilbaarheid te ontwijken door te wijzen op het feit dat een opvatting wellicht onjuist is, maar dat deze opvatting nuttig en belangrijk is voor de samenleving en dat de waarheid schadelijk is. Deze redenering kunnen we ontmaskeren als een verdediging van door de staat gesanctioneerde taboes. Mill merkt hierover op dat dit de veronderstelling van onfeilbaarheid niet ontwijkt, maar slechts verlegt: van de juistheid naar het nut van een opvatting. Ook dit argument heeft niets aan relevantie verloren. Talrijk zijn de stemmen die beweren dat Ayaan Hirsi Ali en Geert Wilders hun toon moeten matigen omdat ze polariseren en destructief zijn voor het maatschappelijk debat. Maar ook indien de aandacht van de inhoud naar de vorm van een mening wordt verschoven door te stellen dat iedereen alles mag zeggen, zolang zij dat maar op een beschaafde manier doen veronderstelt men onfeilbaarheid, namelijk van de onproductiviteit van een harde toon of polariserende uitspraak. Feit is dat Fitna de Nederlandse moslims de kans gaf om te laten zien dat ze zich niet van hun stuk lieten brengen door een filmpje en dat heeft de beeldvorming over moslims in Nederland waarschijnlijk meer goed gedaan dan alle projecten van voormalig minister Vogelaar bij elkaar. Maar stel nu eens dat de opvatting die men wil verbieden inderdaad onjuist is. Bij gebrek aan tegenstanders verliest men in dat geval de mogelijkheid om de waarheid volledig, frequent en hevig te bediscussiëren. Wederom verwijst Mill naar de kerk, die een lijst van verboden boeken opstelt voor haar gelovigen, maar haar geestelijken deze boeken wel laat lezen opdat zij hun eigen waarheid beter kunnen begrijpen en verdedigen. Een verbod maakt de waarheid een dood dogma, een bijgeloof, een vooroordeel in plaats van een levende waarheid die men kan internaliseren. Mill: ‘He who knows only his own side of the case, knows little of that.’ (9) Voor het bewust beleven van een waarheid is een tegenstander nodig die daadwerkelijk het tegendeel gelooft en zijn argumenten de meest plausibele en overtuigende vorm kan geven. De toespraak van de tegenstander is het levende bewijs dat de waarheid nog niet universeel wordt gedeeld, terwijl een verbod de valse suggestie kan wekken dat er niemand meer is die dwaalt. Een goed voorbeeld hiervan is het verbod op het ontkennen van de Holocaust in Oostenrijk en Duitsland en het erkennen van de Armeense genocide in Turkije. Deze voorbeelden laten allereerst zien dat de overheid niet per definitie gericht is op het verbieden van onwaarheden. Maar een verbod maakt het respectievelijk onnodig en onmogelijk om de rijke documentatie die over beide gebeurtenissen bestaat op te voeren. Een verbod elimineert de emotie en de realiteit van een opvatting en reduceert de waarheid tot een formule waarvoor geen onderzoek en zelfstandig denkwerk vereist is. Daarmee berooft een verbod de samenleving van de mogelijkheid om uit volle overtuiging te beseffen tot welke verschrikkingen en onwaarheden de mensheid in staat is geweest. Mill: ‘If all of mankind minus one were of one opinion, and only one person were of the contrary opinion, mankind would be no more justified in silencing that one person, than he, if he had the power, would be justified in silencing mankind.’ (10) Ten slotte komt Mill tot de oncomfortabele conclusie dat opvattingen bijna nooit volledig juist of onjuist zijn, maar vrijwel altijd een gedeelte van de waarheid bevatten, zelfs bij extreme opvattingen. Bovenstaande argumenten zijn dus in meer of mindere mate altijd geldig. Daarom zullen we alle opvattingen moeten koesteren, hoe weinig waarheid ook in de opvatting besloten ligt. Mill: ‘Not the violent conflict between parts of the truth, but the quiet suppression of half of it, is the formidable evil; there is always hope when people are forced to listen to both sides; it is when they attend only to one that errors harden into prejudices.’ (11) De publieke opinie Net als De Tocqueville en de Duitse filosoof Friedrich Nietzsche waarschuwt Mill voor de grote macht van de publieke opinie, die hij misschien nog wel meer vreest dan de overheid en waar Mill hoofdstuk 3 van On Liberty, ‘Of Individuality, as One of the Elements of Well-Being’, aan wijdt. Mill, De Tocqueville en Nietzsche vrezen de mens als kuddedier, die niet begrijpt waarom de gewoonten van de meerderheid niet goed genoeg zijn voor iedereen en die ware originaliteit en individualiteit met jaloezie of vijandigheid bejegenen. Conformiteit en middelmatigheid worden tot deugd verheven terwijl men zich laatdunkend uitspreekt over eigenheid en zelfexpressie. (12) Mill: ‘Our merely social intolerance kills no one, roots out no opinions, but induces men to disguise them, or to abstain from any active effort for their diffusion.’ (13) Het zou gevaarlijk zijn de machtsmiddelen van de overheid dienstig te maken aan de publieke opinie door haar tot wet te verheffen. Tegelijk is er geen wet die bescherming kan bieden tegen de publieke opinie. Enkel een beroep op tolerantie en de moed van individuen om zich uit te spreken over onpopulaire zaken is hiertegen opgewassen. Ook 150 jaar later zijn er nog onderwerpen waarover nauwelijks wordt gesproken, hoewel er geen wet is die het verbiedt. Voorbeelden zijn de doodstraf en pedofilie. Natuurlijk zijn deze in het verleden enkele malen in het nieuws geweest. Maar deze schertsvertoningen, waar politici en media met (gespeelde) ontzetting plichtsgetrouw soundbites, drogredenen en ad hominem argumenten oplepelen en vol populisme en simplisme appelleren aan de onderbuik van burgers, een debat noemen is een onwaardig gebruik van de term. De extreemrechtse politicus Hans Janmaat heeft op hardhandige wijze kennis gemaakt met de almacht van de publieke opinie. Hoewel hij enkele malen werd veroordeeld voor uitingsdelicten werd hij door de publieke opinie meer geslachtofferd dan waar enig rechtsstelsel toe in staat zou zijn geweest. Door toedoen van collega’s Tweede Kamerleden en journalisten werd hij een politieke paria. Niet door zijn veroordelingen, maar door de publieke opinie werd hij uitgesloten van het maatschappelijke debat. In plaats van in discussie te treden met tegenstanders zoals Mill opperde, werd Janmaat door een eensgezinde publieke opinie geïsoleerd. Weliswaar bestaat er geen discussieplicht, maar het negeren van een opinie is een laffe houding. Het strekt tot eer door denkbeelden te bestrijden met woorden in plaats van met stilzwijgen. Het is arrogant, omdat men veronderstelt dat de eigen denkbeelden onfeilbaar zijn en men het zich daarom kan veroorloven niet naar mensen met andere opvattingen te luisteren. Daarnaast kan een ‘cordon sanitaire’ zoals ook tegen het Vlaams Blok werd gebruikt een averechts effect hebben, zoals bij Pim Fortuyn, die zich hierdoor als outsider en underdog kon positioneren. De totalitaire macht van de publieke opinie is door De Tocqueville op magistrale wijze beschreven: ‘Formerly tyranny employed chains and executioners as its crude weapons; but nowadays civilization has civilized despotism itself. [...] In democratic republics, tyranny [...] leaves the body alone and goes straight to the spirit. No longer does the master say: “You will think as I do or you will die’; he says: ‘You are free not to think like me, your life, property, everything will be untouched but from today you are a pariah among us. You will retain your civic privileges but they will be useless to you. [...] When you approach your fellows, they will shun you like an impure creature; and those who believe your innocence will be the very people to abandon you, lest they be shunned. [...] Go in peace; I will grant you your life, but it’s a life worse than death.’ (14) Het gelijk van één van Janmaats opvattingen – de integratie van allochtonen verloopt minder succesvol dan de zwijgende meerderheid het doet voorkomen – werd pas later geaccepteerd als het gelijk van meer gevestigde en charismatische personen als Bolkestein, Scheffer, Hirsi Ali en Fortuyn. De mantra dat we de vrijheid van meningsuiting van onze tegenstander respecteren wordt met de mond beleden, maar de woorden hebben onze lippen nog niet verlaten of ze worden reeds door onze daden weersproken. De oncharismatische politicus met de onpopulaire opvattingen wordt geofferd zodra de publieke opinie eendrachtig besluit dat zijn opvattingen niet salonfähig zijn. Sinds John Stuart Mill De wereld is veranderd sinds Mill On Liberty schreef. Globalisering heeft er toe geleid dat alle landen op tientallen manieren en niveaus met elkaar verbonden zijn, terwijl communicatietechnologie de mogelijkheid tot verspreiding van kennis heeft versneld en vergroot. Feitelijk is de omvang van de publieke opinie toegenomen tot (in potentie) de gehele wereldbevolking. De optimistische Mill hoopte dat deze trends vooruitgang voor de hele wereld zouden bespoedigen. De Deense cartoonrellen in 2005 brachten echter minder plezierige consequenties aan het licht. Ik zal de Deense cartoonrellen hier met rust laten en me richten op de rechtszaak die minister-president Balkenende aanspande tegen het weekblad Opinio. Op 4 april 2008 publiceerde het blad een pastiche getiteld De geheime rede van Balkenende, die de Nederlandse premier tijdens een geheim beraad op een zondag aan 40 prominente CDA’ers zou hebben gegeven. Bij een pastische kruipt de auteur in de huid van de persoon die hij wil imiteren en bekritiseert hem door zich zijn stijl toe te eigenen. Het doel van de rede was het gebrek van een visie op de islam binnen het CDA aan de kaak te stellen. Enkele delen: “Ik zeg het jullie zonder omwegen: het grote probleem is de islam. [...] ik vind die hele Koran niet veel aan. En aan de andere kant word ik helemaal kriegel van al het gekanker op Bijbel en christendom. [...] Niet alle culturen zijn gelijkwaardig. Niet alle godsdiensten zijn gelijkwaardig. Het is niet één pot nat! [...] Er is een grondig verschil tussen Jezus en Mohammed. Allebei profeet. Maar Mohammed was ook legeraanvoerder en veroveraar. [...] Ik mag het niet hardop zeggen, maar soms denk ik stilletjes dat onze universiteiten niet uitsluitend bevolkt worden door toptalent. [...] Mag ik vragen: zijn 72 maagden niet wat veel van het goede? Is dat niet het beeld van een ongetemde seksuele begeerte?” (15) De rede eindigt met een oproep van Balkenende om trots te zijn op het christendom en om Wilders te vergeten, maar niet de islam. Balkenende was not amused en spande diezelfde dag nog een kortgeding aan. De reactie van hoofdredacteur en auteur van de pastiche Jaffe Vink loog er niet om: ammehoela (16). Voorzieningenrechter Orobio de Castro oordeelde dat de pastiche ‘overduidelijk een verzinsel is dat op karikaturale wijze (het gebrek aan) polemiek omtrent het christendom en de islam aan de orde stelt en uitlokt’ en dat een ‘kritische bejegening van de heer Balkenende’ iets is ‘dat hij zich als minister-president en leider van het CDA moet laten welgevallen’. (17) De minister-president liet het er niet bij zitten en stelde een bodemprocedure in. De argumenten die landsadvocaat mr. Boukema in zijn pleidooi en dagvaarding namens de minister-president gebruikt proberen Mill op twee manieren ‘onschadelijk’ te maken: door de vrije wil te ontkennen en door toe te geven aan de buitenlandse publieke opinie. Mr. Boukema stelde onder andere: ‘Het gedrag van redactie en uitgever van Opinio is te vergelijken met dat van iemand die een brandende sigarettenpeuk in een winkel vol met vuurwerk werpt. [...] Het mag waar zijn dat sommige journalisten twijfel hebben geuit over de authenticiteit van de rede, maar deze twijfel is niet kenbaar voor de gemiddelde lezer en al helemaal niet voor in het buitenland woonachtige personen die op indirecte wijze over de rede worden geïnformeerd. [...] Dit risico geldt al helemaal voor sommige buitenlandse overheden en groeperingen, die in deze tijden het optreden van de Nederlandse regering met argusogen volgen.’ (18) Mill gaat uit van ‘human beings in the maturity of their faculties’ (19) en de vrije wil is daar volgens Mill een inherent onderdeel van. De landsadvocaat verwerpt de vrije wil door de samenleving te vergelijken met een vuurwerkwinkel. Een vuurwerkwinkel kan niet kiezen of het wel of niet ontploft omdat het een stoffelijk object zonder vrije wil is. Hierdoor kan degene die een brandende sigaret in een vuurwerkwinkel werpt verantwoordelijk worden gehouden. Dat is natuurlijk precies de intentie van de landsadvocaat. Door de vrije wil van ‘sommige buitenlandse overheden en groeperingen’ te ontkennen, kunnen Opinio en Jaffe Vink verantwoordelijk worden gehouden voor iedereen die ‘ontploft’ nadat zij de geheime rede hebben gelezen. Dit argument legt een loodzware last op de schouders van de schrijver van een artikel. Hij moet rekening houden met ongeletterde individuen uit de Derde Wereld die op indirecte wijze kennis nemen van zijn artikel. Vervolgens moet de schrijver een inschatting maken van de manier waarop deze individuen zullen reageren en tot welke veiligheidsrisico’s dat leidt voor Nederlanders en hun belangen in het buitenland. Ten slotte moet de schrijver een afweging maken tussen het belang van zijn artikel en het algemeen belang. Maar een samenleving is geen vuurwerkwinkel, maar een verzameling van individuen, elk gezegend met een vrije wil om wel of niet te ‘ontploffen’ in de terminologie van mr. Boukema. Door een gewelddadige reactie als noodzakelijk en onvermijdbaar te doen voorkomen probeert de landsadvocaat Mills argumenten te ontwijken en de vrijheid van meningsuiting op oneigenlijke gronden te beperken. Mill bespreekt het ‘vuurwerkwinkel-argument’ niet in On Liberty omdat het rust op een fundamentele ontkenning van de vrije wil, welke juist in Mills werk terecht als een pijler van moraliteit wordt beschouwd. Natuurlijk kan men discussiëren over de precieze reikwijdte van de vrije wil, maar deze ontkennen in de mate waarin de landsadvocaat dat in zijn argument doet staat ver van de realiteit. Ten tweede probeert de landsadvocaat namens de minister-president opvattingen te verbieden vanwege boze reacties vanuit de globale publieke opinie. Want met (in het buitenland woonachtige personen’ en ‘sommige buitenlandse overheden en groeperingen’ bedoelt mr. Boukema natuurlijk (radicale) moslims en hun organisaties en overheden in het Midden-Oosten. Maar misschien zou ik dat niet moeten expliciteren in verband met mogelijke reacties? Dit is hetzelfde argument waarmee men de publicatie van cartoons over de profeet Mohammed en Geert Wilders’ Fitna probeerde te verbieden. Ik doe hier geen poging om de realiteit van demonstraties, boycotten en (diplomatieke) protesten te ontkennen, maar wil er enkel op wijzen dat degene van wie wij een gedragsverandering moeten durven eisen niet de spreker is, maar de dader. Niet Opinio, maar degenen die dreigen met geweld. Als de vuurwerkwinkel-argumentatie door de rechter was overgenomen had het een precedent kunnen scheppen dat de indruk geeft dat Nederland haar burgers enkel de vrijheid gunt die in overeenstemming is met ‘respect’ voor de buitenlandse opinie en de ‘in het buitenland woonachtige personen’ en ‘buitenlandse overheden en groeperingen’. Dit signaal is een liberale democratie die gelooft in haar eigen bestaanswaarde onwaardig. Hoewel de publieke opinie in 1859 nog niet zo globaal was als vandaag is zijn analyse van de Engelse samenleving ook nu geldig en kan men veilig veronderstellen dat Mill niet zou buigen voor internationale druk. De vraag blijft wel hoe liberale democratieën in de praktijk moeten omgaan met politieke druk en kritiek uit minder liberale landen. Mill maakt hier een onderscheid tussen contact met beschaafde landen en ‘those backward states of society in which the race itself may be considered as in its nonage.’ Voor de staten die nog niet vatbaar zijn voor de liberale argumenten van Mill, ‘Despotism is a legitimate mode of government in dealing with barbarians. [...] Liberty as a principle, has no application to any state of things anterior to the time when mankind have become capable of being improved by free and equal discussion.’ (20) Conclusie Mijn vader leerde me al heel jong dat er in het verkeer een verschil is tussen voorrang hebben en voorrang krijgen. Zo lijkt het ook John Stuart Mill te vergaan. Hij heeft 150 jaar na dato nog steeds gelijk, maar krijgt het steeds minder omdat de politici die onze vrijheid behoren te beschermen liever naar dreigementen lijken te luisteren dan naar argumenten. Mill is nog steeds relevant. Nog steeds wanen we onze opvattingen onfeilbaar. Nog steeds verdwijnen levendige debatten omdat opvattingen verboden worden. Nog steeds oefent de publieke opinie haar totalitaire tucht uit. Mills verdediging van de vrijheid van meningsuiting is ijzersterk, maar lijkt aan metaalmoeheid te lijden en zou wel eens kunnen bezwijken onder de druk van individuen die Mill te weinig hebben gelezen en begrepen.
Mark Reijman Mark Reijman LinksMailto:markreijman@hotmail.com |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|