Hoe Geert Wilders de begrippen van links heeft gekaapt

essay vrijdag 12 november 2010

Rob Wijnberg

In de aanloop naar de verkiezingen van 2010 verwierf de PVV van Geert Wilders steeds meer aanhang en begon de nervositeit bij de gevestigde politieke orde zienderogen toe te nemen. Het CDA haastte zich te zeggen dat het ‘nog geen verkiezingstijd’ was, maar voegde er wel aan toe een coalitie met de PVV niet op voorhand uit te sluiten. Dat stuitte prominent CDA’er en partijideoloog Anton Zijderveld dusdanig tegen de borst, dat hij onmiddellijk zijn lidmaatschap opzegde. Ook de VVD zat zichtbaar met haar verloren zoon in de maag: de liberalen hebben vlak voor de verkiezingscampagne zelfs een spion ingezet, die de besloten bijeenkomsten van Wilders in de gaten moest houden.

Ter linkerzijde was de angst ook groot. Partijen als de PvdA en GroenLinks moesten vaak met lede ogen aanzien hoe de PVV het debat op hún thema’s domineerde. Of het nu gaat om de vrijheid van meningsuiting, de integratiekwestie of de rechten van vrouwen en homo’s, steeds wist vooral Wilders de camera’s op zich gericht. Alleen D66 leek van deze aandacht te profiteren. Partijleider Alexander Pechtold profileerde zich een tijd lang met succes als de antithese van de PVV. Toch leek ook dat succes eerder te danken aan de opkomst van Wilders dan dat het echt ten koste van hem ging. Het heeft een eclatante verkiezingsoverwinning van de PVV in 2010 in ieder geval niet kunnen voorkomen.

De kracht van de PVV is natuurlijk grotendeels politiek van aard: Geert Wilders is een geslepen politicus. Toch heeft zijn succes ook een meer politiek-filosofische oorzaak. Wilders heeft namelijk het filosofische vocabulaire van zijn tegenstanders gekaapt. De begrippen waar hij zich – impliciet en expliciet – veelvuldig op beroept, zoals vrijheid, gelijkheid, autonomie van het individu en rechtsstaat, zijn termen uit de Verlichting die van oudsher hebben toebehoord aan de links-liberale traditie. Het politieke gogme van Wilders bestaat eruit dat hij die termen juist weet in te zetten ten gunste van een politiek programma dat haaks op die traditie staat. Daarom kunnen zijn tegenstanders vaak niet veel meer doen dan verbijsterd toekijken: ze worden bestreden met hun eigen begrippenapparaat.

Om deze omkering te begrijpen is het van belang te weten hoe die Verlichtingsbegrippen in eerste instantie waren bedoeld. Het klassieke liberalisme, zoals geformuleerd door de grondlegger ervan, John Stuart Mill (1806-1873), is altijd een positieve en progressieve ideologie geweest, gebaseerd op vertrouwen. Dat wil zeggen, de klassieke – in Nederland: linkse – liberaal gaat ervan uit dat het kwaad in de wereld niet zozeer voortkomt uit de mens zelf, maar uit de maatschappelijke instituties en omstandigheden die hem onderdrukken en corrumperen.

De Amerikaanse filosoof Stanley Fish (1938), auteur van onder andere het provocerende essay Liberalism Doesn’t Exist (1994), stelt dan ook terecht dat de meest fundamentele premisse waarop het liberalisme is gebaseerd, luidt dat de mens van nature goed is. Op grond van die aanname komt de liberaal vervolgens tot de conclusie dat een rechtvaardige samenleving kan worden bewerkstelligd door de mens zo veel mogelijk van de hem omringende machtsconstructies te bevrijden – door middel van onderwijs, gelijke rechten en ruimte voor zelfontplooiing.

Rechtse politici, in het bijzonder rechtse populisten zoals Wilders, verschillen in hun mens- en wereldbeeld juist op dit fundamentele punt van de klassieke liberaal. Zij beschouwen de mens meer vanuit de traditie van Thomas Hobbes en Friedrich Nietzsche: als een ‘verzameling verlangens’ die, door zijn niet-aflatende ‘wil tot macht’, voortdurend op zoek is naar de grenzen van het toelaatbare in zijn poging om ‘anderen te domineren’. Volgens Hobbes was de ‘natuurtoestand’ van de mens dan ook niet rechtvaardig, maar eerder het omgekeerde: een oorlog van allen tegen allen. Vanuit dit perspectief luidt de logische conclusie dat een rechtvaardige samenleving alleen kan worden bewerkstelligd door de mens juist zo veel mogelijk aan de hem omringende maatschappelijke instituties en omstandigheden te binden: die onderdrukken zijn goede aard niet, maar houden zijn kwaadaardige impulsen juist in toom.

De grote politieke truc van Geert Wilders is derhalve dat hij het progressieve vocabulaire van Mill heeft gekoppeld aan het conservatieve wereldbeeld van Hobbes. Dit stelt hem in staat de betekenis van de klassiek liberale begrippen uit de Verlichting om te draaien. Zo beroept hij zich niet op de vrijheid van meningsuiting om – zoals Mill beoogde – een onderdrukte minderheid een stem te geven, maar om de dominante meerderheid te beschermen tegen de veronderstelde dreiging van de islam. Met het begrip gelijkheid doet hij hetzelfde: Wilders strijdt niet, uit naam van gelijke rechten, voor de emancipatie van moslima’s en moslimhomo’s – zoals Mill had gewild. Nee, hij draait het om: hij wil andersdenkenden, uit naam van die gelijkheid, hun burgerrechten ontnemen. Het begrip autonomie van het individu ten slotte ondergaat een soortgelijke Hobbesiaanse omkering: Wilders belooft zijn kiezers geen zelfstandigheid door ze (middels onderwijs) te bevrijden, maar door ze (middels een immigratiestop) van de op macht beluste ‘moslimkolonisten’ te verlossen.

Door deze retorische trucs kunnen linkse liberalen niet veel meer doen dan machteloos toezien hoe Wilders keer op keer het debat naar zich toe trekt. Zij kunnen namelijk zijn doelstellingen onmogelijk onderschrijven – die staan haaks op hun gedachtegoed –, maar hebben tegelijkertijd (letterlijk) geen woorden tot hun beschikking om hem erop aan te vallen: die zijn immers van hen afgepakt. Deze machteloosheid is goeddeels de verdienste van Wilders, maar is volgens Fish ook deels te wijten aan de linkse liberalen zelf. Want, zegt Fish, liberalen hebben door hun wereldbeeld ‘een grote minachting voor retoriek’.

Hun vertrouwen in de natuurlijke goedheid van de mens is gebaseerd op het uitgangspunt van Verlichtingdenker Immanuel Kant (1724-1804) dat alle mensen beschikken over een ‘rationeel vermogen’, waardoor zij – door logisch na te denken – uiteindelijk allemaal als vanzelf overtuigd zullen raken van dezelfde morele waarheid. Of anders gezegd: liberalen gaan ervan uit dat dankzij de rede ‘de feiten slechts voor zich hoeven te spreken,’ en denken dus dat mensen – als zij die feiten eenmaal inzien – ‘automatisch voorstander worden van het liberale gedachtegoed’, aldus Fish.

Volgens hem is dit de ‘grote misvatting’, waarmee liberalen zichzelf bijna moedwillig ‘buitenspel zetten’ in de politieke arena. In de politiek bestaan namelijk helemaal geen feiten die ‘voor zich’ spreken en die mensen op rationele wijze tot het aannemen van bepaalde morele principes zouden kunnen bewegen: politiek is een retorisch machtsspel. Feiten zijn per definitie ‘ingebed in de context van een politieke agenda’, zegt Fish.

Het grote probleem van de linkse liberalen is volgens Fish kortom dat zij zich door hun naďeve filosofische aannames over de redelijkheid van de mens ‘verheven voelen boven het machtsspel dat politiek heet’. Daardoor staan zij vaker dan hun lief is bij voorbaat op een achterstand: ze durven het debat niet met retorische trucs te voeren – of weigeren het principieel. Zij zien politiek immers meer als een filosofische exercitie dan als een woordenstrijd. Dat leidt in de praktijk tot de absurde situatie dat linkse politici de vrijheid van meningsuiting van Geert Wilders principieel blijven verdedigen als een ‘onvervreemdbaar grondrecht’, terwijl ze zijn gedachtegoed ten diepste verachten. Rechtse populisten zouden dat volgens Fish nooit doen: zij zouden, in hun strijd om de macht, iedere tegenstander onmiddellijk de mond proberen te snoeren.

De enige manier waarop links uit de houdgreep van rechts kan geraken is volgens Fish dan ook door het vocabulaire ‘op retorische wijze te heroveren’. Dat is echter gemakkelijker gezegd dan gedaan, erkent ook hij: politici die teren op wantrouwen in de mens en die waarschuwen voor potentiële gevaren, hebben nu eenmaal gauw een voorsprong op politici die uitgaan van het goede en het progressieve. Er hoeft maar eens in de zoveel tijd een gek een aanslag te plegen, zoals op Koninginnedag 2009, en het gelijk van de populist lijkt weer bevestigd. Bovendien is goed nieuws geen nieuws, waardoor gestage vooruitgang in de samenleving veel moeilijker te bewijzen is.

Waar de linkse liberaal dus vooral op moet hopen, zegt Fish, is dat de rechtse populist zijn hand overspeelt – en het politieke tij zich tegen hem keert. Zo heeft Barack Obama ook de verkiezingen in de Verenigde Staten gewonnen. Maar let wel: Obama schuwde daarbij de bombastische retoriek niet. Zo wist hij het vocabulaire van ‘morele rechtschapenheid’ en ‘ware democratie’ van de Republikeinen af te pakken. Laat dat, ook in Nederland, een wijze les voor links zijn.


De auteur studeerde filosofie, is hoofdredacteur van nrc.next, schreef tal van essays, en publiceerde onder meer ‘In Dubio. Vrijheid van meningsuiting als het recht om te twijfelen’, ‘Nietsche & Kant lezen de krant’, ‘Dus ik ben. Een zoektocht naar identiteit’ (samen met Stine Jensen). Dit essay staat in zijn nieuw boek ‘En mijn tafelheer is Plato. Een filosofische kijk op de actualiteit’ (uitgeverij De Bezige Bij, 2010).


Rob Wijnberg

Rob Wijnberg

Links
http://www.debezigebij.nl/web/Boek-5.htm?dbid=29509&typeofpage=139647
Share |

Nieuwsbrief

Schrijf je in op onze wekelijkse nieuwsbrief door hieronder je e-mailadres in te vullen.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be