Mensenrechten bedreigd bij strijd tegen sociale fraude

essay vrijdag 23 juni 2006

Sammy Bouzoumita

De strijd tegen sociale fraude moet gestreden worden. Daarvoor moeten ook de nodige middelen worden vrijgemaakt. Zoals in de strijd tegen het terrorisme moet ook het wetgevend arse-naal controleurs toestaan om hun taak naar behoren te kunnen uitvoeren. De vergelijking met de strijd tegen het terrorisme is niet willekeurig. Om terrorisme beter te kunnen bestrijden, worden de bevoegdheden van de politiediensten gevoelig uitgebreid. Net zoals bij de strijd tegen het terrorisme moet er echter voor gewaarschuwd worden dat deze wetten onze individuele vrijheden niet te veel onder druk zetten en dat de rechtstaat gevrijwaard blijft. Noch de strijd tegen het terrorisme, noch die tegen de sociale fraude mag tot gevolg hebben dat er minder vrijheid is en dat bepaalde fundamentele rechten moeten wijken.

Voor vermeende terroristen gelden nu al afzonderlijke opsporingsmethoden, afzonderlijke procedures waarbij de rechten van verdediging mogen beperkt worden – bepaalde delen van het dossier zijn niet toegankelijk voor de verdediging –, bijzondere (onderzoeks)rechters en zelfs afzonderlijke gevangenisregimes. Terecht wijzen rechters in Nederland en zelfs de Ve-renigde Staten er op dat die wetten de rechtstaat danig onder druk zetten.

Ook in de strijd tegen de sociale fraude zijn de rechten van de sociale inspecteurs op vandaag al zeer uitgebreid. Nu al kunnen sociale inspecteurs alle bedrijfslokalen zonder enige rechterlijke machtiging of rechterlijke controle betreden en daar eisen dat de nodige documenten worden voorgelegd. Terwijl daarvoor, als het om ‘gewone’ misdrijven gaat, een huiszoekingsbevel nodig is van een onderzoeksrechter, is dat niet nodig voor sociale inspecteurs die bedrijfspanden betreden. Wel wordt aangenomen dat sociale inspecteurs geen echte ‘huiszoeking’ kunnen verrichten. Zij mogen dus geen kasten opentrekken, computers kraken, kortom zelf op onderzoek gaan. Zij kunnen alleen de voorlegging vragen van bepaalde documenten. Willen ze zelf op onderzoek gaan, dan hebben ze nog altijd een huiszoekingsbevel nodig van een onderzoeksrechter die kan nagaan of die inbreuk op fundamentele mensenrechten in verhouding staat met het doel ervan.

Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens oordeelde in het verleden al dat ook bedrijfsgebouwen een bepaalde onschendbaarheid genieten die te vergelijken is met die van een private woning en dat ook bedrijfsgebouwen dus niet zo maar kunnen betreden worden. Het Europees Hof erkende weliswaar het recht van de lidstaten om in de mogelijkheid te voorzien dat inspectiediensten die gebouwen kunnen betreden om vermeende fraude op te sporen. Maar, in een zaak die betrekking had op de Franse wetgeving, oordeelde het Europees Hof dat het feit dat de inspecteurs zelf konden beslissen over het tijdstip van zo'n inval, de duur ervan en zelfs over de documenten die ze in beslag konden nemen, dat alles zonder enige rechterlijke controle, in strijd is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De vraag kan dus al gesteld worden of zelfs de huidige Belgische wetgeving, waarbij (enkel) het ‘betreden’ van bedrijfslokalen wordt toegelaten, wel in overeenstemming is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.

De regering wil dezer dagen op een ietwat slinkse wijze sociale inspecteurs de mogelijkheid geven om toch zonder enige rechterlijke machtiging echte huiszoekingen te verrichten. Slinks omdat de regering een bepaling uit het voorontwerp van het Wetboek van sociaal straf-recht wil invoeren via een “wet houdende diverse bepalingen”, een soort programmawet zoals de regering er ieder jaar wel één net voor de vakantie snel door het parlement jaagt en die meestal enkele honderden artikels bevatten. Onnodig te melden dat de parlementaire con-trole op dergelijke wetten beperkt is. Op zich kan het dus al bekritiseerd worden dat een dergelijke belangrijke bepaling, waarbij dus nóg verder wordt gegaan dan de huidige bekritiseerbare situatie en de sociale inspecteurs nóg ruimere bevoegdheden krijgen, op een dergelijke manier, zonder enig grondig debat, zou ingevoerd worden.

De regels die de regering snel-snel onder de paar honderd artikelen van de ‘wet houdende diverse dringende bepalingen’ in de Belgische wetgeving wil binnensmokkelen, voorzien dat de sociale inspecteurs niet alleen kunnen eisen dat alle documenten worden voorgelegd, maar ook dat zij bij een weigering die documenten zelf kunnen opsporen. En daarbij gaat het niet alleen over documenten, maar ook over ‘andere dragers’, waaronder onder meer computers moet worden verstaan. De sociale inspecteurs kunnen eisen dat de paswoorden gegeven worden om volledige toegang te hebben tot de gegevens die op een computer staan van een bedrijf waar ze zijn binnengevallen. Wanneer de werkgever zich op zijn ‘zwijgrecht’ (het recht niet te moeten meewerken aan een inbeschuldigingstelling van zich-zelf) beroept, stelt hij zich niet alleen bloot aan vervolging – nog een inbreuk op het fundamenteel recht te zwijgen, gekend van de ‘Miranda-clause’ die in alle politieseries opgezegd wordt bij de aanhouding van een verdachte – maar kan de sociale inspecteur bovendien met de nodige technische hulpmiddelen dan zelf de nodige opzoekingen doen en het paswoord dus ‘kraken’! Kortom, de sociale inspecteurs krijgen de bevoegdheid werkelijke huiszoekingen uit te voeren.

Vijf professoren die deel uitmaakten van de werkgroep die meehielp aan de totstandkoming van het ontwerp van wetboek sociaal strafrecht oordeelden, terecht, dat net dié bepaling niet door de beugel kon. In een ‘afwijkend standpunt’ deelden ze mee dat een dergelijke bepaling in strijd is met het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens én het VN-verdrag over burgerrechten en politieke rechten. Die stellen dat mensen het recht hebben zichzelf niet te beschuldigen. Het spreekt voor zich dat dit zwijgrecht zich niet alleen uitstrekt tot mondelinge verklaringen, maar ook op documenten slaat waarvan kan gevreesd worden dat de verdachte zichzelf daardoor zal beschuldigen.

De administratie reageerde daarop laconiek op dat België ‘ongetwijfeld’ voor de voorgenomen nieuwe wettelijke regeling zou veroordeeld worden door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, maar dat zij ondertussen toch efficiënt en proactief zou kunnen optreden. Dat gaat manifest te ver: het kan natuurlijk niet aanvaard worden, zoals de vijf professoren terecht betogen, dat een staat moedwillig wetgeving invoert die in strijd is met internationale mensenrechtenbepalingen. Ondertussen werd een technische aanpassing aan de tekst doorge-voerd. Enkel de documenten die een werkgever verplicht is om bij te houden, zouden nog zonder toestemming kunnen opgespoord worden ongeacht de informatiedrager (boeken, computer, digitale banden,…). De werkgever zou enkel daarvoor indien noodzakelijk de nodige paswoorden moeten geven. Bij gebreke van medewerking zou zijn computer kunnen ‘gekraakt’ worden.

Die aanpassing is onvoldoende. Hoe kan een sociaal inspecteur vooraf weten welke documenten en bestanden op een PC staan? Hij kan dat natuurlijk alleen weten nadat de ‘huiszoeking’ heeft plaatsgevonden. In de praktijk zal het resultaat ondanks de gewijzigde versie van de tekst dus hetzelfde zijn: de sociaal inspecteur zal nog altijd een werkelijke huiszoeking kunnen uitvoeren zonder enig huiszoekingsbevel afgeleverd door een onderzoeksrechter. Ad-vocaten, rechters, professoren, journalisten,…; eigenlijk iedereen moet blijven waarschuwen voor dergelijke wetten die rechten en vrijheden vastgelegd in internationale bepalingen aantasten. Zo niet dreigt een politiestaat. Daar mag niemand stil over blijven.


De auteur is advocaat bij Van Eeckhoutte, Taquet & Clesse


Sammy Bouzoumita

Sammy Bouzoumita

Share |

Nieuwsbrief

Schrijf je in op onze wekelijkse nieuwsbrief door hieronder je e-mailadres in te vullen.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be