In deze zogenaamd ‘postideologische’ tijden, stemmen in ons land Franstaligen nog altijd eerder links en Nederlandstaligen veeleer rechts. Zo gaat het al decennialang en ook op 13 juni 2010 behaalde de incarnatie van het rechtse noorden – Bart De Wever – een monsterscore die alleen benaderd werd door die van de vleesgeworden linkse francofonie: Elio Di Rupo. Anderzijds zijn ‘links’ en ‘rechts’ vage begrippen. De oorsprong ervan gaat terug op debatten in de Franse Nationale Assemblee over de Koninklijke macht in 1789. De voorstanders van het koninklijk veto zetelden toen op de ereplaatsen rechts van de voorzitter en de tegenstanders links. Het is dan ook paradoxaal dat bij ons het inperken van de Koninklijke macht vooral een eis is van rechtse Vlamingen, terwijl in het ‘linkse’ zuiden majesteitsschennis gelijkstaat aan blasfemie. Nog een veel grotere ideologische paradox wil dat de drie Franstalige formatiepartijen zich progressief profileren, terwijl Bart De Wever koketteert met het conservatisme. Edmund Burke – the godfather of modern conservatism – is zijn lievelingsfilosoof en hij looft het kostbare sociale weefsel. Welnu, Barts uitdrukkelijk “behoudsgezinde” partij is de grootste vrager voor een “verregaande staatshervorming”, terwijl de Franstaligen des demandeurs de rien blijven. Dit is politiek in het land van René Magritte: de conservatieven eisen koppig verandering en de progressieven zweren halsstarrig bij het status-quo. Conservatisme is echter geen ideologie van behouden om te behouden… Het gelooft dat het heden een product is van een lange geschiedenis van natuurlijk selectie. Net als in het darwinisme, evolueert voor conservatieven alles eeuwig voort, maar dan traag en met veel respect voor al wat zijn degelijkheid heeft bewezen. De structuren blijven grotendeels in tact, enkel de kiezels moeten uit de schoen. Omdat er veel manieren zijn om de boel in het honderd te laten lopen en slechts weinig om goed te besturen, zijn conservatieven als de dood voor revoluties. Maar conservatieve flaminganten menen uiteraard dat ons land het product is van een potsierlijke revolutie die aan de basis lag van het verdriet van België: een schoen bomvol kiezels. Het Franstalig conservatisme in ons land is daarentegen veelal Belgicistisch en marginaal qua omvang. Maar ook de sociaaldemocratie verschilt in ons land grondig aan beide zijden van de taalgrens. Toen ons land getekend werd door partijcorruptie en affaires (Agusta, louche partijfinanciering, moord op Cools, zaak Dutroux…), heeft dat in Vlaanderen veel meer geleid tot antipolitiek dan in Wallonië. In het bijzonder de toenmalige SP zag haar electoraat dramatisch verschrompelen. Zo publiceerde Patrick Janssens in 2007 een pijnlijk rapport met een analyse van de partij haar verkiezingsresultaten. Daaruit bleek dat zeker vanaf eind de jaren 1980 zijn partij in vrije val was, alleen Stevaert (die doodgezwegen werd in het rapport) had in al die tijd een korte kentering kunnen teweegbrengen. En die periode van tanend SP.a-succes was ook de periode dat protestpartij Vlaams Blok gigantisch boomde. In diezelfde periode kabbelde de PS – die middenin haast alle affaires stond – vrij rustig verder. Enkel in ‘95 (na veroordelingen in de Agustazaak) en ’99 (dioxinekwestie) slabakte het een beetje. Opvallend is dat de kiezer, de burgemeesters van de twee allerarmste steden van België (Mons en Charleroi) is blijven omarmen. Het was inderdaad toen Di Rupo zijn burgemeesterschap cumuleerde met het partijvoorzitterschap en Van Cauwenbergh zijn burgemeesterschap cumuleerde met die van Waals Minister-president, dat de partij een nieuwe adem vond. Extra opvallend is dat die partijgenoten toen uit dezelfde kieskring kwamen… ook de armste van de elf kieskringen van ons land. Een mens zou verwachten dat in tijden van schandalen dergelijke burgemeesters de eersten zijn die afgestraft worden, maar het tegendeel bleek waar (Van Cauwenbergh viel pas jaren later door de mand). Sociaal zwakken stemmen in Franstalig België doorgaans voor de PS… Misschien kan men zich voorzichtig de vraag stellen welk electoraal belang de PS erbij heeft als de bevolking massaal wordt geactiveerd. De PS lijkt zichzelf soms Robin Hood-allures aan te meten. Met zijn olijke Merry Men beroofde Robin Hood immers de economisch superieure en ethisch inferieure bullebakken van Nottingham, ten behoeve van de sympathieke underdogs van Sherwood Forest. Zo ging ook Di Rupo met zijn PS vanuit de Ardeense bossen het geld gaan halen in het steenrijke, maar ‘racistische’ Vlaanderen (VB piekte hier toen volop). In Wallonië hield de PS terug onder luid electoraal applaus een uitkeringseconomie in stand op kosten van verzuurde Vlamingen. Want ook al waren er initiatieven om de Waalse economie uit het slop te halen (o.m. het befaamde Marshall-plan), toch werd en wordt alles in het werk gezet opdat de financiële transfers vlot kunnen blijven stromen van noord naar zuid (of dat er minstens kan op teruggevallen worden). De SP.a hangt echter een post-mei-68-socialisme aan. ‘Post-’ omdat het niet revolutionair is en ‘mei 68’ verwijst naar een groeicrisis die strak (sciëntistisch) verlichtingsdenken verving door pragmatisme (een pragmatisme dat wel maatschappelijke vruchten afwerpt, maar niet altijd electorale vruchten). Maar het verwijst ook naar de ideoloog achter die studentenopstand: Herbert Marcuse. Hij legde de vinger op een contradictie in elk socialistisch politicus: als socialist wil hij de machtelozen beschermen tegen de machthebbers, maar als politicus wil hij zelf macht hebben. Bijgevolg kende een hele generatie Vlaamse socialisten een schroom ten aanzien van glamour. Misschien was Karel Van Miert de eerste Vlaamse socialist die moeite had om zijn rijkdom verborgen te houden. Maar hoewel het tot op heden in de SP.a not done is om rijkdom te etaleren, ligt dat bij de PS helemaal anders. In ons land ondergingen de Franstaligen mei 68; de uitkomst ervan was essentieel dat zij buiten gebonjourd werden uit de Leuvense universiteit. Daardoor zijn de Franstalige socialisten altijd een beetje blijven plakken aan hun saint-simonisme. Dat is een ‘progressief’ gedachtegoed… uit de 19de eeuw. De voorspellingen van de socialistische graaf Claude Henri de Rouvroy de Saint-Simon (1760-1825) kwamen nochtans zelden uit. En ofschoon hij geen formele rol meer zag weggelegd voor de adel, was zijn denken ‘aristocratisch’ in de etymologische, platoonse betekenis van ‘heerschappij der besten’. Zo meende hij dat wetten gefabriceerd moeten worden in een Kamer der Vernieuwing en een Kamer van Onderzoek. De eerste Kamer moest voor meer dan 2/3 uit ingénieurs civils bestaan, veertig leden van de Académie française en nog wat topjuristen en topindustriëlen. De tweede werd verkozen uit de crème van ’s lands chemici, fysici, biologen… Bovendien strekte het tot voordeel als Kamerleden veel grond bezaten, dat zou blijk geven van stabiliteit. Als bedenker van het begrip ‘klassenstrijd’, meende Saint-Simon dat de samenleving bestond uit drie klassen. De eerste bestond uit progressieve intellectuelen, de tweede was rijk en conservatief en de derde was het proletariaat. In een (niet gedateerd) boekje, getiteld Quelques idées soumises par M. de Saint-Simon à l'assemblée générale de la Société d'instruction primaire, legde Saint-Simon uit hoe de eerste klasse de derde moest opvoeden, helpen én beschermen tegen de tweede klasse (in Vlaanderen wordt zoiets al gauw cliëntelisme genoemd). Toch meende Saint-Simon dat la classe la plus nombreuse et la plus pauvre het gewoon niet in zich had om haar lot in eigen handen te nemen. Zij kon enkel hopen dat die eerste klasse haar ellende zo draaglijk mogelijk hield. En electoraal gezien, kon de eerste klasse alleen maar hopen dat de derde klasse zo groot mogelijk bleef. De actuele N-VA-fetisj ‘responsabilisering’ (die in se een liberaal begrip is), is hoe dan ook onbestaand in een saint-simonistisch denkkader. ‘Opvoeding’ van conservatieven en proletariërs door progressieven is des te meer aanwezig. Al in het prilste België had het saint-simonisme voet aan francofone grond, met een eigen tijdschrift – L’organisation belge – en connecties tot bij Leopold I. Dat de steevast duur geklede dandy’s Di Rupo (docteur en chimie) en Van Cauwenbergh (docteur en droit) aan de strenge voorwaarden voldoen om te zetelen in een saint-simonistisch parlement kan toeval zijn (zelfs Michel Daerden pakt graag uit met zijn diploma’s). Toch staat het in schril contrast met de beelden van de burgemeester van het rijke Leuven (Louis Tobback) die eigenhandig Hertoginnendal binnenkarde met zijn Peugeotje 205. Herinner ook hoe succesvol die fameuze burgemeester van Hasselt en socialistisch partijvoorzitter Steve Stevaert was, met een profiel van ongeschoolde cafébaas… Het contrasteert natuurlijk ook met het frietkotklant-imago van Bart De Wever. Vandaag kent Vlaanderen minder antipolitiek dan in de hoogdagen van het racistische Vlaams Blok en het lijkt er toch op dat Wallonië haar Robin Hood-fascinaties intussen heeft getemperd. Maar in deze zogenaamd postideologische tijden, zijn complexe ideologische tegenstellingen nog steeds de donkere wolken die verhinderen dat een nieuwe regering het daglicht kan zien. A priori is er geen reden om aan te nemen dat halfslachtige conservatieven het niet kunnen vinden met dito progressieven. Precies die halfslachtigheid zou de ruimte en de grondslag kunnen vormen van een coherente staatsvisie. Toch weet elke Belg intussen dat dit bij ons niet het geval is. Het heeft er alle schijn van dat in 2010 zowel Nederlandstaligen als Franstaligen elk hebben gestemd naar gelang hun visie op die spreekwoordelijke geldtransfers van noord naar zuid. Toch zijn er aanwijzingen dat de tegenstelling tussen PS en N-VA eerder ideologisch dan communautair is. Luk Sanders Luk Sanders Linksmailto:luk.sanders@etf.edu |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|