Sinds de beurscrash staat de ongelijke verdeling van gelden en daaraan gekoppelde toegang tot schaarse middelen weer bovenaan de agenda. Onder andere Engeland vaardigde wetten uit om de uitbetaling van bonussen aan banden te leggen. Hieruit blijkt dat er stilaan een besef groeit dat deze wantoestanden niet meer door de beugel kunnen. Op Europees niveau bracht Guy Verhofstadt een boek uit rond deze problematiek en zocht naar oplossingen op grote schaal. Het betreft hier immers geen landelijk gegeven maar een globaal gegeven, waarop een globaal antwoord noodzakelijk is. Toch zijn er mensen die tegen dergelijke interferenties gekant zijn, eerder dan dat zij het nut daarvan inzien. Niet alleen zien zij de meeste vormen van disharmonieuze verdeling als een uitvloeisel van de inzet van de ene en de luiheid van de andere, zij laten daarbij ook iedere context, die een mogelijke andere of meer toetsbare verklaring biedt, achterwege. Want wanneer het individu verantwoordelijk is voor zijn eigen ellende, hoeft het systeem, niet in vraag gesteld te worden. In dit essay wil ik eerst en vooral de verschillende vormen van sociale stratificatie verduidelijken, dit zijn vormen van sociale ongelijkheid. Vervolgens zal ik de functionalistische visie op de sociale stratificatie in onze vorm van samenleven bespreken. Daarna zal ik, aantonen waarom deze theorie onhoudbaar is. Ik zal gebruik maken van kritiek geuit door Wrong en Parkin. Tenslotte zal ik, vanuit een wetenschappelijk interdisciplinair perspectief, enige aanzetten tot alternatieve benaderingen aanbieden. Enkel dit perspectief biedt immers voldoende verklaringswaarde om een dergelijk complex probleem te ontrafelen. Vormen van sociale stratificatie Onze vorm van samenleving wordt gekenmerkt door verschillende vormen van differentiatie. Algemeen wordt aangenomen dat deze differentiatie tot stand is gekomen door de complexiteit van onze samenleving. Menig socioloog hanteert volgende begrippen om naar deze vormen te verwijzen. Sociale differentiatie kan men begrijpen als de ontwikkeling van verschillen tussen de leden van een groep. Zo ontstaat er rollendifferentiatie, verschillende leden van de groep nemen verschillende rollen/ posities in. Bij diverse posities binnen een sociale eenheid worden andere gedragingen verwacht, rolverwachtingen dus. Daarbij kan een zekere graad van arbeidsverdeling ontstaan, dit heet dan functionele differentiatie. Tenslotte kan er een ongelijke verdeling van al wat schaars is (macht, materiële goederen, onderwijs) optreden met sociale stratificatie tot gevolg, dit is sociale gelaagdheid. Sociale stratificatie is die vorm van sociale differentiatie die ongelijkheid impliceert. Dit is een relatief recent fenomeen (J. Mertens, 2006). Zo komt sociale gelaagdheid niet voor in andere samenlevingsvormen zoals horden en jager-verzamelaarculturen. Sociale stratificatie ontstaat enkel daar waar economische productie aanleiding geeft tot het ontstaan van een productieoverschot. Functionalistische theorievorming Om het fenomeen van sociale stratificatie te verklaren, ontwikkelden K. Davis en W. Moore in 1945 hun functionalistische theorie. Eender welke functionalistische theorie gaat ervan uit dat een bepaald verschijnsel in een maatschappij erop wijst dat dit fenomeen een vitale functie uitoefent voor de maatschappelijke organisatie (of een deelaspect hiervan). Ze achten sociale stratificatie dus nuttig en vitaal omdat het voorkomt. De functie van structurele sociale ongelijkheid is volgens hen nodig om alles vlot en continu te laten verlopen. Er wordt zodus een adequate rollencoalitie verzekerd. Indien, zo stellen Davis en Moore, alle leden van een maatschappij over dezelfde capaciteiten zouden beschikken en alle functies dezelfde vaardigheden zouden vereisen, zou er geen probleem zijn. Iedereen zou eender welke functie kunnen vervullen. Maar leden en functies verschillen wel. Er is dus nood aan een systeem dat er voor zorgt, of althans de kans maximaliseert, dat de meest geschikte persoon op de meest geschikte plaats terecht komt. Congruentie tussen belangrijkheidgraad van functies en bekwaamheid van personen is het doel. Met andere woorden, op belangrijke functies (vb. chirurg) kunnen maar best bekwame personen gezet worden. Het systeem dat daarvoor zorgt is sociale stratificatie. Sociale stratificatie impliceert immers een beloningssysteem, in die zin dat het voor bekwame personen de moeite loont, te streven naar en zich in te spannen voor, het vervullen van veeleisende functies, die meteen hiërarchisch het hoogst staan. Met andere woorden, door hogere vergoedingen toe te kennen naargelang de belangrijkheid van de functie, zal men de getalenteerde leden motiveren of aanmoedigen om zich in te spannen. Sociale stratificatie is derhalve functioneel voor de maatschappij, omdat zij fungeert als een motivatiemechanisme dat meer status en gezag of macht en hogere materiële vergoedingen verschaft, naargelang de belangrijkheid van de functie of het beroep. Onder andere Dennis Wrong (1999) gaf hierop zware kritiek. Hij stelde zich vragen bij de wetenschappelijke relevantie van bovenstaande theorie. Laat duidelijk zijn dat deze theorie nog steeds gemeengoed is om voorkomende onrechtvaardigheden goed te praten. Ik zal gebruik maken van Wrong’s visie om de functionalistische theorie in een juist perspectief te plaatsen. In de mate van het mogelijk voeg ik daarbij een voorbeeld. Universele (on)gelijkheid Uit sociologisch en antropologisch onderzoek blijkt dat de uitgangsveronderstelling, als zou sociale ongelijkheid universeel zijn, onwaar is. Op dit eigenste ogenblik zijn er nog steeds samenlevingen met een volstrekt egalitair karakter. Rolverdeling komt enkel voor op basis van leeftijd en geslacht. Alle leden van de groep zijn evenwaardig en worden als dusdanig behandeld. Deze vorm van samenleven is kenmerkend voor horden en jager-verzamelaarculturen, zoals de Pygmeeën, de Papoea’s en de Kung-San. (Bracke et al. 2008, Wenke 1990; Harris 1980, Marschall 1976). Het punt van kritiek betreft hier louter en alleen het feit dat Davis en Moore poneren dat ongelijkheid een typisch menselijk verschijnsel is, dat is niet waar. Bovendien kan sociale stratificatie enkel de functie van motivatiemechanisme vervullen in samenlevingen waar sociale ongelijkheid gebaseerd is op verworven statusposities en niet op toegeschreven statusposities. Een verworven statuspositie, is die positie die men verwerft door middel van studie, training, oefening, etc. Een toegeschreven statuspositie, is die positie die men heeft bij geboorte (geslacht, geboortemilieu). Het is manifest onwaar te stellen dat toegeschreven statusposities in onze samenleving geen rol meer speelt. Hiervoor hoeft men maar te kijken naar het politieke gebeuren; vader Toback, zoon Toback, vader Dehaene, zoon Dehaene, vader De Croo, zoon De Croo. De naam en daaraan gekoppelde toegeschreven statuspositie, helpt bij het innemen van bepaalde hoge posities. De historische oorsprong van bepaalde statushiërarchieën wordt, door de functionalistische theorie, genegeerd. Politieke mandaten worden regelmatig toebedeeld aan kennissen, vrienden en familieleden eerder dan aan bekwame mensen met ervaring op de respectieve gebieden. Ik geef hier het voorbeeld onderwijs, omdat dit mij nauw aan het hart ligt en een van de grootste oorzaken is van sociale immobiliteit. Onze minister van onderwijs heeft totaal geen ervaring in het onderwijs, net zoals de vorige trouwens. Dit is echter onontbeerlijk om iets zinnigs te kunnen vertellen over, pakweg, de lespraktijk. Als je niet weet wat het probleem is, kan je het niet oplossen. Als iemand jou vertelt wat een probleem is, kan je daar rekenschap van geven maar je blijft met een fragmentarisch beeld. Echte praktijkervaring, ervaren hoe het is om een bepaald beroep uit te oefenen, geeft je een betere kijk op de gegeven situatie. Je kan ministers stage laten lopen maar dat is een beetje omslachtig. Hoe desastreus het kan zijn, niet te vatten wat de echte pijnpunten zijn, zien we in het onderwijsbeleid duidelijker dan waar ook. Een van de resultaten is ‘Het jaar van de kleuter’ met overbevolkte klasjes en overwerkte kleuterjuffen tot gevolg (Klasse voor leerkrachten, december 2007, Het Nieuwsblad, 7 januari 2008, Handelingen Plenaire Vergaderingen 16 april 2008). Dat alles gedurende een ontwikkelingsfase, waarin een overdaad aan stress, zware negatieve gevolgen heeft voor de ontwikkeling. (o.a. Esther Albers 2009, Dettling et al. 1999, enz.) Of erger nog, het voorstel computergamen in de klas introduceren, daar waar bergen onderzoek, naar dergelijk tijdverdrijf (net zoals tv kijken) reeds duidelijk aantoonde dat dit nefaste gevolgen heeft voor de concentratie. (tv kijken: Rainer Patzlaff, De Bevroren Blik. 2005, A. Sigma, Remotely controlled. 2005, Dimitri A. Christakis, 2007, S. Tisseron, P. Delion, B. Golse, oktober 2007, S. Tisseron,2008, gamen: Bruce Bartholow, 2005, Philip A. Chan en Terry Rabinowitz, 2006) Sociale stratificatie leidt dus niet noodzakelijk tot de bekwaamste op de hoogste positie. De kip of het ei Laten we aannemen dat sociale ongelijkheid universeel is in complexe samenlevingen. Dan betekent dit nog niet dat het een noodzakelijke voorwaarde is. Ze kan evengoed een (onvermijdelijk) gevolg zijn van een complexe arbeidsdeling. Zo kan men in de praktijk vaststellen dat geslachtsdifferentiatie op de arbeidsmarkt en de daaruit voortvloeiende ongelijkheid tussen mannen en vrouwen, eerder te maken heeft met de achterliggende structuren dan met de onbekwaamheid van vrouwen bepaalde functies uit te oefenen. Vrouwen ronden, meer en beter, hogere studies af. In Nederland bedraagt dit verschil reeds 20%. Ze stromen alleen niet door naar de hoogste functies (zie Centraal Bureau voor Statistiek, Nederland, 2009). Daarbovenop manifesteert er zich bij jongens veel vaker een leerachterstand en gedragsproblemen dan bij meisjes (Ghysels et al. 2007). Kijk naar het aandeel vrouwen in de gevangenis, indien we alle mannen zouden verplichten een burka te dragen en thuis houden, dan zou er nauwelijks nood zijn aan cellen. Wat een besparing! Maar we leven nu eenmaal in een paternalistische samenleving met patrilineaire verbanden en de overgang van een nomadisch matriarchaal socialisme naar een sedentair patriarchaal protectionisme is reeds lang geleden gemaakt (J. Mertens, 2006). Het is dus maar de vraag of deze geslachtsdifferentiatie een noodzakelijke voorwaarde is. IJsland hervormde in 2008 het hele systeem van ouderschapsverlof. Zowel mannen als vrouwen zijn verplicht om voor hun kind te zorgen gedurende het eerste levensjaar. U begrijpt dat het voor een werkgever totaal nutteloos wordt vrouwen nog langer te discrimineren, omdat ze kinderen kunnen krijgen. Een beetje respect is dan ook het minste, wat men als werkgever of lid van de samenleving, moet tonen voor nieuw leven. Plots blijken er geen onbekwame vrouwen meer te zijn. Integendeel ze worden een gegeerd potentieel op de arbeidsmarkt, om te beginnen om hun mannelijke collega’s te vervangen. Ook diegene op hoge functies. Zo gaat de bal aan het rollen. Rollendifferentiatie is een verhaal waarin wij Belgen hopeloos achterop huppelen. Waar Zweden al decennia lang een vrouwelijk premier heeft, voerden wij, nog niet zo lang geleden, de discussies over de vraag of Elisabeth wel koningin mag worden, want tenslotte is ze maar ‘een vrouwtje’. Ook binnen het gezin horen kinderen nog al te vaak dat papa geprezen wordt wanneer hij een keer de afwas doet, terwijl mama dat iedere dag drie keer doet en nauwelijks een greintje erkenning krijgt. Geslachtsdifferentiatie op de arbeidsmarkt is dus geen noodzaak noch een onvermijdelijk gevolg. De vraag is of dit kan doorgetrokken naar het gehele systeem van sociale stratificatie. Indien men alle elementen in acht neemt, kan dit, naar mijn mening, wel. In den beginne was er al veel We keren terug naar de functionalisten. Stel dat het meritocratisch principe in beginsel werkzaam was, dan kunnen groepen in bevoordeelde posities hun machtsposities gebruiken om andere de toegang tot de gewaardeerde middelen te bemoeilijken. Zo heb je het voorbeeld van de numerus clausus bij studenten geneeskunde. Dit systeem zorgt ervoor dat er in eerste bachelor 85% slaagt maar zorgt er ook voor dat er niet teveel artsen kunnen zijn, ook als je dat zou willen. Coalitievorming om een sociale positie te bekomen of te behouden komt niet alleen bij de mens maar ook bij andere primaten, zoals de chimpansee, veelvuldig voor. Ook hier schiet de functionalistische verklaring tekort. Een ander belangrijk probleem dat hiermee verbonden is, is dat van de intergenerationele mobiliteit. Bij grote mobiliteit stroomt menig kind van een arbeid(st)er door naar een hogere beroepsklasse, bij lage mobiliteit niet. Veelal oppert men dat Gelijke Kansen Onderwijs voldoende is. Verder hangt het van individuele keuzes af of iemand doorstroomt of niet. Het regulerende element dat een staat hier dient te voorzien is, dat de toegang tot onderwijs voor iedereen open is. Wordt aan deze voorwaarde voldaan, dan is de sociale stratificatie gerechtvaardigd. Men gaat hier echter voorbij aan de complexiteit van de verschillende oorzakelijke factoren, die meespelen bij het welslagen in dat onderwijs. Enkel Finland slaagt erin de kloof tussen kansarmen en kinderen uit de gegoede klassen weg te werken (cijfers 2006). In andere landen en zeker ook België, is je afkomst nog steeds een doorslaggevende factor voor het welslagen in het onderwijs en dus ook van wat daarop volgt. Ik verwijs hier kort naar onderzoek van Ghysels et al. 2007. In de groep kinderen van alleenstaande, werkloze, laag en gemiddeld geschoolde moeders had 43% minstens een jaar schoolachterstand, tegenover 5% bij kinderen van hooggeschoolde, werkende koppel. Dat is 38% procentpunten verschil! Kinderen uit kansarme gezinnen hebben meer kans op schoolachterstand, psychische problemen, probleemgedrag, waarbij het geslacht een significante factor is. Ook de arbeidssituatie van de vader speelt een doorslaggevende rol. Zo komt probleemgedrag meer voor bij kansarme kinderen waarvan de vader werkt, dan deze waarvan de vader werkloos is. Dit lijkt contra-intuïtief, voor menig econoom, maar is evident voor de ontwikkelingspsycholoog. De aanwezigheid van de vader is een stabiliserende factor. Vaders uit kansarme gezinnen zijn veelal laaggeschoolde arbeiders. Onregelmatige uren maar vooral weekend- en nachtwerk zijn nefast. Dergelijke arbeidstijden komen vooral voor in deze beroepscategorie. De flexibiliteit is zeer beperkt (slechts 32% kan hiervan gebruik maken), de combinatie werk en gezin is haast onmogelijk. (Ghysels et al. 2007, de rol van vader in ontwikkeling van het kind: R.Parke, 2004, M. Lamb, 2004). Met andere woorden: als kind in een kansarm gezin heb je meestal een afwezige vader, doorgaans door letterlijk onmenselijke werkomstandigheden. Dit beïnvloedt je welbevinden in negatieve zin, waardoor de kans dat je probleemgedrag vertoont stijgt. Dit brengt een schoolse achterstand met zich mee en/of visa versa. De kans dat je dus in de categorie laag of ongeschoolde arbeiders zal belanden is reëel. Bovenstaande functionalistische assumptie berust dus op een utopie. Beloning of roeping? Sociale stratificatie als motivatiemechanisme geldt niet voor iedereen. Mensen kunnen maatschappelijk relevante posities nastreven omwille van andere motieven, dan materieel gewin en macht. Vraag is of bepaalde essentiële functies adequaat zouden worden ingevuld, moesten materiële voordelen niet ongelijk worden toegekend. Het motivatiemechanisme is dan ook niet geldig voor alle mensen in een complexe samenleving. Zo kunnen soms erg geëngageerde mensen naast een welbepaalde functie grijpen. Niet omdat ze niet bekwaam zijn of over de nodige capaciteiten beschikken maar omdat andere mechanismen in werking zijn (rolverwachtingen, rolpatronen, positieve of negatieve discriminatie). Verder kan iemand ook heel bekwaam zijn om een bepaalde hoge functie uit te oefenen maar heeft die persoon een ander doel voor ogen. Ook in die situatie faalt het ‘motiveringsmechanisme’ van Davis en Moore. Men moet wel bedenken dat het twijfelachtig zou zijn of een complexe samenleving adequaat zou functioneren, indien enkel beroep kon worden gedaan op mensen met altruïstische motieven of een ‘roeping’. Davis en Moore veronderstellen impliciet dat functies met een hoog prestige en een hoge materiële vergoeding maatschappelijk relevant zijn. Het is echter onduidelijk hoe kan bepaald worden wat een functioneel belangrijke positie is, zonder te vervallen in dergelijk tautologische redenering? Parkin (1979) stelde daarom een alternatieve operationalisatie van het maatschappelijke belang van een positie voor. Het functionele belang van vele posities is geen kwestie van de complexiteit van hun taken en de omvang van de vereiste vaardigheden maar van hun disruptie-potentie. Dit is de mate waarin het stopzetten van hun activiteiten bijdraagt tot maatschappelijke disorganisatie. Deze alternatieve omschrijving toont aan dat vele maatschappelijk relevante posities – zoals verzorgende beroepen of jobs in ruimdiensten – niet navenant gewaardeerd of verloond worden. Stel dat alle leerkrachten zouden wegvallen. De economie ligt onmiddellijk plat, mensen zouden thuis moeten blijven voor hun kinderen, want die kunnen nergens naartoe en op lange termijn zijn de gevolgen al helemaal desastreus wanneer een hele generatie zonder opleiding de vorige moet vervangen. Maar stel dat alle managers van reclamebureaus zouden wegvallen dan zou dit de organisatie van de maatschappij nauwelijks beïnvloeden, hooguit zouden we de producten beginnen kopen die we willen kopen in plaats van deze die we op tv te zien krijgen. Het loon van een leerkracht is middelmatig tot laag, dat van een kleuterleider gewoon laag, dat van een manager ligt steevast een pak hoger. Verder klopt de veronderstelling dat bekwame en gemotiveerde personen schaars zijn vaak niet, waardoor de distributie van prestige en geld niet samenvalt met de distributie van bekwaamheid en schaarste. Ik verwijs hier naar het ‘Winner take all’ principe van Robert H. Frank. Een topschrijver als Stephen King wordt alom geprezen en heeft de wereld als afzetmarkt. Daar waar vroeger lokale schrijvers met eenzelfde schrijverskwaliteiten hun waar kwijt raakten op lokale markten, wordt deze nu grotendeels ingenomen door een dergelijke topschrijver, die uiteraard in de talen van lokale schrijvers, overal ter wereld wordt vertaald. Mond aan mond reclame bestrijkt een planeet, dankzij moderne communicatiemiddelen. De gehele afzetmarkt wordt dus ingenomen door een topschrijver. De globale verkoop van boeken stijgt niet noodzakelijk maar de verkoop van King’s boeken wel. De winst gaat bijgevolg naar deze topschrijver, maar de lokale schrijver, die ook goed schrijft of soms beter, krijgt nauwelijks genoeg om van te leven. Er zijn wel degelijk vele bekwame schrijvers, de distributie van prestige en geld komt echter slechts enkelingen toe. Tenslotte is duidelijk dat de theorie het bestaande stelsel van ongelijkheid verrechtvaardigt, zolang ze niet duidelijk stelt hoeveel ongelijkheid nodig is om de adequate werking van een complexe samenleving te garanderen. Hoeveel malen moet de wedde van een algemene directeur van een grote onderneming hoger zijn dan deze van een arbeider van hetzelfde bedrijf: vijf maal, tien maal of vierhonderd maal? (zie: toplonen: B-Post, Dexia, Fortis, etc.) Conclusie De functionalistische visie op sociale stratificatie blijkt onhoudbaar. Deze theorie toont ons echter vele valkuilen van het huidige denken. Dat een gegeven situatie zich stelt, is daarom nog geen vergoelijking en toont evenmin de noodzaak van haar bestaan. Dat onderzoekers zich hieraan schuldig maken kan deels verklaard worden door de beperking die men hanteert bij het beschouwen van een probleem. Een interdisciplinaire aanpak is dan ook noodzakelijk. Zoals ik al zei, is het onmogelijk het probleem van intergenerationele immobiliteit, ten voeten uit, te bespreken op enkele bladzijden of vanuit slechts één wetenschappelijke discipline. Zowel de psychologie, de politieke wetenschappen maar ook de genetica kan meer inzicht brengen in de werking van ongelijkheid en haar oorzaken. Aan allen de oproep bevindingen samen te leggen.
Sara De Mulder Sara De Mulder Linksmailto:Sara.DeMulder@UGent.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|