Onze samenleving bevindt zich in een crisis die betrekking heeft op de kern van het samenleven zelf. Namelijk de waarden en de kennis die we geacht worden met elkaar te delen om dit samenleven mogelijk te maken en in het beste geval richting te geven. Onze ‘Westerse’ waarden zijn in belangrijke mate bepaald door de Verlichting. Een periode gekenmerkt door een sterk geloof in een maakbare samenleving waarin vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid hand in hand gaan en waarbij sociale, morele, economische en politieke ontvoogding als hefboom dienden voor persoonlijk geluk en ontwikkeling. Een ambitieus project gevoed door de afkeer van godsdienstige terreur en aangevuurd door de ontdekking van de wetenschappelijke methode. Een methode die hypothesen toetst door middel van experimenten en die tot (meer) betrouwbare kennis leidt. Deze samenlevingscrisis komt vooral in stedelijke gebieden aan de oppervlakte. Daar waar de concentratie van andere culturen en dus van vreemde waarden en opvattingen groot is. Niet zelden worden deze waarden binnen een godsdienstig kader gethematiseerd. Voornamelijk, maar niet uitsluitend, vanuit ‘Islamitische’ zingevingkaders worden de Verlichtingsidealen kritisch bevraagd en uitgedaagd. Men betwist de reikwijdte van de menselijke autonomie en bij uitbreiding de mogelijkheid om de samenleving naar eigen inzicht vorm te geven. In de plaats bepleit men de onderwerping aan een goddelijk gezag als basis voor moraliteit en als fundament voor de maatschappelijke ordening. Het is dan ook in deze stedelijke context dat de oproep om de eigen ‘Westerse’ waarden te verdedigen, te actualiseren, te herontdekken,… het luidst klinkt. Al te makkelijk overigens wordt deze oproep als extreemrechts bestempeld, terwijl ze lang niet altijd gefundeerd wordt door een etnische bloed-en-bodem-retoriek. Ook de recente economische en ecologische problemen hebben het debat doen opschuiven naar het morele fundament van ons handelen. Met het oog op winstmaximalisatie wordt in de consumptiemaatschappij de menselijke behoeftigheid steeds opnieuw geprikkeld en laat men uitschijnen dat het menselijke geluk gelegen is in de bevrediging van die behoeften. Maar de natuurlijke bronnen waarvan deze consumptie afhankelijk is, zijn eindig en een duurzaam gebruik ervan noopt misschien eerder tot matiging of zelfs onthouding. Draagt een redelijke overweging van de eigen behoeftigheid niet meer bij tot het geluk? En hoe kunnen we een consumptiepatroon dat manifest ten koste gaat van medemens en natuur, blijven rechtvaardigen? Bovendien staan waarden nooit op zichzelf maar zijn ze verankerd in ons mens- en wereldbeeld. Ook dat mens- en wereldbeeld staat onder druk. Solide wetenschappelijke theorieën worden betwist, niet omdat ze in strijd zouden zijn met andere wetenschappelijke bevindingen, maar omdat ze niet sporen met religieuze opvattingen of economische doelstellingen. Ook het onderwijs, dat geacht wordt om de waarden- en kennisoverdracht mee te verzorgen, komt door deze vastgestelde malaise in het vizier. Was het onderwijs niet al te lang en te exclusief gericht was op kennisreproductie en heeft men zich voldoende bekommerd om de waarden die het hele pedagogische project schragen? De samenlevingsproblemen, de godsdienstige heropleving, het consumentisme, de mogelijke ecologische catastrofe en het statuut van wetenschappelijke kennis maken pijnlijk duidelijk dat we in een roes van Verlichtingstriomfalisme, een aantal belangrijke terreinen braak hebben laten liggen. Commerciële en godsdienstige invullingen van het goede leven wonnen aan geloofwaardigheid. Morele dociliteit en obscurantisme kregen daardoor meer speelruimte dan hen toekomt. Vrijzinnig humanistische alternatieven voor de vastgestelde maatschappelijke en existentiële uitdagingen bleven onderbelicht of erger nog, werden niet geformuleerd. In een tijd die ontzuild heet te zijn en waar ‘levensbeschouwing’ doet denken aan iets uit ‘de tijd van toen’, stelt de vraag naar de toekomst van het vrijzinnig humanisme zich scherper dan ooit tevoren. Het is de hoogste tijd om het vrije denken, de morele autonomie, de scheiding van kerk en staat te herontdekken en vorm te geven. We moeten het commerciële en godsdienstige mensbeeld, waarin de behoeftigheid en de onderwerping centraal staan, blijvend in vraag stellen en pleiten voor een humanistisch meesterschap waarin duurzaamheid, zelfbeschikking en medemenselijkheid hand in hand gaan. De idealen die ons dierbaar zijn en die wezenlijk zijn voor onze ‘westerse’ samenlevingsvorm, zullen immers niet vanzelf worden verkozen of omarmd.
Jurgen Slembrouck Jurgen Slembrouck Linksmailto:jurgen.slembrouck@ua.ac.be |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|