Over de vrijheid van meningsuiting

essay vrijdag 12 januari 2007

Patrick Stouthuysen

1. Laat de vrije ideeënmarkt spelen.

Geschiedenis wordt nooit geschiedenis, dat hebben we het afgelopen jaar wel vaker moeten vaststellen. Zo werden in de aanloop naar de Nederlandse parlementsverkiezingen een aantal kandidaten van Turkse komaf van de kieslijsten geweerd, omdat ze weigerden de moord op de Armeniërs in 1915 als genocide te veroordelen. Dezelfde kwestie verdeelde ook het Franse parlement waar, op voorstel van de linkse oppositie, een wet werd aangenomen die de Armeense volkerenmoord als genocide erkent. Als de politiek zich met de geschiedenis bemoeit, dan is dat meestal om een symbolische daad te stellen. In dit geval: sommige kwesties – de holocaust, de Armeense volkerenmoord – vinden we zo belangrijk dat we ze boven alle twijfel willen verheffen. Uit respect voor de slachtoffers en de nabestaanden, ter lering van toekomstige generaties.

Die symbolische daden hebben echter gevolgen. Ontkenners van de holocaust worden vervolgd. David Irving werd het afgelopen jaar in Oostenrijk tot drie jaar cel veroordeeld. Dat viel, ironisch genoeg, samen met de controverse over de Mohammed-cartoons, toen we de vrijheid van meningsuiting verdedigden tegen intolerante islamieten. Siegfried Verbeke, onze meest bekende negationist, werd een paar weken terug onder elektronisch toezicht geplaatst. Hoe het dragen van een enkelband hem van het verspreiden van zijn overtuigingen zal weerhouden is overigens niet helemaal duidelijk. Dit soort wetten heeft ook gevolgen voor ernstig geschiedkundig onderzoek. Zo werd de gereputeerde historicus Bernard Lewis, auteur van een groot aantal standaardwerken over de geschiedenis van het Midden Oosten, door een Franse rechtbank veroordeeld omdat hij in een interview in Le Monde verklaarde de Armeense kwestie niet te zien als het resultaat van een geplande genocide, maar als ‘een brutaal neveneffect van de oorlog’. Dat is een uitermate gevaarlijk precedent.

Wat we over het verleden vertellen zegt vaak meer over ons dan over dat verleden. Voortdurend herschikken we de gebeurtenissen. We zetten in de verf waar we trots op willen zijn, we vergeten waaraan we liever niet worden herinnerd. Dat is een algemeen menselijke trek. Daarom hebben we professionele historici nodig. Van hen verwachten we dat ze onze neiging om het verleden bij te kleuren corrigeren. Dat corrigerende vermogen van de geschiedschrijving werkt echter alleen wanneer historici de volle vrijheid krijgen om het gangbare beeld van de geschiedenis te nuanceren, bij te sturen of zelfs helemaal te herschrijven. Samenlevingen die dat niet toelaten verdienen terecht onze afkeuring. Het verschil tussen een open en gesloten samenleving ligt precies in het aanvaarden dat de toekomst en het verleden open liggen. Elke generatie heeft de vrijheid een nieuwe wereld te maken en anders tegen het verleden aan te kijken.

Dat kan alleen als er instituties zijn die dat mogelijk maken. Een open samenleving veronderstelt democratische instellingen en rechten en vrijheden. Die instituties kunnen alleen functioneren als we ze permanent onderhouden. En daar schort het vandaag aan: we springen steeds slordiger om met de vrijheid van meningsuiting. Vaak met de beste bedoelingen, wat het overigens alleen maar erger maakt. Zo bleek onlangs uit een onderzoek van de Taalunie dat zestig procent van de Vlamingen sommige boeken wil verbieden. En uiteraard behoren we allemaal tot die andere veertig procent, behalve wanneer het concreet wordt. Wat bijvoorbeeld met boeken waarin gore seks of extreem geweld voorkomt? Ja, dat is natuurlijk wat anders. Of waarin de aanhangers of de profeten van een grote godsdienst worden beledigd? Dat kan natuurlijk niet. Of die de slavernij en het nazisme verheerlijken? Daar trekken we uiteraard de grens.

Vanzelfsprekend zouden we allemaal de vrijheid van meningsuiting vooral willen voorbehouden voor mooie en verheffende dingen. Maar zo werkt het natuurlijk niet. Neem nu het Belgische koloniale verleden. Een tijdje terug was er al een parlementslid dat de standbeelden van Leopold II van straten en pleinen wou weghalen, omwille van wat in Congo was aangericht. Je hebt niet veel verbeelding nodig om je een actiegroep voor te stellen die ijvert voor de erkenning als genocide van de misdaden gepleegd in de koloniale periode. En het vergt nog minder verbeelding om je een politieke meerderheid voor de geest te halen die, uit schuldgevoel en om minderheden niet tegen de borst te stoten, dat voorstel volgt. Wat zal het resultaat zijn? Een gepolitiseerde geschiedschrijving. Bepaalde interpretaties van het verleden worden officieel boven elke twijfel verheven. Wie dat beeld wil bijstellen is dan strafbaar. Wie bijvoorbeeld positieve dingen over de koloniale periode schrijft, bezondigt zich aan negationisme. Schoolboeken zullen worden herschreven, tv-programma’s over de koloniale tijd gescreend op mogelijke wetsovertredingen. Wie het dan nog over het ‘beschavend werk van de missies’ heeft, riskeert de enkelband.

We moeten heel voorzichtig omspringen met het inperken van de vrije meningsuiting. Niet omdat gore seks en negationisme zo nodig vrij spel moeten krijgen. Wel omdat, wanneer de overheid zich bemoeit met wat we kunnen zeggen en schrijven, onherroepelijk het debat en de ideeënstrijd aan banden worden gelegd. En dan komen straffen en boetes in de plaats komen van argumenten. Laat de vrije ideeënmarkt spelen. Je kunt er op vertrouwen dat historici taboes zullen willen doorbreken en gevestigde interpretaties onderuit proberen te halen: zo maken ze naam en faam. En dat zal anderen aansporen om die nieuwe interpretaties op hun beurt op hun waarde te toetsen. We kunnen er op vertrouwen dat het zelfcorrigerende vermogen van de intellectuele markt zijn werk doet.

Het is, in algemene zin, verkieslijk dat de overheid zich van inmenging in het wetenschappelijke bedrijf onthoudt. Vandaag probeert de overheid de wetenschap te sturen via het meten van de output. Meetbare indices – publicaties – bepalen hoeveel geld de universiteiten krijgen. Het laat zich raden dat er dan vooral op veilig wordt gespeeld. Wetenschappers investeren vooral in onderzoek waar niemand zich een buil aan kan vallen, dat probleemloos zijn weg vindt naar de gevestigde vaktijdschriften. Dat is fnuikend voor de creativiteit en de gezonde dissidentie. Laat honderd bloemen bloeien, ook en vooral in de wetenschap.

2. Is racisme een mening of een misdrijf?

Dit jaar overleed de Italiaanse journaliste Oriana Fallaci. Fallaci was zo’n beetje de verpersoonlijking van de journalistieke stijl van de jaren zeventig. Het interview werd toen nog tot de gevechtssporten gerekend. Als je toen je beroep ernstig nam ging je niet gezellig met politici een beetje keuvelen over ditjes en datjes. Een geslaagd interview was een duel waarbij geen van de partijen kwartier gaf. Dat waren nog eens tijden. Jammer genoeg zal Fallaci wellicht vooral herinnerd worden omwille van haar laatste boeken, waarin ze ten strijde trekt tegen wat ze de dreigende islamisering van Europa noemt. Fallaci was duidelijk de pedalen kwijt. Asielzoekers waren zonder onderscheid aanhangers van Bin Laden, drughandelaars, bandieten of ‘met aids besmette prostituees’. Moslims urineerden op de trappen van de kerken, Arabieren ‘maakten teveel kinderen’ en ‘kweekten als ratten’. En Arabische mannen ‘hadden iets waardoor vrouwen van goede smaak zich van hen afkeren’. Er gingen stemmen op om Fallaci’s geschriften te verbieden. Toen ze stierf liepen tegen haar trouwens nog een reeks aanklachten wegens overtreding van de wetgeving op het racisme. En eigenlijk, laten we eerlijk zijn, was wat Fallaci schreef ook racistisch.

En toch was het om verschillende redenen geen goed idee om haar voor de rechter te slepen. Vrije meningsuiting is absoluut of bestaat niet. Ook racisten hebben het recht hun mening te verkondigen, hoe aanstootgevend of kwetsend ook. Ik merk dat ik niet zoveel medestanders vind wanneer ik dat standpunt verdedig. Ook wie de vrijheid van meningsuiting dierbaar is, trekt hier blijkbaar de grens. Racisme, heet het, is geen mening, maar een misdaad. Het argument dat we onwelkome boodschappen moeten tolereren omdat de maatschappij daar op termijn mogelijk beter van wordt, gaat in dit geval niet op, zegt men. We hebben het hier immers niet over nieuwlichters die voorop lopen op hun tijd. Racisme drijft de spanningen in de samenleving nodeloos op de spits en zet bevolkingsgroepen tegen elkaar op. Als blanke man van middelbare leeftijd heb ik bovendien gemakkelijk praten: mijn soort mensen vormt zelden het onderwerp van discriminatie of uitsluiting. En toch volhard ik in boosheid.

Verbieden bevestigt, vrees ik, racisten alleen maar in hun gelijk. Door voor de juridische weg te kiezen gaan we het substantiële debat – waarom is racisme verkeerd – uit de weg. Dat geeft voeding aan de idee dat er in feite ook geen goede argumenten zijn. Het argument ‘het mag niet omdat de wet het verbiedt’, is in meningsdelicten weinig overtuigend. Het geeft bovendien stof aan de gedachte dat er misschien andere redenen zijn waarom je bepaalde dingen niet meer mag zeggen. Dat politiek en gerecht bijvoorbeeld in handen zijn van volksvreemde elementen, van salonlinksen, die zelf in dure wijken wonen en niets van de echte problemen willen weten. Ik denk dat er meer te winnen valt door uit te leggen waarom in racistische termen spreken over medeburgers niet goed is en, vooral, door te verduidelijken welke fouten racisten maken. Maar daarvoor moet je natuurlijk wel met ze in debat gaan.

Een vrij debat zal antiracisten beter inzicht geven in wat anderen denken. Waarom vindt een auteur als Fallaci zoveel bijval, wat herkennen lezers in haar boek, welke vrees verwoordt ze, waarom delen die lezers haar verontwaardiging? Wie mensen wil overtuigen zal eerst moeten begrijpen wat ze bezighoudt. Sommigen pleiten voor een verbod op racistische meningen uit respect voor de beledigde groepen en om de vrede in de multiculturele samenleving te bewaren. De verhoudingen tussen bevolkingsgroepen worden echter niet beter als sommige dingen voortaan alleen nog op fluistertoon mogen worden gezegd. Zo zal je racisten niet van de ongefundeerdheid van hun meningen overtuigen. En slachtoffers van racisme worden evenmin gerustgesteld. Ze zullen nooit zeker weten of hun medeburgers zich van racistische meningen onthouden omdat er straffen op staan of omdat ze hun overtuigingen hebben bijgesteld.

Eigenlijk lijkt zo’n verbod zich vooral te richten op de twijfelaars en wankelmoedigen, die we tegen de sirenenzang van de racisten in bescherming willen nemen. Dat getuigt echter van opmerkelijk weinig geloof in de kracht van de eigen argumenten en in de redelijkheid van de medeburgers. Een merkwaardige houding voor wie de democratie en de multiculturele samenleving wil verdedigen. De vraag is nog maar of de wet een geschikt instrument vormt om de mentaliteit te veranderen. Je kunt moeilijk beweren dat er, sinds de totstandkoming van de racismewet, veel is veranderd. Jongere generaties zijn er sindsdien niet minder racistisch op geworden, in internationaal vergelijkend onderzoek scoort Vlaanderen niet beter. Daar kan zo’n wet effectief niets aan veranderen.

En toch is er, als je het over een langere termijn bekijkt, heel wat veranderd. Het volstaat naar oude documentaires te kijken, of romans of kranten te lezen uit, bijvoorbeeld, de jaren vijftig. We zijn veel gevoeliger geworden voor kwetsend taalgebruik, voor stereotypering. Als mijn studenten het woord ‘neger’ lezen, fronsen ze hun wenkbrauwen. Ze hebben het nooit over ‘joden’ maar over ‘joodse mensen’. Ze zijn zich veel meer bewust van hoe ze over anderen praten. Dat komt niet door de wet, maar door de ideeënstrijd, gevoerd door vorige generaties. Net daarom zijn, vreemd genoeg, antiracisten gebaat bij het toelaten van racistische meningen. Als er geen antiracismewet bestaat is er een grote taak en verantwoordelijkheid weggelegd voor antiracistische organisaties. Dan wordt het terug belangrijk om te mobiliseren, campagne te voeren en goede argumenten te bedenken. Dat leidt wellicht tot een scherper debat. Maar dat is beter voor de democratie dan meningen te verbieden en zo vrij spel te geven aan ressentimenten en complotdenkers.

Gilles Keppel, auteur van een reeks boeken over het fundamentalisme, besprak in Le Monde Fallaci’s geschriften. Fallaci kwam, meende hij, de verdienste toe dat ze de islamkenners had wakker geschud. Die verwachtten niet dat dit soort stereotypen en gemeenplaatsen nog zo’n gretige afzet zou vinden. Ze beseften nu dat ze zich voortaan ook in het maatschappelijke debat moesten mengen en tegengeluiden laten horen. Dat lijkt me effectief de enige gepaste reactie.

3. Het is niet wat je zegt, maar hoe je het zegt.

Eerder dit jaar konden de lezers van de Washington Times vernemen dat de vrije meningsuiting in België niet meer bestaat. Een auteur werd gemuilkorfd, gebroodroofd en vervolgd omdat hij een onwelkome boodschap over de islam had verspreid. Dat is nogal wat. De Washington Times had het over de conservatieve publicist Paul Beliën. Die zette, in de dagen na moord op Joe Van Holsbeeck, een stuk op het web waarin hij de, op dat moment nog niet gekende, moordenaars vergeleek met roofdieren. In één beweging ging hij er van uit dat de moordenaars wel moslim zouden zijn en ze dus ‘van kleinsaf hadden geleerd hoe ze tijdens het offerfeest warmbloedige kuddedieren moesten kelen’.

Voor alle duidelijkheid, zo’n uitspraak moet, hoe stuitend ook, kunnen. Maar het is even duidelijk dat ze om veel verschillende redenen niet slim was en ook niet gepast. Het stuk van Beliën werd op vraag van het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding van de site gehaald. Het Centrum had deze keer ook het gelijk aan zijn kant. Wat verder in zijn tekst doet Beliën immers een oproep om het recht in eigen handen te nemen. Dat kan niet. Dat is de enige gerechtvaardigde grens aan de vrije meningsuiting: wie aanzet tot geweld zet zich buiten de wet. Dat vertelden ze er in de Washington Times overigens niet bij.

We moeten, vind ik, alles kunnen zeggen, maar we denken beter ook aan de gevolgen. Het kan nooit kwaad om aandacht te besteden aan hoe je de dingen verwoordt. Mensen nodeloos tegen je in het harnas jagen werkt alleen maar contraproductief. Mensen kwetsen om te kwetsen, of om zo nodig één of ander taboe te doorbreken, is een beetje puberaal. Het recht op te zeggen wat we willen, ontslaat ons niet van de plicht om na te denken. Ik blijf mij bijvoorbeeld verbazen over al die mensen die allemaal menen te weten wat typisch is voor de islam of voor de Arabische cultuur. Het is opmerkelijk hoe ze meestal tot die inzichten komen zonder zich in de thematiek te hebben verdiept. Zoals wel vaker lukt het beter om stellige meningen te formuleren naarmate je minder van een onderwerp weet.

Die totale afwezigheid van feitenkennis, in combinatie met het ontbreken van zelfkritiek, is fnuikend voor elk zinvol debat. Uiteraard is het best interessant om met elkaar van gedachten te wisselen over de relatie tussen religie en maatschappelijke problemen, tussen cultuur en sociale achterstand. Dat zijn fantastische onderwerpen waar je een heel leven mee voort kunt. Maar dan moeten we dat wel eerlijk en consequent doen: op basis van lezen en studeren. De negentiende eeuwse vrijdenkers geloofden heilig in vrije meningsuiting, maar ook in intellectuele zelfwerkzaamheid, in de plicht om voortdurend je horizon te verruimen. Dat zijn we vandaag een beetje vergeten. Toegegeven, het praat vaak een stuk makkelijker als je niets afweet van de complexiteit van de materie.

In de publieke ruimte is ook een zekere schroom nodig. De vrijheid is maar gegarandeerd als we ons veilig voelen. Er is maar sprake van vrijheid van meningsuiting als we geen schrik moeten hebben voor de consequenties van wat we zeggen. Maar dan moeten we ook bepaalde spelregels in acht nemen. Beledigingen en bedreigingen leggen andermans vrijheid aan banden. Die moeten we dus achterwege laten. Een zinvol maatschappelijk veronderstelt regels. Het vervelende is dat er geen scheidsrechter is die af en toe een gele kaart kan trekken of het spel, als het nodig is, stilleggen. De overheid komt best alleen in ultieme gevallen tussen. Het beroep op de wet – laster en eerroof – zou zeer uitzonderlijk moeten zijn, als laatste verweermiddel. In de beste der werelden stuurt de samenleving zichzelf bij.

Hoe dan? Door elementaire gedragsregels voor het publieke verkeer te formuleren en er op toe te zien dat iedereen er zich aanhoudt. Door overtreders met de vinger te wijzen en zelf het goede voorbeeld te geven. Wat het maatschappelijke debat betreft gaat het dan om voor de hand liggende zaken: je informeren, zorgvuldig argumenteren, niet dreigen, niet op de persoon spelen, je opponent met respect behandelen. Wie zijn tegenstander verkettert sluit hem eigenlijk uit. Democratie bestaat bij genade van de overtuiging dat we in principe allemaal in staat zijn om een oordeel te vellen over het beleid en over de bewindvoerders. Als we daar niet in geloven, heeft het ook geen zin om verkiezingen te organiseren. Daarvan leiden we het beginsel af dat we ook allemaal recht hebben van spreken. Wie zijn opponent ridiculiseert, demoniseert of moedwillig in een kwaad daglicht stelt, ontkent dat recht.

Het ontbreekt vandaag nogal eens aan goede voorbeelden. De politiek blijft wat dat betreft in gebreke. Nogal wat politici bespelen maar twee registers. Er is het doordeweekse, veeleer ambtelijke en verhullende taalgebruik. En er is, voor de hoogdagen en voor de momenten waarop dat politiek nuttig is, de retorische overdrijving, het roepen en schelden. Geen van beide registers is bevorderlijk voor een grondige gedachtewisseling. Ook partijen en verenigingen, traditioneel de leerschool voor de maatschappelijke meningsvorming en democratie, laten het wat dit betreft afweten. In groeiende mate wordt ook daar het formaat van de televisiedebatten de norm. Het moet allemaal vooral bondig geformuleerd zijn, snel, liefst grappig en nooit diepgaand. Dat moet ons, meer dan dwaasheden als die waarover de Washington Times het had, zorgen baren.

Er is nood aan een vorm van publieke etiquette: aan debatregels en goede voorbeelden. Scholen geven vandaag les in burgerschapsvorming, dat is prima. Maar een bezoek aan de Dossinkazerne of samen kijken naar Schindler’s List heeft wellicht op termijn minder effect dan leren hoe je in een debat je mening met goede argumenten kan verdedigen. Het gaat vandaag, als we het hebben over de organisatie van de publieke vrijheid, teveel over de inhoud. Over wat je nog mag zeggen. We kunnen ons beter meer concentreren op de vorm. Over hoe je dat zegt.

4. Anders gaan praten.

Op het hoogtepunt van de Koude oorlog reageerden de Verenigde Staten en de Sovjet Unie niet meer op elkaar, maar op de beelden die ze zich van elkaar hadden gevormd. En daardoor werden die beelden ook steeds weer bevestigd. Als je er van uitgaat dat de andere je bedreigt, dan interpreteer je alles wat die andere doet ook vanuit dat perspectief. En die andere zal, geconfronteerd met jouw afwijzende houding, op zijn beurt daarin de bevestiging vinden van zijn vijandbeeld. En zo raken de verhoudingen steeds meer gespannen. De enige manier om uit die impasse te geraken bestaat er in elkaars vertrouwen te proberen te winnen. En dat is ook wat in de Koude Oorlog bij momenten werd geprobeerd. De spanning verdween uit de verhoudingen wanneer de twee blokken zich concentreerden op die dingen waar ze allebei belang bij hadden. Het vermijden van een rechtstreekse confrontatie bijvoorbeeld.

Vandaag dreigen we opnieuw vast te lopen in een mondiale tegenstelling. Vandaag gaat het tussen ons en de islam. En opnieuw reageren we vooral op de beelden die we ons van elkaar hebben gevormd. Opnieuw interpreteren we alles wat het andere kamp doet vanuit het patroon van dreiging en afschrikking. Net als in de Koude Oorlog wordt de zaak bemoeilijkt door het feit dat er natuurlijk ook reële bedreigingen bestaan. De twee toenmalige grootmachten waren er bij momenten effectief op uit hun invloedssfeer te vergroten. Vandaag bestaan er inderdaad fundamentalistische regimes en bewegingen die hebben bewezen dat ze uit zijn op onze vernietiging. Maar net als in de Koude Oorlog is ook nu toegeven aan de vijandbeeldenlogica levensgevaarlijk. Dan sluiten we ons voor elkaar af en dan vormt alles wat er gebeurt de bevestiging van onze ergste vermoedens. Dat is het recept voor confrontatie en escalatie.

Neem nu het recente voorval in Beringen, waar Joodse jongeren door Turkse stenengooiers werden verjaagd. Dat was vreselijk en het is goed dat de daders onmiddellijk werden gegrepen. Maar dat vormt nog geen bewijs van de nakende Intifada in de mijnstreek. Het is opvallend hoe snel in de berichtgeving en de commentaren weer de grote woorden vielen: fundamentalisme, de onverdraagzame islam, de eeuwenoude spanningen tussen joden en Turken. Terwijl het misschien om niet meer ging dan wat snotjongens die last hadden van territoriumdrift. Ik was er niet bij en weet dus van niets, maar het lijkt me net zo’n valabele manier om naar de gebeurtenissen te kijken.

Opmerkelijk en tegelijk veelzeggend is dat we ook de oplossing van problemen steeds vaker zoeken in de sfeer van tegenover elkaar staande gemeenschappen. Na de moord op Joe Van Holsbeeck werd de moslimgemeenschap aangepord zich te verontschuldigen. Toen daarna de daders Polen bleken te zijn, gingen er stemmen op om dan op onze beurt, namens de christelijke gemeenschap, de moslims excuses aan te bieden. Dat is nu net niet hoe we uit het vijanddenken zullen geraken. En dat geldt ook voor alle goedbedoelde pogingen om de dialoog tussen gemeenschappen, religies of beschavingen op gang te brengen. Er wordt van een foute assumptie vertrokken: dat mensen in essentie door hun groepsidentiteit worden bepaald. Mensen ontmoeten elkaar in het dagelijkse leven vrijwel nooit als lid van een gemeenschap, maar als buur, collega, vriend of klasgenoot. Onze collectieve identiteiten zijn daarbij vrijwel nooit in het geding. Behalve wanneer het fout loopt: dan wordt er gestereotypeerd. Dan brengen we onze tegenstander terug tot de som van groepskenmerken.

Op zo’n moment is er effectief behoefte aan maatregelen om het wederzijdse vertrouwen te herstellen. Maar de manier waarop we dat meestal proberen te doen draagt daar niet toe bij. Wanneer de verhoudingen tussen individuen gespannen verlopen, proberen we de achterliggende gemeenschappen met elkaar aan de praat te krijgen. Zo bevestigen we dat de groepsidentiteiten de allerbelangrijkste zijn en bovendien versterken we die ook nog eens. Als er problemen zijn met Marokkaanse jongens dan halen we de imam erbij. Daardoor geven we het signaal dat die jongens in eerste instantie tot een andere gemeenschap behoren. We bevestigen ook dat die gemeenschap primair bepaald wordt door de godsdienst. En vervolgens bevestigen we die imam ook nog eens in zijn rol van spreekbuis van die gemeenschap. Zo zijn we weer verder van huis.

Er is nood aan een nieuwe manier om over en met elkaar te praten. In de jaren zestig van de vorige eeuw bepleitte de voorman van de zwarte burgerrechtenbeweging Martin Luther King kleurenblindheid. Zijn droom was een wereld waarin mensen niet op ‘the colour of their skin, but the content of their character’ zouden worden beoordeeld: niet op hun groepsidentiteit, maar op hun individuele kenmerken. Dat doen we vandaag niet. We zijn bezig mensen op te sluiten in collectiviteiten. Iedereen wordt geacht te behoren tot een exclusieve club waarvan je meteen lid bent voor het leven. Dat is vooral voor nieuwkomers ontmoedigend. Hoe lang ze hier ook wonen, ze zullen altijd allochtoon blijven, altijd Marokkaan of Turk, nooit Vlaming. In plaats van iedereen in een gemeenschap te drukken en dan de vertegenwoordigers van die gemeenschappen rond de tafel te krijgen, zouden we er beter aan doen zoveel mogelijk abstractie te maken van groepsidentiteiten. We moeten de nadruk leggen op wat mensen, over de grenzen van groepen heen, met elkaar gemeen hebben. We moeten leren mensen te zien als individuen, als buren, collega’s, vrienden of klasgenoten.

Tijdens de Koude Oorlog zong The Police ‘the Russians love their children too’. Dat klinkt, als je het zo leest, een beetje naïef. Maar het wordt effectief een stuk moeilijker om in stereotypen en vijandbeelden te denken als je de anderen in eerste instantie gewoon als mensen ziet. Dat is uiteraard geen alternatief voor terrorismebestrijding of voor de strijd tegen het fundamentalisme. Maar het is wel de enige manier waarop we die strijd kunnen voeren zonder de tegenstellingen steeds verder aan te wakkeren.

5. Geen rechten zonder plichten.

Racisme is verwerpelijk, het ontkennen van de holocaust absurd en kwetsend, uitingen van antisemitisme verdienen onze afkeuring. Daarover zijn we het eens. Moeten we die handel dan ineens maar verbieden? Moeten er, om de vrede te bewaren, beperkingen worden gesteld aan wat we mogen zeggen? De vorige dagen argumenteerde ik dat we dat beter niet doen. We moeten erg voorzichtig omspringen met de vrijheid van meningsuiting. Maar waarom eigenlijk? Omdat mensen verschillen in wat ze als kwetsend of aanstootgevend ervaren. Op zes december ontving ik een officiële delegatie uit Malawi, uitermate vriendelijke en charmante mensen. Maar toen ik ze bij het afscheid een chocoladen Sint gaf heb ik ze toch maar, veiligheidshalve, niet over Zwarte Piet gesproken. Voor je het weet creëer je een diplomatiek incident. In Nederland experimenteerden ze dit jaar met Regenboogpieten, je kunt immers niet voorzichtig genoeg zijn. Verbieden dan maar?

Tot voor kort wou de Partij van de Arbeid geen kwaad woord horen over Stalin. Eén van hun voormannen, Ludo Martens, schreef zelfs een boek waarin de misdaden van Stalin werden vergoelijkt of ontkend. Getuigenissen van slachtoffers van de Goelag werden als propaganda wegverklaard. Vervolgen als negationist? In het Oude Testament staan vreselijke dingen. Ondermeer over de herenliefde, die ze toen niet, en de slavernij, die ze toen wel normaal vonden. Mag de Bijbel voortaan alleen onder de toonbank worden verkocht? Moeten we nu christelijke websites in het oog houden en desnoods censureren?

We zullen het nooit eens worden over ondubbelzinnige criteria over wat niet door de beugel kan en bijgevolg moet verboden worden. Dus houden we ons beter op de vlakte en respecteren we elkaars vrijheid van meningsuiting. Maar net omdat zo goed als alles mag worden gezegd verdient het aanbeveling na te denken vooraleer we spreken. We moeten weten waarover we praten als we een mening kwijt willen, we letten beter op hoe we die mening formuleren, we hebben de plicht goede argumenten te gebruiken, onze redeneringen te onderbouwen, niet op de man of vrouw te spelen, de tegenstander niet te verketteren. Maar het moet duidelijk zijn dat, ook na goed nadenken en zorgvuldig formuleren, sommige dingen altijd wel door iemand als kwetsend worden ervaren. Soms kan je niet anders dan dingen zeggen waar niemand vrolijk van wordt. Soms moet je, met, Luther zeggen: ‘hier sta ik, ik kan niet anders’. In die gevallen volstaan hoffelijkheidsregels niet, dan moet je kunnen rekenen op de bescherming van de wet.

De samenleving is meer gebaat met debat dan met verbod. Het is verkieslijk dat de overheid het vrije spel der maatschappelijke krachten zijn gang laat gaan. Is er dan, net als in de economie, geen taak weggelegd voor de overheid om de zwakkeren in bescherming te nemen en te spreken voor wie geen stem heeft? De vergelijking gaat niet helemaal op. In een vrij debat kan iedereen het woord nemen en zich opwerpen als woordvoerder voor de zwakken en verdrukten. Het staat, wie zich geroepen voelt, vrij de zaak van anderen te behartigen. Daar heb je geen overheid voor nodig. Meer zelfs, dat zou niet zo eenvoudig zijn. Wie zijn precies de maatschappelijk zwakkeren die moeten verdedigd worden? Welke stem moet worden gegarandeerd? Dat wordt voor je het weet een omstreden kwestie. Als we willen dat alle stemmen worden gehoord, dan vormt een actieve samenleving de beste garantie. Als individu en als gemeenschap worden we beter van mondigheid en engagement. De overheid stelt zich best niet in de plaats van vrije burgers die zich verenigen, die samen nadenken, standpunten innemen en zich bemoeien met wat er rondom hen gebeurt. Overheidsingrijpen vormt een pover surrogaat voor een actieve samenleving.

Ik hield de afgelopen dagen een pleidooi voor een zo goed als onbeperkte vrijheid van meningsuiting. We moeten uitermate terughoudend omspringen met elke poging om die vrijheid aan banden te leggen, ook al gaat het om een uitermate nobel doel, ook al willen we grenzen stellen aan dingen die we buitengewoon schunnig vinden. Ook hier geldt echter dat er geen rechten zijn zonder plichten. Wie gebruik maakt van de schier onbeperkte meningsvrijheid heeft de morele plicht daar goed gebruik van te maken. Bovendien moeten we aanvaarden dat ook anderen gebruik maken van hun recht van spreken.

Racisten mogen hun boodschap verspreiden, maar moeten er mee leren leven dat antiracisten die boodschap zullen weerleggen en bestrijden. Holocaustontkenners mogen beweren wat ze willen, maar moeten aanvaarden dat bona fide onderzoekers niet veel heel zullen laten van hun theorieën. Er is maar één ding dat niet kan: aanzetten tot geweld. Daar moet een vrije samenleving, uit lijfsbehoud, de grens trekken. Daarover mag ze ook geen compromissen sluiten. Daarop gelden ook geen uitzonderingen. Zelfs niet van religieuze aard. Wie meent, met god aan zijn zijde, boven de wet te staan, moet snel, wat dat betreft, op andere gedachten worden gebracht. Maar ook dan moeten we als samenleving uitermate terughoudend optreden met vrijheidsbeperkingen. Fundamentalisten hebben recht op spreken. Maar ze zullen moeten aanvaarden dat ze door anderen worden tegengesproken. Als dat kan, vriendelijk en met respect. Als dat niet kan, niet.

Maar we bewaren ook best de zin voor verhoudingen. De manier waarop we over de samenleving spreken heeft gevolgen voor die samenleving. Als we verhoudingen tussen gemeenschappen de hele tijd bespreken en interpreteren vanuit wederzijdse confrontatie en bedreiging, dan zullen die verhoudingen ook effectief slechter worden. Als we mensen de hele tijd zien als in essentie behorend tot verschillende gemeenschappen, dan zullen die collectieve identiteiten ook worden versterkt. We hebben, schreef ik eerder, vandaag teveel de neiging om de aandacht te richten op wat je al dan niet nog mag zeggen. We kunnen in de toekomst misschien beter concentreren op de vorm: op hoe we de dingen onder woorden brengen. Het recht op vrije meningsuiting ontslaat ons niet van de plicht om na te denken.


De auteur is hoogleraar politieke wetenschappen aan de Vrije Universiteit Brussel

Patrick Stouthuysen

Patrick Stouthuysen

Links
mailto:pstouth@vub.ac.be
Share |

Nieuwsbrief

Schrijf je in op onze wekelijkse nieuwsbrief door hieronder je e-mailadres in te vullen.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be