Cultuurrelativisme is een dubieus idee

essay dinsdag 09 maart 2004

Fernand Tanghe

De reactie van Tom Naegels (De Standaard, 22-2) op een eerder in deze krant verschenen tekst van Paul Cliteur (14-2; eveneens Liberales 57) over cultuurrelativisme is een merkwaardig bravourestukje. Hij veroordeelt de auteur op basis van een fragment van een nog niet verschenen boek. Misschien had hij beter gewacht tot hij het helemaal kon lezen. Maar hij had ook een vorig boek van Cliteur kunnen raadplegen waarin deze al uitvoerig op het cultuurrelativisme inging: Moderne Papoea’s.

En wat betoogt Cliteur daar? Onder meer dat we moeten vasthouden aan een monoculturele kern van universele waarden; die hebben zich neergezet in een aantal vrijheidsrechten – van godsdienst, levensovertuiging, meningsuiting, persoonlijke levenssfeer, vereniging en vergadering – die juist zo belangrijk zijn omdat ze de mogelijkheidsvoorwaarde leveren voor pluriformiteit en dus ook multiculturaliteit. Dat de westerse democratieën regels hebben om met inhoudelijke verschillen om te gaan en daarom de beste waarborgen bieden voor het belijden van de eigen culturele achtergrond en eigen waarden en normen. Dat vrijheid van denken en meningsuiting de beste graadmeter is van vooruitgang in de geschiedenis en dat ze ook het beste wordt beschermd in de democratie die immers een maatschappij is van de permanente zelfondervraging. Maar zij moet ook in de voorwaarden daartoe voorzien, en dat veronderstelt op zijn beurt dat die voorwaarden zelf buiten schot blijven. Wie de democratie zelf wil opheffen past niet in het beeld. Dat ze zorgt dat de zoektocht verder kan gaan betekent ook dat niemand er de pretentie kan koesteren de waarheid in pacht te hebben. Ze kan niet opgelegd worden door een Leider of een God (in werkelijkheid door wie in zijn naam spreekt).De democraat is dus tolerant: niet omdat hij zoals de relativist beweert, denkt dat er geen waarheid is maar omdat hij aanneemt dat hij zich kan vergissen; hij is niet a priori overtuigd van het eigen gelijk zodat het onnodig wordt naar de mening van anderen te luisteren. Zo gezien is cultuurrelativisme geen goede denkpiste en is gelijkwaardigheid der culturen maar een dubieuze idee. Mensen zijn gelijkwaardig, ja, maar juist daarom kunnen culturen het niet zijn: culturen die mensen als ongelijk beschouwen, verknechten, verlagen, of monddood maken zijn inferieur aan culturen waarin mensen gelijk zijn en individuele vrijheid genieten.

Tot daar een summier resumé van Moderne Papoea’s; het doet de auteur niet ten volle recht maar wettigt alvast volgend besluit: hij levert stof voor een zinvolle discussie. Natuurlijk houdt het gebruik van containerbegrippen als Europese beschaving of westerse cultuur een gevaar in. Beschavingen en culturen zijn geen bovenaardse Subjecten die boven de hoofden van concrete mensen planeren en een alomvattende invloed hebben op hun doen en laten. Maar wie Cliteur aandachtig leest ziet toch dat het hem om bepaalde waarden en normen gaat die in het Westen ontstaan zijn of er het beste beschermd worden (wat niet betekent dat ze geen universele gelding hebben; maar dergelijke precisering riekt misschien weer naar superioriteitsdenken, Ai!). Dat betekent niet dat je je identificeert met al wat mensen uit ‘het Westen’ ooit verricht hebben of dat alle perioden uit zijn geschiedenis even presentabel zijn. Als ik Cliteur goed begrijp ziet hij maar twee uitschieters: het oude Griekenland dat ons de filosofie als radicale invraagstelling van tradities en de democratie als idee en waarde heeft overgeleverd (maar niet alleen dat waardevolle: de sofistiek is ook een geschenk van de Grieken) en de Verlichting waaraan we onze vrijheidsrechten danken. Dat is te gemakkelijk volgens Naegels, een eenzijdige belichting van het positieve. Maar waarom, als je daarmee laat blijken dat we juist aan die waarden en normen moeten hechten, en niet aan de bedenkelijke rest? Veel van wat mensen doen is in strijd met de waarden die hun beschaving belijdt, is dus niet beschaafd. Het is begrijpelijk dat daar in een evaluatie van die beschaving geen rekening mee wordt gehouden; woordvoerders van andere beschavingen doen dat ook niet. En wie zegt dat Cliteur de mening van de auteurs over de Europese beschaving die hij in zijn tekst aanhaalt zonder meer onderschrijft? Hij laat zien dat er een tijd was waarin bepaalde uitspraken wel konden en nu blijkbaar niet meer; meer kan je er niet uit besluiten. Maar dat sommige zaken gewoon beter zijn - het is beter vrij te zijn dan slaaf, zich te kunnen voeden dan omkomen van honger, je godsdienst te kunnen belijden dan ervoor in de cel te belanden, vrijuit te kunnen spreken dan te hoeven vrezen voor censuur, etc. – is geen exclusief vooroordeel van ‘dikdoenerige blanken’: waarom komen zoveel mensen uit arme en onvrije landen naar Europa, waarom zien we niet hetzelfde in de omgekeerde richting gebeuren? Waarom stemmen zij, zodra ze kunnen, zo massaal met hun voeten?

Wat stelt Naegels daartegenover? Niet veel eigenlijk, het is zelfs niet duidelijk of hij iets anders zegt dan Cliteur. Hij ziet zichzelf als relativist, maar niet ‘tot in het absurde’. Een beetje dus. Maar kan dat eigenlijk wel? Cultuurrelativisme gaat terug op het standpunt van etnologen dat a priori poneren dat je eigen cultuur superieur is een steriel uitgangspunt is voor onderzoek. Aanvankelijk was het dus een methodologisch principe. Maar het valt moeilijk te ontkennen dat het stilaan is uitgegroeid tot een heuse ideologie die a priori poneert dat alle culturen gelijkwaardig zijn, het heeft zich ontpopt tot een ontologisch decreet dat elk onderzoek overbodig maakt. Vanuit intellectuele kringen is die ideologie overgewaaid, via politieke middens en media, naar de ruime samenleving. Op dat niveau van verspreiding neemt ze vaak weinig gearticuleerde vormen aan, is ze eerder een zaak van stilzwijgen en toedekken dan van argumenten: laten we maar liever niet over praten over de waarde van culturen, we kunnen beter dat potje gedekt houden, en vooral niet over nadenken over de zogenaamde gelijkwaardigheid. Het laatste is ook begrijpelijk: het cultuurrelativisme is immers, zodra het zich consequent tracht uit te drukken, noodgedwongen inconsequent. Enerzijds stelt het dat er geen transcultureel criterium is dat toelaat onpartijdig te oordelen over culturen: ze zijn alle uniek en onvergelijkbaar, kunnen alleen van binnenuit beoordeeld worden; anderzijds poneert het dat alle culturen gelijkwaardig zijn, en dat is een transcultureel oordeel. Het anderzijds is er te veel aan, en als je het bij enerzijds houdt is de rest zwijgen: ex nihilo nihil fit. Naegels verwijt Cliteur dat hij een karikatuur opvoert van het cultuuurelativisme, maar daar is niet veel voor nodig, het draagt er zelf aardig toe bij. En zodra je die karikatuur tracht te overstijgen ben je niet een beetje minder relativist, je verloochent je uitgangspunt en stapt over op een universalistisch discours. Gelijkheid (van mensen) staat dan boven gelijkheid (van culturen). En dat is ook wat Naegels doet. Hij wil het relativisme weliswaar een originele wending geven, tracht het op eigen, ‘softe’ manier in te vullen. Maar het gaat om een doctrine: is dat wel voor rekbare lezingen vatbaar? Als we het relativisme op zijn beurt relativeren, waarover praten we dan nog? Dan is het uiteraard onschuldig en onschadelijk. Naegels lijkt me ook relativisme te verwarren met een - lofwaardige – houding van zelfrelativering. Maar in het ene geval is de discussie al op voorhand afgelopen, in het andere begint ze pas en verloopt ze bovendien in het teken van iets dat boven de sprekers uitstijgt en waarover ze niet kunnen beschikken.

Naegels pleit voor een beperkt aantal universele waarden, al de rest is een kwestie van voorkeuren en van meningen die bereid moeten zijn zich kwetsbaar op te stellen. Wat is het verschil met Cliteur? Ik zie het niet. Zelfs niet wat betreft Naegels’ ergerniszone: gedragingen die sommigen in strijd zullen achten met universele waarden en anderen niet. Volkomen te goeder trouw vaak, want die gedragingen hebben wellicht verschillende betekenissen en hoe ga je het onderling gewicht daarvan bepalen (voorbeeld: nog eens de hoofddoek)? Een kwestie van informatie, feitenkennis, perceptie en interpretatie en die zullen van persoon tot persoon verschillen. Maar de dissensus persisteert dan ondanks de consensus rond universele waarden. En als kon bewezen worden dat die gedragingen inderdaad tegen die waarden ingaan zou ook Naegels bereid zijn om ze uit de ergerniszone te halen, neem ik aan. In elk geval, als hij een aantal universele waarden aanneemt, dan moet hij ook aannemen dat ze voorrang hebben op particuliere gewoontes en tradities en ze desgevallend buiten spel (moeten) zetten, en dus dat ze superieur zijn.

Waarom maakt hij zich dan zo dik tegen Cliteur? Wellicht omdat hij, zoals velen onder ons, node toegeeft dat waarden ingrijpender zijn dan smaken en voorkeuren. De gustibus non disputandum, maar waarden maken wel degelijk verschil: je kan er niet over spreken zonder echt onderscheid te maken, anders gezegd zonder ze in een waardenschaal, een hiërarchische rangordening onder te brengen. Niet alle vormen van menselijk handelen kunnen in die optiek even respectabel of menselijk bevonden worden. Dat geldt ook voor culturele verschillen: je kunt ze niet waarderen zonder ze onderling te wegen, ze op in-differente wijze onderschrijven is een onmogelijke krachttoer. Je kan op de contingente ontstaanscontext van waarden wijzen maar zo ontloop je nog niet de onontkoombare vraag naar hun validiteit in rechte. Door de gelijkwaardigheid van culturen te proclameren kunnen we misschien vervelende discussies of conflicten mijden, maar daardoor onttrekken we ons niet aan dat verfoeide superioriteitsdenken; andere culturen geloven immers niet in die gelijkwaardigheid; dus wij, die dat wel doen, zijn beter, zeggen we impliciet. Die zaken krampachtig verdringen komt neer op zelfbedrog of, erger nog, hypocrisie, maakt Cliteur ons duidelijk. Maar zodoende, vindt Naegels, getuigt hij van gebrek aan respect voor mensen van andere culturen. Eigenlijk is kritiek op cultuurrelativisme voor Naegels meteen een persoonlijke aanval op alle moslims (nochtans: Cliteur besteedt aan ruime aandacht ‘moslimvrijdenkers’). Ze voortdurend achtervolgen met ons superioriteitsgevoel is bovendien contraproductief, strategisch niet voordelig. Ja, maar is dat een argument tegen die kritiek? Sommige zaken schreeuw je beter niet van de daken, je kunt ze ook zachtjes neuriën, zoals Naegels; aan de inhoud van de zaak verandert dat niets. Zeker, onze waarden mogen we niet opleggen. Maar wie beweert dat? Cliteur? Hij zegt uitdrukkelijk van niet. En we moeten ons niet voordoen als de ‘reïncarnatie van Socrates en Voltaire’, voegt Naegels eraan toe. Nee, maar belet het dat we dwergen gezeten op de schouders van reuzen kunnen zijn, zoals het ooit luidde? Daarvoor zouden we wel eerst moeten weten wat ze gezegd hebben, en dat is tegenwoordig nogal ongebruikelijk.

Uiteindelijk geeft alleen persoonlijk contact een volledig beeld, zegt Naegels. O.K., maar wat moet dat dan inhouden? Een babbel over couscous? Of echte discussie? Die, ja, soms pijnlijk kan zijn omdat je dan geconfronteerd wordt met botsende waarden en de superioriteitsvraag onvermijdelijk binnensijpelt in het gesprek. Maar als we dat angstvallig vermijden, welk soort respect voor de ander is dat dan? Betekenen we daarmee niet dat hij ons niets belangrijks te vertellen heeft, dat zijn opvattingen er niet toe doen en we er niets van te leren hebben? Zijn cultuur aanvaarden we, jawel, maar we besparen ons liever de moeite zijn argumenten te aanhoren: getuigt dat niet eerder van misprijzen voor zijn persoon en intelligentie? Aan de andere kant: respect voor personen is iets anders dan respect voor alle mogelijke overtuigingen en levensstijlen en dat laatste is weer iets anders dan tolerantie. Kan ik opvattingen respecteren die de mijne over de hele linie tegenspreken? Kan ik dan nog de eigen overtuiging ernstig nemen? Als ik het verschil om het verschil respecteer, respecteer ik dan nog wel mijn eigen keuzen en waarden? Het is tegenwoordig bon ton op onze eigen waarden te spuwen: veel respect vanwege moslims oogsten we daar niet mee. Het getuigt ook van weinig respect voor voorbije generaties die langdurig gestreden hebben voor de rechten en vrijheden waarvan wij genieten. We souperen ons erfgoed op en doen aan toerisme in ons verleden zoals we naar exotische contreien trekken. We voelen ons renteniers die er beter het zwijgen toe doen ten aanzien van fanatici en intolerante lui die geen kritiek op hun handel en wandel lijden, onder voorwendsel dat we hun gevoelens zouden kunnen kwetsen. Moeten we onze bezwaren tegen verstoting of polygamie inslikken omdat we anders zouden kunnen versleten worden voor islamofoben die dringend psychiatrische hulp behoeven? Is tegenover de momenteel om zich heen grijpende antiwesterse hysterie en totalitaire oprispingen ook bescheidenheid geboden? Dat is een zwaktebod. De geschiedenis leert dat samenlevingen die niet langer achter hun waarden staan en niet meer in staat zijn ze te verdedigen altijd overwonnen werden door andere die minder welvarend maar krachtdadiger waren. Op agressieve uitingen van culturele identiteit reageren met cultuurrelativistische platitudes is in elk geval geen repliek maar een overgave.

Naegels stopt zichzelf graag in de huid van een Arabier. Maar stel dat hij met een Arabier in hetzelfde gebouw woont. Ze hebben kameraadschappelijke gesprekjes over Arabische keuken en zelfs poëzie. Op zekere dag verneemt Naegels echter dat de dochter clitoridectomie zal moeten ondergaan. Wat zal hij doen? Ik weet het niet. Maar ik vermoed wel dat hij zal worstelen met de definitie van respect.



Fernand Tanghe

Fernand Tanghe

Links
Fernand Tanghe is auteur van het boek Links is soms rechts.
Share |

Nieuwsbrief

Schrijf je in op onze wekelijkse nieuwsbrief door hieronder je e-mailadres in te vullen.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be