Een harmonie van bonte verschillen

essay vrijdag 19 maart 2004

Fernand Tanghe

Multiculturalisten beseffen niet goed dat men, door de idee van een ongedifferentieerd burgerschap voor allen op de helling te zetten, riskeert te breken met een traditie van ideologische neutraliteit van de overheid die de enige manier gebleken is om een eind te stellen aan godsdienstoorlogen. Dat inzicht kwam er pas enkele eeuwen geleden, na tal van vrome moordpartijen en veel bloedvergieten. En de ‘pragmatische’ oplossing betekende allerminst dat men het belang van religie in het leven van de mensen onderschatte. Integendeel, juist omdat men tot eigen schade en schande had moeten ondervinden dat ze zo’n belangrijke rol kan spelen, en meer bepaald tot bloedige afrekeningen kan leiden, brak uiteindelijk het inzicht door dat ze broodnodig politiek ‘geneutraliseerd’ moest worden.

Het huidige succes van het multiculturalisme berust, zo gezien, op een vorm van historische amnesie. Ook indien het niet fataal tot nieuwe godsdienstoorlogen hoeft te leiden, werkt het in het beste geval zelfgekozen gettovorming in de hand. Het ‘living apart together’ zou een egalitair apartheidsregime vormen dat, indien zoiets al ooit voorgekomen is, geen lang leven beschoren lijkt. Wellicht zou het uitdraaien op een echte apartheid waarbij de sterkste na verloop van tijd de andere groepen domineert en ze een ondergeschikt statuut opdringt. Waarom geen terugkeer naar het systeem van de ‘millet’ uit het Ottomaanse Rijk, met zijn apart statuut voor christenen en joden naast het bevoorrechte van de moslims? Een andere mogelijkheid is natuurlijk ook, wanneer geen enkele groep erin slaagt een duidelijk of definitief overwicht te behalen, dat multiculturalisme uitmondt in een toestand van al dan niet latente burgeroorlog… met eventueel het terrorisme in de hoofdrol.

Een veel gehoord argument pro juridische erkenning van culturele verschillen ten slotte is dat zij de veelzijdigheid en de scheppingskracht van de mensheid ten goede zouden komen. Multiculturalisme verruimt het gamma van menselijke mogelijkheden, beweren sommigen met een knipoog naar Herder; gelijkheid moet niet te vervelend worden… Ook dat argument is van dubieus allooi. Want jammer genoeg presenteert culturele eigenheid zich juist in die groepen waaraan men speciale rechten wil verlenen zelden als een keuzemogelijkheid. De individuen zijn er niet vrij hun lidmaatschap op te zeggen. Culturele eigenheid betekent zo gezien beperking van keuzevrijheid en van individuele mogelijkheden. De identiteit van mensen moet uitsluitend worden ingevuld vanuit hun toebehoren tot een bijzondere gemeenschap, haar tradities en gewoontes. Ze is een monoliet. Met hart en ziel zouden ze moeten opgaan in de groep. Hebben we het over mensen van vlees en bloed dan is hun identiteit eigenlijk altijd een soort lappendeken van meerdere ikken.

Hier echter wordt ze herleid tot één enkel toebehoren (religieus, etnisch, raciaal…), met veronachtzaming van alle andere identiteitscomponenten. Die moeten plaats maken of men zal ze in elk geval ondergeschikt maken aan de enige component die echt telt, en die is gegeven van bij de geboorte en onveranderlijk. Individuen zijn dan slechts vluchtige incarnaties van een collectieve lotsbestemming, hooguit epifenomenen. De bijzondere natuur of identiteit van hun gemeenschap kleeft als het ware aan hun huid. Alle ‘representanten’ van de groep zijn uit hetzelfde hout gesneden: die reductie van mensen tot eenduidige, exclusieve en onveranderlijke dragers van een collectief wezen kan zeker religieus of culturalistisch ingekleed worden, maar het denkpatroon is uiteindelijk hetzelfde als dat van racisme en extreem nationalisme. De onderlinge diversiteit van groepen vertoont hier wel een merkwaardige schaduwzijde: een interne homogeniteit die de individuen degradeert tot efemere en verwisselbare specimen van een collectieve entiteit of tot instrument van een doel dat hen zogezegd overstijgt, en dat hen in elk geval gebiedt om alle groepsvreemde waarden af te zweren.

Ze verlangt van de individuen een gehoorzaamheid aan de waarden en normen van de groep en installeert op kleine schaal een totalitarisme of een imperialisme van de assimilatie, zaken die toch ronduit verfoeid en verafschuwd worden wanneer ze het werk zijn van staten. Zich onvoorwaardelijk achter de multiculturalistische vlag scharen betekent dat je je blind maakt voor dat soort zaken. Zo zet je zonder het goed te beseffen de deur wijd open voor fundamentalistische en separatistische bewegingen die bereid zijn de meest ondemocratische methoden te gebruiken om de mensen in wier naam ze beweren te spreken in de pas te doen lopen. Het is dus weinig waarschijnlijk dat een multiculturele verscheidenheid die ten koste gaat van diversiteit binnen de groepen het gamma aan mogelijkheden waarover mensen kunnen beschikken verruimt. Nog afgezien daarvan is diversiteit op zich geen argument. Verschillen zijn geen onvoorwaardelijk goed. Wie kan in ernst beweren dat het nodig is een beetje fascisme toe te voegen aan een democratische samenleving, onder voorwendsel dat ze anders te homogeen of te kleurloos zou zijn?

Bij de invulling van de relatie individu-groep zijn heterogene, of sterker, logisch onverenigbare mens- en waardenvisies in het geding: ook dat kunnen multiculturalisten moeilijk inzien of ze erkennen het zeer node. Om het onomwonden te formuleren: de mens- en waardenvisie die de cultuur van minderheidsgroepen bezielt is vaak diametraal tegengesteld aan een democratisch-individualistische. De laatste is gecentreerd rond individu en universaliteit en formuleert zich in het discours van de mensenrechten. Het uitgangspunt luidt: individuen ‘behoren’ niet ‘toe’ aan een particuliere gemeenschap, ze hebben het recht om eventueel hun banden ermee te verbreken. Terwijl de eerste alles in het teken plaatst van collectieve identiteit en de focus op gemeenschapsrechten richt. Het uitgangspunt is ditmaal dat die gemeenschap onvoorwaardelijk respect vereist en dat individuele rechten zonodig moeten wijken voor dwingend lidmaatschap.

Elk van beide visies is op haar manier coherent, maar tegelijk staan ze lijnrecht tegenover elkaar. Ze worden beheerst door elkaar uitsluitende logica’s. Multiculturalisten sluiten daar liever de ogen voor, ze trachten zo veel mogelijk de kool en de geit te sparen. Misschien zou het juister zijn te zeggen dat ze water en vuur trachten te verzoenen. In dat licht is gelijkheid in verschil kennelijk een magische formule. Ze moet de harmonisering en de vreedzame coëxistentie bewerken van tegengestelde waarden en normen, en uiteindelijk ook – waarom niet? – een definitieve pacificatie van de menselijke verhoudingen tot stand brengen. Maar zo’n pijnloze verzoening van gelijkheid met erkenning van culturele verschillen is een vrome wens, alle rituele invocaties van gelijkheid in verschil ten spijt. Waar dromen multiculturalisten eigenlijk van? Van een ‘synthese’ van tegengestelde visies, van een dialectische zelfoverstijging van tegenpolen? Denken ze dat die zich probleemloos zal doorzetten, gewaarborgd door geschiedenis en vooruitgang? Geloven ze dat zoiets een coherent beleid kan inspireren? Of wensen ze een beetje van dit en een beetje van dat? Het is waar, politiek is ook de kunst van het compromissen sluiten en behelst dus aanvaarding van een zekere portie ‘inconsequentie’. Voorbij een zekere grens brengt compromisbereidheid de inspiratie zelf van de democratie in het gedrang. Ze kan in elk geval geen excuus zijn om een eigen standpunt te verzaken, en al helemaal niet voor platvloers opportunisme en principeloosheid.


Dit is een fragment uit het boek Links is soms rechts. Over gelijkheid, democratie en multiculturalisme, Houtekiet, 2004

Fernand Tanghe

Fernand Tanghe

Share |

Nieuwsbrief

Schrijf je in op onze wekelijkse nieuwsbrief door hieronder je e-mailadres in te vullen.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be