|
De 21ste eeuw zal gekenmerkt worden door een nooit eerder geziene demografische evolutie. Deze demografische evolutie zal een nieuw tijdperk inleiden, het zilveren tijdperk. Voor het eerst in de wereldgeschiedenis zal het grootste deel van de bevolking oud zijn. Tegen 2050 zal 30% van de bevolking in het westen ouder dan 60 zijn. Het is inmiddels al een gemeenplaats geworden te zeggen dat mensen steeds langer leven, terwijl er steeds minder jonge mensen geboren worden. Vanaf dit jaar zal het voor het eerst in de geschiedenis zo zijn dat er op wereldschaal meer zestigplussers zijn dan min-vijfjarigen. In het rijke westen is dat al langer het geval. Demografieën evolueren in trends. De tendensen die we in het verleden in het westen hebben gezien, kunnen we vandaag observeren in ontwikkelingslanden. In vroegere tijden waar de sterftegraad veel hoger was dan nu, werden ook veel meer kinderen geboren. Naarmate de maatschappij evolueerde, leefde men langer (dalende mortaliteit) en schakelde men over naar kleinere gezinnen met minder kinderen (dalende nataliteit). De trend van een dalende nataliteit komt echter altijd later op gang dan de trend van een dalende mortaliteit. Er is nog een generatie nodig om de mentaliteit van kroostrijke gezinnen te keren. Concreet betekent dit dat er in het laatste stadium van ontwikkelingsland naar geïndustrialiseerde maatschappij “te veel” kinderen geboren worden. De gewoonte van kroostrijke gezinnen zit nog ingebakken, terwijl dat niet meer verantwoord is door de lage sterftegraad. In een volgend stadium wordt de nataliteit optimaal terwijl we nu kunnen observeren dat de nataliteit te laag geworden is. Mochten dezelfde geboortecijfers per gezin blijven op lange termijn (we spreken hierbij in termen van decennia of zelfs eeuwen) zoals ze nu zijn, komt er een gestadige daling van de bevolking. De laatste boom in geboortes in de westerse wereld dateert van de jaren ’60. Dat is de generatie die nu op het hoogtepunt van haar carrière zit, maar vanaf volgend decennium geleidelijk aan op pensioen zal gaan. Dit heeft enkele zeer belangrijke consequenties. Zo zullen we moeten leren omgaan met een fel verouderde samenleving met alle gevolgen van dien. Zowel politiek, cultureel als economisch zal dat onze samenleving zeer ingrijpend veranderen. Wellicht het meest heikele punt waarover we ons nu al moeten bezinnen zijn de pensioenen. De vooruitzichten geboden door ons pensioensysteem zoals dat ontwikkeld werd in de na-oorlogse periode zullen naar alle waarschijnlijkheid niet inlosbaar blijken en zullen dus op middellange termijn herzien moeten worden. Ons pensioensysteem steunt op twee principes: (1) het bedrag waarop pensioengerechtigden recht hebben, staat vast en wordt berekend in functie van de vroegere beroepsloopbaan; (2) de hiervoor vereiste gelden worden betaald door de klasse die nu aan het werk is. Men hoeft geen groot econoom te zijn om in te zien dat het suïcidaal is om dit dubbele principe te blijven toepassen wanneer de gepensioneerde klasse buitenproportioneel groot wordt ten op zichte van de werkende klasse. Dat zal het geval worden wanneer de demografische evolutie die zich aandient, zich doorzet zoals voorspeld. De jaren 2025-2035 beloven in dat opzicht de moeilijkste jaren te worden voor de financiering van onze pensioenen. De toestand is bijzonder ernstig, maar we hebben nog een decennium de tijd om structureel iets te veranderen. Die kans moeten we op tijd grijpen. De pensioenen kunnen evenwel houdbaar blijven als we één van twee voormelde principes onderuit halen. Zo kan men opteren voor een systeem waarbij de werkende klasse zijn eigen pensioen financiert door bijdragen te storten in een fonds dat later gebruikt kan worden voor de pensioenen. Dat is het roemruchte kapitalisatiesysteem. Nadelen hiervan zijn evenwel dat één generatie dubbel zou moeten betalen, de pensioenen voor zichzelf en de pensioenen van de huidige generatie gepensioneerden. Bovendien vrezen sommigen dat er fout belegd kan worden met pensioenfondsen of dat er inflatie kan optreden, waardoor de tijdens de beroepsloopbaan verzamelde gelden tegen de tijd dat men ervan kan profiteren plotseling veel minder waard zijn. Een andere optie is een systeem waarbij de hoogte van de pensioensuitkering niet langer vastgekoppeld is aan de vroegere beroepsloopbaan, maar waarbij het percentage dat door de werkende generatie aan bijdragen aan bijdragen betaald wordt, wel min of meer vast staat. De pensioenen zouden dan toegekend worden op basis van het beschikbare bedrag. Probleem is dat de hoogte van pensioensuitkeringen in zo’n systeem afhankelijk is van het aantal lotgenoten. Zijn er veel gepensioneerden en weinig werkenden, is er uiteraard weinig ruimte voor hoge pensioenen en dat is precies wat ons te wachten staat. Om hieraan tegemoet te komen zijn er twee zaken nodig: 1. Het aantal mensen dat werkt in verhouding tot het aantal gepensioneerden moet verhoogd worden. Een mogelijke maatregel is om migranten aan te sporen om naar hier te komen, hetgeen op middellange termijn noodzakelijk zal zijn voor enkele knelpuntberoepen. Andere noodzakelijke maatregelen zijn meer mensen langer aan het werk houden en gepensioneerden toelaten bij te klussen. 2. Er moet benadrukt worden dat pensioen voor een stuk ook een persoonlijke verantwoordelijkheid is. Mensen zullen individueel verantwoordelijk gesteld moeten worden om voor een stuk zelf in te staan voor een aanvulling van hun pensioen, ofwel door te beleggen in een pensioenfonds ofwel door eigen middelen op te sparen voor de oudere dag. Een verdere bezinning rond het concept pensioen is nodig om uit te maken welke maatregelen haalbaar en/of wenselijk zijn. We moeten ons enerzijds afvragen waarom mensen op pensioen gaan en anderzijds waarom werkgevers hun mensen op pensioen sturen. Het is een onmiskenbaar feit dat pensioenen vandaag niet meer zijn wat ze vroeger waren. Pensioenen zijn uitgevonden in een tijdperk waar mensen die eraan toe waren echt versleten waren. Ouderdom stond vroeger haast altijd garant voor armoede en ongezondheid. Pensioen was voorbehouden voor echte hulpbehoevenden. Een pensioensuitkering was een broodnodige sociale steunmaatregel. Nu zijn de tijden gelukkig veranderd. De tijd dat gepensioneerden allemaal zorgbehoevende sukkelaars waren, is voorbij. Uit alle gegevens blijkt dat we niet alleen langer leven, maar dat onze oude dag ook op gezondheidsvlak onbezorgder is. Pensioen wordt gezien als een periode van welverdiende rust. De uitkering wordt als evident gezien, vermits de gepensioneerde tijdens zijn eigen beroepsloopbaan een enorm bedrag aan fiscale en sociale lasten heeft afgedragen. Zonder in gemeenplaatsen te vervallen kunnen we stellen dat gepensioneerden van vandaag tijd hebben voor hobby’s, reizen, kleinkinderen enz. Het concept pensioen is dus fundamenteel omgeschakeld van sociaal probleem tot welverdiende beloning aan het einde van een carrière. Er zijn echter ook gepensioneerden die op pensioen gaan niet zien als een mooie gunst na hun actieve beroepsloopbaan. Mensen die behoefte voelen om zich nuttig te maken, die geen zin hebben in allerlei hobbyclubs voor gepensioneerden, maar zich slecht voelen bij het hele dagen niets doen. De vraag rijst hier waarom die mensen überhaupt op pensioen gesteld zijn. Wat een zegen is voor de ene, is dat niet noodzakelijk voor de andere. We kunnen vast stellen dat de pensioenleeftijd voor vele mensen en in vele beroepscategorieën te vroeg komt. In sommige beroepen, voornamelijk deze met een hoge fysieke of psychische belasting kan de vraag naar een pensioen vanaf 55 jaar gerechtvaardigd zijn. In andere beroepen daarentegen is het bijlange niet zo duidelijk waarom iemand op pensioen zou moeten gaan. Wie een intellectueel beroep uitoefent, wordt niet minder bekwaam vanaf zijn 55ste, vaak zelfs integendeel. Door ervaring kan een 60-jarige in sommige functies nog altijd stukken beter zijn in zijn job dan een jongere collega. De beste specialist-geneesheren, de beste juristen, de beste toplieden in bedrijven enz. zijn eerder kwieke grijsaards dan enthousiaste dertigers. Er zijn een tweetal verklaringen te vinden voor het feit dat oudere werknemers voortijdig uitgestoten worden uit het arbeidsproces. Een eerste verklaring ligt in het feit dat een werkgever er rekening mee houdt dat zijn oudere werknemers doorgaans minder lang in zijn bedrijf zullen blijven dan de jongere. Als de werkgever cursussen aanbiedt aan de werknemers of als hij nieuwe productiemethoden gaat gebruiken waarvoor een aantal werknemers opgeleid moeten worden, zullen de jongere werknemers als eerste in aanmerking komen. Het heeft minder zin om een grote investering te doen voor iemand waarvan niet verwacht wordt dat hij/zij lang in het bedrijf zal blijven. Nadeel is natuurlijk dat oudere werknemers achterop geraken en moeten uitstappen wanneer het werk te veel verandert door technologische evoluties. Om dezelfde reden zal de werkgever bij voorkeur de oudste werknemers ontslaan wanneer gesnoeid moet worden in het personeelsbestand als het economisch wat slechter gaat. Wanneer hij de jongste zou ontslaan, zou hij na enkele jaren nieuwe werkkrachten moeten zoeken. Werkzekerheid is niet altijd een vraag van de werknemer alleen, maar ook van de werkgever die een zekere continuïteit in zijn personeelsbestand wil. Men kan zich afvragen of deze verklaring nog wel klopt gelet op de steeds toenemende mobiliteit van werknemers tussen verschillende ondernemingen, maar in praktijk blijkt dit nog bij zeer veel werkgevers te spelen. Een andere en waarschijnlijk nog een veel belangrijkere verklaring is dat ons verloningsstelsel nog altijd veel te veel gebaseerd is op anciënniteit. Dat werd recentelijk nog eens bevestigd door een studie van ING. Naarmate werknemers ouder worden, stijgen hun lonen. Eigenlijk zou het juiste criterium de productiviteit moeten zijn. Nu prijzen oudere werknemers zichzelf uit de markt. Wanneer een oudere werknemer blijft werken, blijft zijn loon stijgen, terwijl het lang niet zeker is dat zijn productiviteit ook blijft stijgen. Na verloop van tijd wordt hij gewoon te duur vergeleken bij een jongere werknemer. De reden waarom anciënniteit werd ingevoerd is dat men op die manier poogt de jongere werknemers gemotiveerd te houden met vooruitzichten op loonsverhoging. Deze loonstructuur is echter ronduit absurd, want het zijn de jongeren die hun geld het hardste nodig hebben, terwijl een oudere werknemer van zodra zijn huis en auto afbetaald zijn eigenlijk eerder werkt voor extraatjes en het geld dus -relatief gezien- minder hard nodig heeft. Het valt te hopen dat beide verklaringen zichzelf opheffen na verloop van tijd als blijkt dat naar de toekomst toe mensen meer en meer gaan veranderen van job, maar dat is voorlopig nog koffiedik kijken. Beleidsgevolgen van deze vaststellingen zijn in elk geval dat subsidies voor extra-opleidingen binnen bedrijven bij voorkeur naar ouderen moet gaan (in tegenstelling tot wat altijd gedacht wordt); dat men bij collectieve ontslagen niet het ontslag van ouderen moet vereenvoudigen door constructies als het brugpensioen uit te vinden, maar eerder het ontslag van jongere werknemers moet vergemakkelijken en dat men af moet van alle loonsverhogingen op basis van een hogere anciënniteit los van verhoogde productiviteit. Om bestaande belangen niet te fnuiken, zal deze reconversie geleidelijk moeten gebeuren, maar ze zal moeten gebeuren. Het is mijn vaste overtuiging dat de 21ste eeuw gekenmerkt zal worden door een soort nieuwe emancipatorische golf op de arbeidsmarkt. Na de vrouwenemancipatie komt de ouderenemancipatie. De gelijkenissen tussen de twee tendensen zullen onmiskenbaar zijn. De oudere generaties zullen niet langer de zorgbehoevenden zijn, maar integendeel een grote groep waar op alle vlak rekening mee zal moeten gehouden worden. Er zullen geen redenen meer zijn om ze uit te sluiten van het arbeidsproces. Ze zullen integendeel broodnodig zijn om de economie draaiend te houden in een tijd waar amper een derde van de bevolking tussen de 20 en de 55 jaar oud is. Net zoals in het gouden tijdperk na de tweede wereldoorlog de vrouwen nodig werden om de economie te blijven doen draaien, zullen we in het zilveren tijdperk de ouderen nodig hebben. Geleidelijk aan hebben werkgevers ingezien dat ze jobs moesten scheppen op maat van de vrouw i.e. met de nodige vrije tijd voor kinderen en huishouden en fysiek minder belastend. Werkgevers hebben de voordelen van vrouwen voor sommige functies geleidelijk aan ontdekt. Hetzelfde zal volgens mij geleidelijk aan gebeuren voor senioren. Men zal de meerwaarden (vnl. in termen van ervaring) van oudere werknemers op de juiste manier leren uitspelen in het productieproces en werkritmes zullen aangepast worden om de jobs aantrekkelijk te maken voor die groep. Mijn voorspelling is dat pensioensuitkeringen gebaseerd op de vroegere beroepsloopbaan zoals we ze nu kennen volledig zullen verdwijnen in het zilveren tijdperk en vervangen zullen worden door een kleinere sociale uitkering, eventueel gekoppeld aan extra-premies voor hulpbehoevende bejaarden die vrijelijk aangevuld kan worden met bijklussen. Naarmate de senioren meer economisch gewicht op zich nemen, zal de jongere generatie iets ontlast worden. Een extreem zwaar werkritme is immers niet houdbaar als men nog verwacht wordt om lang te blijven doorwerken na zijn zestigste. Het is de enige manier om ons pensioenstelsel structureel in stand te houden. De hervorming is niet van vandaag op morgen te realiseren. Het zal meerdere decennia vergen, maar de richting is duidelijk. Er moet vandaag al rekening mee gehouden worden in elke beleidsbeslissing. Bart Tommelein Bart Tommelein |
NieuwsbriefSchrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief Liberales TVContactAndreas Tirez
|
|