De ethiek van het hoofddoekje

essay vrijdag 12 november 2004

Floris van den Berg

Paradox van vrijheid

33.59 O Prophet! Tell thy wives and thy daughters and the women of the believers to draw their cloaks close round when they go abroad. That will be better, that so they may be recognized and not annoyed.(1)

‘Man enjoys the great advantage of having a God endorse the codes he writes and since man exercises a sovereign authority over woman, it is especially fortunate that this authority has been vested in him by the Supreme Being. For the Jews, Mohammedans, and Christians, among others, man is master by divine right: the fear of God, therefore, will repress any impulse toward revolt in the downtrodden female. One can bank on her credulity. Woman takes an attitude of respect and faith toward the masculine universe.’(2)

Is een hoofddoek een ethische kwestie? Ja, maar niet in de zin hoe er doorgaans over hoofddoekjes wordt gedacht. Er zijn autochtonen die zich ergeren aan hoofddoekjes. Toch is ergernis over kleding van anderen geen reden tot ethische beschouwing. Kleding is een individuele keuze. In een liberale samenleving gaan individuele keuzevrijheid en ergernis daaraan door anderen hand-in-hand. Ergernis is de individuele reactie op de (wan-)smaak en stijl van anderen. Het is een liberale verworvenheid dat ergernis niet gepaard gaat met paternalisme en sociale dwang die leiden tot sancties en ostracisme.

De hoofddoek is een ethische kwestie omdat de hoofddoek het zichtbare gedeelte is van het islamitische indoctrinatieproces. Een proces waaraan jonge kinderen worden blootgesteld. Hoofddoekjes maken deel uit van het memeplex van de islam. De hoofddoek is een keuze van de ouders, de familie. Ook moslima’s die zeggen de hoofddoek uit vrije keuze te dragen, ondergaan sociale druk: zonder islamitische familie zou de hoofddoek geen issue zijn. Omdat er vrouwen en meisjes zijn die lijden onder het juk van de islam is de hoofddoek het symbool geworden voor een veel belangrijker kwestie: moeten individuen door de overheid beschermd worden tegen religieuze indoctrinatie en een beknotting van hun rechten?

‘Wie in een democratisch land geboren is, kan niet weten hoe moeilijk het is voor iemand die in een islamitische theocratie leeft zich rechten voor te stellen die hemzelf volkomen normaal voorkomen. Ik zou het als ieder menselijk wezen hebben verdiend in een democratisch land geboren te zijn; ik heb dat geluk niet gehad en ben dus opstandig ter wereld gekomen.’(3) Aldus Chadorrt Djavann, een Iraanse vrouw die tijdens het totalitaire theocratische Iran gedwongen werd te leven volgens de Sharia en zodoende een sluier moest dragen. ‘Ik heb tien jaar een sluier gedragen. Het was de sluier of de dood. Ik weet waar ik het over heb.’ Zo begint zij haar vlammend manifest Weg met de sluier!. Djavann ergert zich aan de islamitische gemeenschap in westerse democratieën en het cordon van politieke correcte geëngageerde intellectuelen(4) , met name in Frankrijk, die met een beroep op het recht op vrijheid van godsdienst ervoor kiezen, er zelfs voor strijden, om een hoofddoek te mogen dragen. Voor Djavann is de hoofddoek symbool voor de onderdrukking van de vrouw door de islam. Onderdrukking zoals die in het theocratische fundamentalistische Iran en in Afghanistan onder de Taliban in extreme mate werd gerealiseerd. Djavann interpreteert het dragen van hoofddoeken in liberale democratieën als een protest, een verzet tegen het Westen en een pleidooi voor een islamitische samenleving. ‘Van mijn dertiende tot mijn drieëntwintigste was ik gedoemd een onderworpen moslima te zijn.’ Tien jaar lang heeft ze geleden onder de religieuze terreur van de islam in Iran. Toen vluchtte ze naar Frankrijk, de bakermat van de individuele vrijheid. Juist in Frankrijk is er beroering over de toename van hoofddoekjes, zichtbaar symbool van een islamitisch wereldbeeld. In haar manifest toont ze aan wat het mensbeeld, en met name het vrouwbeeld, is dat gepaard gaat met de islamitische kledingvoorschriften. Ze is woest over het absurde beroep op de notie vrijheid, terwijl het tegenovergestelde daarvan wordt beoogd: de islam dwingt meisjes en vrouwen tot het dragen van de hoofddoek. Er is geen sprake van autonome vrijheid.

‘Waarom moeten meisjes een sluier dragen, alleen meisjes, zestien- en veertienjarige tieners, meisjes van twaalf, tien, negen, zeven? Waarom moeten ze hun lichaam, hun haar verbergen? Wat betekent het werkelijk dat meisjes worden gesluierd? Wat probeert men hun aan te praten, in te prenten? Want uit zichzelf hebben die meisjes niet voor de sluier gekozen. Ze worden door anderen gesluierd. En hoe leef je, gedraag je je in een gesluierd tienerlichaam? Waarom wordt een moslimjongen eigenlijk niet gesluierd? Kunnen zijn lichaam en haar geen begeerte bij de andere sekse wekken? In de islam is een meisje niet geschapen om verlangens en begeerten te hebben, enkel om het voorwerp van begeerte van de man te zijn.’(5)

Ook Ayaan Hirsi Ali, afkomstig uit Somalië heeft geleden onder islamitische indoctrinatie.(6) Zij vindt het kortzichtig om met een beroep op vrijheid de hoofddoek te dragen. ‘Er spreekt in ieder geval geen mededogen uit met hun onderdrukte moslimzusters in andere landen. In die zin heeft het bijna iets wreeds.’(7) Hirsi Ali ziet de hoofddoek ook als symbool voor de onderdrukking van de vrouw. Zij pleit voor emancipatie van moslimvrouwen en wil huiselijk geweld, dat onder (islamitische) allochtonen veel meer voor komt dan bij autochtone vrouwen, bestrijden. ‘Sociaal-democratie betekent opkomen voor de zwakkeren in de samenleving. Dat zijn nu vooral de vrouwen en kinderen in moslimkringen. Ze hebben niet dezelfde grondrechten die Nederlandse vrouwen en kinderen hebben – wel op papier, maar vaak niet in de praktijk van alle dag. Dit veroorzaakt een enorm lijden, psychisch, maar ook fysiek, zoals je in wegloophuizen kunt zien.’(8) Toch kan Hirsi Ali niet op veel (openlijke) bijval rekenen van moslima’s. Ze is zelfs met de dood bedreigd, daarom wordt ze al enkele jaren bewaakt.(9) In De zoontjesfabriek verhaalt Hirsi Ali over haar eigen jeugd en ervaringen met de islam. Er komt een schokkend vrouwbeeld uit naar voren:

‘Een moslimvrouw heeft meer status naarmate ze meer zonen heeft. Als mijn oma werd gevraagd hoeveel kinderen ze had, zei ze: ‘Eén.’ Ze had negen dochters en één zoon. Dat zei ze ook over ons gezin. Dat we maar één kind hadden. ‘En wij dan?’ vroegen mijn zus en ik. ‘Jullie gaan voor ons zoontjes krijgen,’ antwoordde ze. Ik werd er wanhopig van. Wat moest ik met mijn leven op aarde? Zoontjes baren! Om hun toekomstige functie als zoontjesfabriek zo goed mogelijk te vervullen worden meisjes van jongs af geleerd zich te schikken. Naar God, vader, broer, familie, clan. Hoe beter een vrouw daarin slaagt, hoe deugdzamer ze gevonden wordt. Je moet altijd geduldig zijn, ook wanneer je man de meest vreselijke dingen van je verlangt. En daarvoor word je beloond in het hiernamaals. Maar die beloning stelt weinig voor: Voor vrouwen zijn er in het paradijs dadels en druiven. Verder niets.’(10)

In 1997 publiceerde Pim Fortuyn een boek over de islam in Nederland Tegen de islamisering van onze cultuur waarin hij zijn zorgen uit over het botsende karakter van de islam met de liberaal-democratische waarden van de Nederlandse rechtstaat. ‘Voor een ieder die wil zien, is duidelijk zichtbaar dat veel islamitische vrouwen worden gehinderd zich te ontplooien in het publieke domein. Het dragen van lange jurken en hoofddoekjes is heel wat minder onschuldig dan het lijkt.’(11) Met ‘voor een ieder die wil zien’ geeft Fortuyn aan dat de onderdrukking van de vrouw door de islam niet door iedereen zo wordt gezien of ervaren. Toch is wel duidelijk dat een er voor een islamitische vrouw minder ontplooiingsmogelijkheden zijn dan voor niet-islamitische vrouwen. Niet alle moslima’s zullen dit gebrek aan vrijheid betreuren, maar de liberaal, in dit geval Fortuyn, maakt zich zorgen om die moslima’s die zich wèl willen ontplooien en die worden tegengewerkt. ‘Deze vrouwen blijven daardoor steken in een sociaal isolement, in elk geval ten opzichte van mannen in het algemeen en ten opzichte van mannen van oorspronkelijk Nederlandse afkomst in het bijzonder. Het is een grote hindernis voor culturele, mentale en sociale integratie. Aan economische integratie komen dergelijke vrouwen niet eens toe.’(12) Fortuyn pleit ervoor om de emancipatie van moslims te bevorderen door een Verlichtingsproces. De staat heeft, volgens hem, de taak om individuen te beschermen tegen inperking van zijn of haar ontplooiingskansen. Fortuyns pleidooi staat haaks op het door de Nederlandse overheid gevoerde multiculturele beleid van integratie met behoud van eigen identiteit en cultuur. Inmiddels lijkt het tij iets gekeerd en worden er onder andere verplichte inburgeringscursussen aangeboden.

‘Emancipatie is een recht van iedere ingezetene en we hebben de plicht dat met kracht te bevorderen, ook indien het islamitische vrouwen en mannen betreft. Het is een culturele verworvenheid waar ook zij recht op hebben, waar veel strijd voor is gevoerd, waar veel voor is geleden en die ons de vrijheid heeft gebracht onszelf te ontplooien naar onze mogelijkheden en geaardheid. Een verworvenheid om uit te dragen en zo nodig met kracht te verdedigen.’(13)

Ook Ayaan Hirsi Ali vindt dat de overheid op moet komen voor de rechten van de zwakkeren: ‘We moeten de feiten onder ogen zien en migranten geven wat ze in hun eigen cultuur niet hebben: individuele waardigheid(14). De jonge moslimmeisjes in Nederland, die het licht in hun ogen nog hebben, hoeven niet hetzelfde door te maken als ik.’(15)

Een andere reactie op islam en emancipatie en in het bijzonder het Franse hoofddoekjesverbod komt van de Iraanse Marjane Satrapi. Net als Djavann is ook Satrapi gevlucht naar Frankrijk vanuit Iran waar zij heeft geleden onder het juk van de islamitische terreur. Satrapi maakt stripverhalen, de Persepolis-reeks, over haar ervaringen in Iran. Toch is Satrapi tegen het Franse hoofddoekjesverbod op scholen, maar puur op pragmatische gronden: ‘Laten we ervan uitgaan dat je familie je dwingt om die hoofddoek te dragen. Dan heb je dus al de pech dat je in een dergelijke familie terecht bent gekomen. Vervolgens mag je niet vanwege je hoofddoek naar school: dubbel pech. Je familie vindt dat helemaal niet erg, die vond het toch al niks dat je naar een gemengde school ging en ziet je liever op je zestiende getrouwd met een onbekende neef uit het land van herkomst en dertien kinderen krijgen: driedubbel pech. En dit alles terwijl de jongens die je lastigvallen omdat je geen hoofddoek draagt gewoon op school blijven zitten zieken. Dat is toch belachelijk! Als zo’n meisje al een kans heeft op redding en emancipatie heeft dan is het via het onderwijs. Gun haar die kans!’(16) Satrapi meent dat toegeven aan de islamitische druk, door het toestaan van hoofddoekjes op school, de beste remedie is tegen de onderdrukking van meisjes. Het liefst zou ze helemaal geen hoofddoeken zien, maar, als het niet anders kan, dan moet het maar. Zo is haar strategie.

Is het gerechtvaardigd om vanuit pragmatisch oogpunt intolerantie te tolereren? In een liberale democratie moeten meisjes naar school. En als er een hoofddoekverbod is, moeten ze naar school zonder hoofddoek. De onderwijsinspecteur moet streng toezien dat de meisjes daadwerkelijk vrijelijk naar school gaan. Evenals de scholen zelf. De scholen moeten er alles aandoen om (verbaal) geweld door (islamitische) jongens te voorkomen. Er moeten vertrouwenspersonen komen waar meisjes kunnen melden als hun wat wordt aangedaan. Het onderwijs moet daarom strikt seculier zijn en zich actief inzetten voor emancipatie (van vrouwen, homo’s, atheïsten, joden). De liberale staat, kortom, moet het aandurven om voor onderdrukte individuen op te komen. Ze moet kiezen voor de individuen, niet voor de groep. ‘Multiculticulturalism is bad for women’(17).

In de Franse banlieus, de voorsteden van de grote steden, de getto’s waar geen blanke zich durft te vertonen, is het probleem veel ernstiger dan de problematiek van hoofddoekjes op school. Er is daar sprake van terreur jegens vrouwen. De Franse vrouwenbeweging ‘Ni putes ni soumises’(18) probeert hier verandering in te brengen, door voorlichting te geven op scholen, opvangtehuizen in te richten en het geweld tegen vrouwen onder de aandacht van de politiek te brengen. In de wijken heerst armoede en grote werkloosheid. De allochtonen zitten er bij elkaar gepakt. Het is zo een broeinest voor geweld. Achterlijke tradities en de islam kunnen er welig tieren onder invloed van fundamentalistische imams. De mensen in de getto’s zitten in een belabberde situatie, maar ze maken het zichzelf moeilijk door zich gewelddadig te gedragen en door (hun) vrouwen te terroriseren. Arm en werkloos is geen reden om je te misdragen(19). Dat er een enorme cultuuromslag nodig is blijkt uit de opmerking van een getto jongen: ‘Verkrachting is toch geen misdaad?’(20)

‘Muslims are the first victims of Islam. Many times I have observed in my travels in the Orient, that fanaticism comes from a small number of dangerous men, who maintain others in the practice of religion by terror. To liberate the Muslim from his religion is the best service that one can render him.’

Dat is het treffende openingscitaat van Warraqs Why I am not a Muslim. Vrouwen en meisjes zijn de voornaamste slachtoffers van de islam, zoals ook Hirsi Ali betoogt en Satrapi verbeeldt in haar strip over de religieuze politie in Iran die toeziet op de kleding en het gedrag van vrouwen. Om te voorkomen dat een ‘slachtoffer-ideologie’ invloed (terreur) kan uitoefenen, zou de staat een seculiere koers moeten varen. Intellectuelen moeten zich daarom (blijven) keren tegen religie. De vrijzinnigen zijn een sta-in-de-weg, een cordon van welwillendheid, rondom een totalitaire kern van fundamentalisten. Seculier kosmopolitisme biedt een betere bescherming van individuen. De (ethische en epistemologische) strijd tegen religie wordt nu gevoerd aan de hand van hoofddoekjes van jonge meiden. Het is zaak de kern niet uit het oog te verliezen: wat is waarheid en wat is het goede leven en de goede samenleving?

De Française Hamida Ben Sadia (21), van Algerijnse afkomst, zet zich in Frankrijk in voor de rechten van (moslim) vrouwen. Zijzelf werd op zestienjarige leeftijd in Algerije uitgehuwelijkt, terwijl ze haar hele leven in Frankrijk had gewoond. Dertien jaar lang leidde ze ‘het typische huisarrest-bestaan van de gemiddelde Algerijnse vrouw’. Met veel moeite is het haar gelukt van haar man te scheiden en naar Frankrijk te gaan, haar kinderen moest ze achterlaten. Toen haar ex-man overleed konden ook de kinderen naar Frankrijk komen. Net als Satrapi heeft zij een pragmatisch uitgangspunt: het beschermen en emanciperen van (moslim)vrouwen. Zij meent dat dat kan via de religie: ‘Ik ken tal van moslimorganisaties die fantastisch werk doen onder de jeugd, naar het voorbeeld van de verheffing, ooit, van de arbeiders door katholieke organisaties. Ik ben zelf overtuigd universalist en niet gelovig, maar als de emancipatie via het geloof loopt, kan ik daar onmogelijk tegen zijn.’ ‘Onder het mom van gelijkheid voor allen en van bescherming van haar kinderen dreigt de Republiek de kwetsbaarste onder hen van scholing te beroven en terug te drijven in de armen van hun ‘agressors’. Om een lap stof bewerkstelligt de Staat wat hij zegt te willen bestrijden: sectarisme, onwetendheid, discriminatie.’ Ik heb hierover twee opmerkingen. In de eerste plaats is het een empirische kwestie hoe vrouwen het best beschermd en geëmancipeerd kunnen worden. Als de overheid niet in staat is om de onderwijsplicht van meisjes te garanderen, doordat de familie de meisjes verbiedt om naar school te gaan als ze geen hoofddoek mag dragen, dan is de pragmatische oplossing een goede manier. Het gaat erom individuele vrouwen zo goed mogelijk te beschermen (tegen mannen met een vrouwonvriendelijke attitude, ingegeven door cultuur én religie)(22). Mij dunkt dat emancipatie via religie geen goede strategie is, omdat de religie zo’n grote mate van discriminerend en onderdrukkend gedrag jegens vrouwen kan rechtvaardigen en stimuleren, zoals in Iran, Afghanistan en Algerije. Mijn andere punt betreft religieuze charitatieve organisaties. Ook hierin neemt Ben Sadia, de universalist, een pragmatisch standpunt in: als ze goed werk doen, is het goed. Maar, zoals Blackmore ook zegt (23), de koppeling van goede daden aan een religie is een versterkende factor daarvoor. Altruïsme werkt als een katalysator voor het memeplex van de religie. Het betreft dan ook niet alleen hulpverlening, maar óók de overdracht van de islam zelf, door moskeeën, koranles, et cetera. Zoals de christelijke missie en zending medische en voedselhulp koppelt aan evangeliseren. Het is niet zo dat religieuze charitatieve instellingen hun religie verzwijgen. Het is een middel om het geloof uit te dragen. Met het goede komt het slechte mee. Mij komt het over als het binnenhalen van het paard van Troje.

Het is typerend dat de argumenten voor het dragen van de hoofddoek zelden religieus van aard zijn, in de zin van: ‘Ik draag een hoofddoek omdat het moet van mijn religie.’ Of: ‘Ik draag een hoofddoek omdat het in de Koran staat’. Het volgende zegt een (Nederlands) Turkse vrouw die studeert aan de Islamitische ‘Universiteit’ in Rotterdam: ‘Daarmee [met het dragen van een hoofddoek] wil ik laten zien dat ik hersens heb, niet alleen mooie haren. Mooie haren leiden af van wat ik te zeggen heb.’(24). Een ander Turks meisje zegt hetzelfde: ‘Haren maken een vrouw aantrekkelijk; zonder hoofddoek verleid je mannen, dat wil ik niet. Alleen mijn toekomstige man mag mijn haren zien, pas als we getrouwd zijn.’ Dit is geen religieus argument, het is een persoonlijke opinie, die echter wel past binnen de islam. Het is een rationalisatie van een contingent gebod. Niemand wil graag worden beticht van irrationeel of volgzaam gedrag, dus leidt dat tot dergelijke kronkels. Als mooie haren afleiden van de boodschap dan zijn er ook andere opties, zoals een lelijk kapsel, kaal scheren, een muts. Ook is het raar om te veronderstellen dat je een boodschap wilt uiten als je bijvoorbeeld boodschappen doet. Als een vrouw een lezing geeft, en ze heeft prachtige haren, en ze wil niet dat mensen (mannen) daardoor niet luisteren naar wat ze te zeggen heeft, dan is een hoofddoek misschien een optie. Maar als je als vrouw met hoofddoek boodschappen doet, dan draag je constant een boodschap uit, namelijk: ik ben moslima. Ook wordt er de volgende metafoor genoemd ter verdediging van de hoofddoek: ‘Een edelsteen leg je ook niet zomaar op tafel, je legt hem in een doosje om te beschermen. Zo moet een vrouw haar schoonheid beschermen.’ Ik neem aan dat deze moslima’s nog nooit in Londen geweest zijn waar ’s werelds meest befaamde diamanten, de kroonjuwelen, in het spotlicht voor iedereen van zeer dichtbij te bewonderen zijn. Vele vrouwen houden er ook van hun juwelen te dragen als zij uitgaan, in publieke ruimtes zijn. De metafoor gaat niet op. Misschien dat in de moslimgemeenschap edelstenen in doosjes weggestopt bewaard worden. In ieder geval heeft de metafoor heeft geen kracht naar buiten toe.

Op de discussieruimte op www.islamenburgschap.nl meldt ene Saffia het volgende over ‘Zelfrespect en hijab’: ‘Waarom klagen zoveel ( niet-moslims ) over de hoofddoek ? en over de klederdracht van de moslim ? persoonlijk denk ik dat wij moslims de niet-moslims onbehaaglijk laten voelen omdat de meeste nederlandse vrouwen hun best doen om zo veel mogelijk respect te krijgen door een zo kort mogelijk mini-rokje te dragen waaronder een miniscuul slipje, een naveltruitje en het liefst een zo diep mogelijk decoletee, zoveel mogelijk make-up , alles om de andere sexe te flirten en dan boe en aah roepen dat hier in het westen 1 op de 4 vrouwen bij de geboorte gegarandeert is op minimaal 1 verkrachting of aanranding, hetzij door pa zelf, oom, broer buurman of ander gewillige "vlees-keurder ". sober en beschaafd gekleede moslims, die zich geheel bedekken worden niet lastig gevallen, ik ben zelf een bekeerde moslima en ik weet hoe mannen mij direct met rust lieten zodra ik mijn hoofddoek ging dragen en mij Islamitisch ging kleden. Ik vind het jammer dat zoveel vrouwen, naar mijns inziens zich zoveel ellende op hun hals laten halen om het de mannen in hun maatschappij maar gewillig en zonder nadenken toestemming geven om hen zo te laten bekijken. Ik voel me als moslim vrouw veel zelfverzekerder en meer gerespecteert dan ooit daarvoor.’ (10-23-2003)

Ook dit is geen religieus argument, maar een aanklacht tegen opdringerig seksueel gedrag van mannen, ook moslimmannen blijkbaar. In de eerste plaats stelt Saffia dat niet-moslim vrouwen zich bewust zo kleden als om mannen te verleiden. Dat is onzin. Maar, zelfs als het zo was, zelfs als vrouwen zich wel uitdagend en erotisch zouden kleden, dan nog is dat de keus van de vrouw en is dat geen expliciete toestemming om haar seksueel te bejegenen. Als het zo is dat er veel seksueel geweld is tegen uitdagende geklede vrouwen, dan is dat zaak daar hard tegen op te treden. Dat kan op twee manieren. In de eerste plaats via het strafrecht. Aanrandingen en verkrachtingen, maar ook seksuele intimidatie moeten bestraft worden. Maar belangrijker is om mannen te leren zich fatsoenlijk te gedragen, dat wil zeggen dat seksuele handelingen alleen toegestaan zijn wanneer er wederzijdse toestemming is. Dat vergt een liberaalhumanistisch mensbeeld. Mijn stelling is dat met name islamitische mannen, of allochtoonse mannen uit zeer bekrompen culturen, niet of moeilijk om kunnen gaan met de vrijheid van vrouwen om zich, als ze dat wensen, erotisch uitdagend te kleden, of, bijvoorbeeld, topless te zonnen. Vrijheid komt van twee kanten. Vrijheid van de een vergt zelfbeheersing van de ander. Je mag denken wat je wilt, maar je mag een ander nooit schade berokkenen. Saffia gaat uit van een seksueel geobsedeerde man-vrouw verhouding, waarin vrouwen verleiders zijn die zichzelf zouden moeten beschermen tegen mannen die zich niet kunnen bedwingen. Als Saffia haar zin zou krijgen, en grote groepen vrouwen zouden een hoofddoek en andere verhullende kleding dragen, dan lijkt het alsof de vrouwen die zichzelf niet verhullen daar bewust voor kiezen en zodoende lijkt dat, in de ogen van mannen die voor hoofddoeken zijn, een vrijbrief voor seksuele bejegening. Emancipatie moet van twee zijden komen, maar met name van de mannen. De vraag is of Saffia haar hoofddoek zou afleggen in gezelschap van geciviliseerde mannen, of heeft ze een achterdocht tegen alle mannen? Ze noemt zichzelf een ‘bekeerde moslim’, dus heeft de hoofddoek wel degelijk met de islam te maken, maar ze geeft er geen religieuze argumenten voor. Het is altijd warrig en incoherent (per definitie) als mensen hun gedrag een religieuze fundering proberen te geven.

Op de website van het project ‘hoofddoekdiscriminatie’ (www.hoofddoek.tk) wordt een beroep gedaan op de vrijheid van godsdienst, maar er wordt ook melding gemaakt van een religieuze plicht: ‘Wij vinden dat bij het besluit om een hoofddoek te gaan dragen iedere vorm van dwang door de omgeving uit den boze is. Het gaat hier om een religieus voorschrift waaraan een vrouw zich uit innerlijke overtuiging moet onderwerpen.’Die laatste zin is beangstigend. Er is sprake van het algemene ‘een vrouw’, waarmee vaag alle vrouwen lijken te worden bedoeld, die zich ‘uit innerlijke overtuiging’ MOET onderwerpen. De vraag is waar dat gebod op berust. Het is in ieder geval niet liberaal. Op dezelfde website staat de volgende tekst, waarin de Koran wordt geciteerd en waarin wordt geschipperd tussen gebod en vrije keuze:

De hoofddoek, een islamitische plicht? De heilige Qor'aan als openbaring van God is de primaire bron van de islam. De soenna (levenswijze van de Profeet Mohammed) als tweede bron vult de Qor'aantekst aan en verduidelijkt hem. De religieuze plichten waaraan iedere moslim zich dient te houden zijn voornamelijk uit deze beide bronnen afkomstig. Door de openbaring van hoofdstuk 33, vers 59 van de Qor'aan werd de bedekking van de aantrekkelijke lichaamsdelen tot een religieuze plicht. Moslima's werden vanwege de bedekking van hun lichaam (met uitzondering van gezicht, handen en voeten) als vrije, gelovige vrouwen herkenbaar, wat hen tegen aanranding door 'ongelovige' inwoners van Medinah beschermde. "O Profeet! Zeg tegen je vrouwen en je dochters en de vrouwen van de gelovigen dat ze hun overkleden (jalabieb, enkelvoud jilbaab) over zich heen trekken. Daardoor zullen ze herkend worden en niet worden lastig gevallen." De hoofdbedekking van islamitische vrouwen is derhalve geen culturele aangelegenheid, maar uitdrukking van haar religieuze overtuiging. Wel kan de verschijningsvorm cultureel bepaald zijn en ook de hoofddoek is onderhevig aan mode. Binnen de familiekring en een bepaalde groep verwanten en onder vrouwen mag een moslima zich volgens hoofdstuk 24, vers 31 van de Qor'aan zonder hoofdbedekking laten zien. In het gezelschap van 'vreemde' mannen (d.w.z. mannen met wie ze theoretisch zou kunnen trouwen) mag ze alleen mét hoofdbedekking verkeren.

Er bestaat onder de geleerden van alle islamitische rechtscholen consensus over dat het dragen van een hoofddoek voor moslima's die de puberteit hebben bereikt verplicht is. Daarbij moet de vrouw er ook op letten dat haar overige kleding zo is dat haar lichaamsvormen niet worden geaccentueerd. Als een vrouw uit religieuze overtuiging een hoofddoek draagt, is dat een individuele keuze. Een vrouw dwingen tot het dragen van een hoofddoek is net zo zinloos als iemand dwingen in de Ene God te geloven.

Kortom, het is een individuele keuze die tegelijkertijd een religieuze plicht is: je hebt als moslima de keuze om je aan een verplichting te houden. Dit is tenminste een eerlijk religieus argument: het staat in de Koran en daarom moet het. Dit is een vorm van de goddelijke gebodtheorie. Trouwens, je kunt iemand wél dwingen in ‘de ene God’ te geloven, dat is precies wat er gebeurt als ouders het virus (meme) van god overdragen aan hun kinderen. Die dwang wordt kennelijk niet altijd onderkend. De vraag of de overheid een regeling moet treffen met betrekking tot het verbieden van bepaalde kleding op sommige plaatsen die voortkomt uit een levensovertuiging is een casus waarin fundamentele uitgangspunten over de rechtstaat, democratie, liberalisme, vrijheid en levensbeschouwing aan de orde zijn. Het hoofddoekje is een duidelijk zichtbaar fenomeen in de publieke ruimte aan de hand waarvan een fundamenteel debat over problemen van het samenleven aan de orde kan komen.

Het hoofddoekjesvraagstuk is een harde dobber voor een liberale samenleving waar individuele vrijheid hoog in het vaandel staat. Het probleem is als volgt. De draagsters van een hoofddoek kunnen zich te allen tijde beroepen op hun vrijheid om hun godsdienst te uiten. Er bestaan bijna geen wettelijke beperkingen op het dragen van kleding, alleen op het niet dragen ervan en, volgens mij, op het dragen van haatuitdragende symbolen zoals het Swastika teken (25). Een liberale staat, een open samenleving, wil burgers zo vrij mogelijk laten om te doen en laten wat ze willen en om zich te kleden hoe ze maar willen. Kledingvoorschriften en (informele) tradities over het uiterlijk hebben heel lang belemmerend gewerkt, zoals dat mannen geen lang haar mochten hebben, de verplichte stropdas, het taboe van de broek voor de vrouw, het taboe van de rok voor de man (behalve in de RK traditie en de ambtelijke toga) en recentelijk nog het taboe op piercings en tattoos. De (religieus) culturele druk tot het confirmeren aan vrij beperkte kleding- en gedragscodes was tot in de jaren zestig van de vorige eeuw erg groot. De vrijheid om met je uiterlijk te doen wat je wilt is in Nederland anno nu erg groot. Zelfs in de werksfeer is er, in vergelijking tot andere landen, een grote mate van vrijheid. Als we de hoofddoek in deze traditie plaatsen, het recht om je te kleden zoals je wilt, dan is er geen enkele reden waarom de overheid zich speciaal met de hoofddoek zou moeten bemoeien en niet met bijvoorbeeld rastahaar, skinheads of punkers (mowhawks).

Of er altijd wel sprake is van een reële keuzevrijheid van moslimmeisjes en moslimvrouwen om uit eigen vrije wil een hoofddoek te dragen daarover bestaat in liberale kring gerede twijfel. Het dragen van de hoofddoek past in de islamitische traditie. Er bestaat weliswaar geen totale consensus over of de islam het dragen van een hoofddoek voor meisjes vanaf hun eerste menstruatie gebiedt, maar wel is duidelijk dat zonder de islam er geen hoofddoeken gedragen worden op zo’n manier. In de jaren vijftig is er even een mode geweest onder (christelijke) vrouwen om buitenshuis hoofddoekjes te dragen, maar dat was een modeverschijnsel dat van korte duur was. Er was bovendien geen enkele verplichting tot het dragen ervan. Er is zodoende onderscheid tussen loze kledingconventies (stropdas, het dragen van hoofdbedekking buitenshuis, alleen boeren dragen soms nog een pet, terwijl vijftig jaar geleden alle mannen buitenshuis hoofdbedekking droegen) en kledingvoorschriften op basis van een levensbeschouwing. In die laatste categorie moet dan weer onderscheiden worden de individuele levenshouding, zoals het type; de gothic, punker, skinhead, skater, kakker, et cetera, dit betreft het zoeken van (meestal) jongeren naar een identiteit, die vaak afwijkt van die van de ouders. En, anderzijds, de kledingvoorschriften waarbij er sprake is van dwang van de ouders en de sociale groep op basis van levensbeschouwelijke regels. In Nederland zijn er nog de orthodoxe gereformeerden waar kledingvoorschriften gelden als lange rokken voor de vrouwen en geen make-up, platte schoenen, taboe op de spijkerbroek. De hoofddoek kan in deze laatste categorie vallen.

Als kleding communicatie in de weg staat kan dat in bepaalde gevallen aanleiding geven tot voorschriften. Het gaat dan met name om gezichtsbedekking, zoals de sluier. Het communiceren op school, tijdens de les, verloopt met een sluier moeizaam en daarom kan de sluier in deze situatie verboden worden. Op pasfoto’s is het tegenwoordig toegestaan om een hoofddoek te dragen, maar geen sluier. Toch werkt dit misbruik in de hand, omdat de mate van herkenbaarheid afneemt. Dat gaat ten koste van het doel van een pasfoto (26). Als het gaat om communicatie en herkenbaarheid van burgers dan is een verbod op de gezichtsluier en zelfs de hoofddoek (in het geval van de pasfoto) liberaal verdedigbaar.

Middelbare scholen worstelen met de vraag wat te doen met meisjes die hoofddoekjes dragen en met name meisjes die hun gezicht (met de nichaab) of zelfs hun hele lichaam verhullen (met de chador). Schoolreglementen passen zich meestal post hoc aan aan de laatste modegrillen van pubers. Zo moeten er regelingen zijn over discmans en mobiele telefoons. Ik neem aan dat er op middelbare scholen een verbod geldt op het aanstaan van telefoons en MP3 players in ieder geval tijdens de les. Als een school zou besluiten in het schoolreglement bepalingen hieromtrent op te nemen zou dat niet uitmonden in een nationale discussie. Een probleem was er wel met de zogenaamde ‘bomberjacks’, de jassen van skinheads. Deze skinheads hebben een speciale kledingcode met onder meer kistjes en het beruchte jack met een Nederlands vlaggetje. Het probleem is dat skinheads bekend staan om hun buitenlanderhaat en fascisme en zelfs neo-nazistische inclinatie. In Duitsland zijn de skinheads berucht vanwege het molesteren van buitenlanders. Mogen scholen deze kledingdracht verbieden? In ieder geval is dat verbod er gekomen. Het argument zou kunnen luiden dat er een algemeen bekende samenhang is tussen de kledingdracht en buitenlanderhaat en dat zodoende deze kleding haatzaaiend is. Wie op dit pad gaat komt op een ‘slippery slope’. Sommige rap- en rockmuziek heeft ook politiek incorrecte teksten, moet dit ook worden verboden, net als het dragen van shirts of parafernalia van de bewonderde popster? Michael Jackson is een (vermeende) pedofiel – is hij daarom taboe? Het lijkt een uitweg om dan maar te zeggen: anything goes, behalve als het het lesgeven belemmerd, maar intuïtief lijkt het toch niet door de beugel te kunnen als pubers in KKK outfit verschijnen of met een hakenkruisarmband.

Een mogelijke oplossing zou zijn om of alle mogelijke symbolen te verbieden en alleen neutrale kleding te gedogen, maar dan heeft de conciërge een moeilijke taak, eindeloos discussiëren met pubers, of het schooluniform. Wat je zou willen, de utopie van de liberaal, is dat mensen, pubers, zich vanuit zichzelf, onder toeziend oog van hun ouders, ethisch neutraal of in ieder geval niet ethisch aanstootgevend kleden. Dan bedenk ik echter weer moeilijkheden. Wat te denken van bijvoorbeeld stickers van het dierenbevrijdingsfront of de Nederlandse Vegetariërsbond? Dat zijn groeperingen die ethisch te verdedigen praktijken voorstaan, maar die niet algemeen aanvaard zijn en dus als aanstootgevend ervaren kunnen worden. Als ethicus ben ik geneigd om symbolen of referenties naar ethische standpunten inhoudelijk te beoordelen, dus het een wel (NVB, Green Peace) en het ander niet (bomberjack, Mao, hoofddoek, kruisketting). Toch kunnen scholen sommige kledingvoorschriften opnemen in hun reglementen zonder dat het opzien baart. Het schijnt dat in Rotterdam bijvoorbeeld Antilliaanse meisjes te weinig aan hebben naar de zin van de leraren. Hun naveltruitjes zijn te kort. Ze dragen erotisch uitdagende kleding in de klas. De school zou hierover algemene bepalingen kunnen opnemen, al zou ik niet zo gauw zien hoe. Liever weer een geïnternaliseerde fatsoensnorm dan uitgebreide verbods- en gedragsbepalingen (27).

De roep om herstel van normen en waarden, zoals voorgestaan door CDA premier Balkenende, doet precies dat: appèleren aan individueel fatsoen en sociaal gedrag. Natuurlijk moeten er basale gedeelde normen en waarden zijn, en volgens mij is een cultuur waarin door de staat niet gestreefd wordt naar een multicultuur, maar naar een monocultuur, daarvoor de beste methode. Bijzonder onderwijs geeft verschillende (religieuze) ideologieën kans om zich sterk te maken, ook de islam die zich ten principale verzet tegen een scheiding tussen kerk en staat. Via een analyse van schoolreglementen kom ik uit bij een veel fundamentelere vraag: wat is een liberale staat? (28). Als er verbodsvoorschriften worden gemaakt dan veroorzaken verboden die botsen met religieuze voorschriften een veel grotere ophef dan andere verboden. De vrijheid van godsdienst zoals die in de grondwet en zelfs in de mensenrechten (UVRM, EVRM) is vastgelegd is hiervoor een obstakel. Ook heeft religie te maken met een collectief beleefde identiteit van mensen. Hoe sterker de beleefde identiteit (‘Ik ben een moslim’), hoe meer moeite er gedaan zal worden te volharden in het gedrag.(29)

Als een hoofddoek door ouders en de sociale omgeving aan hun minderjarige dochters wordt opgelegd dan is er sprake van dwang. Om een dergelijk gedrag te rechtvaardigen kan dan een beroep worden gedaan op het recht van de vrijheid van godsdienst, hetgeen dan zoiets wil zeggen als ‘het recht om mijn kinderen te indoctrineren in aantoonbaar onjuiste en onrechtvaardige opvattingen’. De angel van de discussie over godsdienstvrijheid zit erin dat de juridische documenten, de grondwet en de UVRM, expliciet melding maken van de vrijheid van godsdienst. Er staan tal van andere rechten in maar in geval van tegenspraak is er toch een patstelling. Het recht op vrijheid van godsdienst heeft verstrekkende gevolgen. Als een bridgevereniging zou beslissen dat ze eigen scholen zouden willen met extra aandacht voor bridge en dat kinderen verplicht zouden zijn een kaartlogo te dragen en de meisjes rood geruite jurken, dan zou iedereen zeggen: ‘Doe niet zo gek! Dat is belachelijk!’ Maar doordat religie in een speciale niche geplaatst is door de lange traditie met speciale voorrechten worden dergelijke eisen (kledingvoorschriften, onderwijs op religieuze grondslag) door religieuze verenigingen zonder slag of stoot door de maatschappij geaccepteerd en zijn die voorrechten zelfs in de grondwet gecodificeerd. Pas als het recht op godsdienstvrijheid uit de belangrijke juridische documenten zou worden verwijderd kan de discussie over de rol van godsdienst in de openbare ruimte en het onderwijs goed gevoerd worden.

Moslima’s die furieus zijn op de suggestie dat de hoofddoek verboden zou kunnen worden roepen om het hardst dat het een autonome keuze betreft. Djavann velt een hard oordeel over hen: ‘En de aanstellerij van de jonge grietjes die in het westen voorstander zijn van de sluier, is een aanmoediging tot onderdrukking van alle vrouwen die in de islamitische landen met gevaar voor hun leven proberen aan de totalitaire greep van de hijab te ontkomen.’(30) Het hoofddoekverbod in Frankrijk betreft alleen het dragen van opzichtige religieuze symbolen op scholen, niet op universiteiten waar volwassenen zelf een autonoom oordeel geacht worden te kunnen nemen aangaande hun religieuze overtuiging. Het idee is dat kinderen de ruimte moeten krijgen zich los van ouders te kunnen ontwikkelen in vrijheid en, als ze volwassen zijn, een weloverwogen keuze kunnen maken. Moslima’s brengen dan te berde dat ze met zestien zelf ook heus wel een dergelijke beslissing kunnen nemen. In tal van islamitische landen is de hoofddoek verplicht. Het is wrang dat mensen zelf kiezen voor een symbool van onderdrukking waar in andere landen onder geleden wordt, zoals bijvoorbeeld in Iran en Algerije.(31) Voor een liberaal is het haast niet voor te stellen dat iemand geen prijsstelt op vrijheid, als een slaaf die niet vrij wil zijn. Toch zegt een (Nederlands) Turkse tiener die in een Turks internaat zit dit: ‘Ik heb geen behoefte aan evenveel vrijheid als veel Nederlandse meisjes hebben.’(32)

Nederlandse liberale intellectuelen, zoals Herman Philipse, Ayaan Hirsi Ali, Paul Cliteur en (een deel van) de Franse intelligentsia (33), maken zich zorgen over de dwang die aan meisjes wordt opgelegd om een hoofddoek te moeten dragen. Zo zijn er in Nederland islamitische scholen waar het dragen van hoofddoeken verplicht is, zoals er gereformeerde scholen (en zelfs bejaardentehuizen) waar het dragen van rokken voor vrouwen verplicht is, vanuit een religieuze (waan)overtuiging. Die dwang is de liberalen een doorn in het oog. Maar nog veel erger is het vrouwbeeld wat in de islamitische en/of Arabische cultuur wordt uitgedragen. De vrouw wordt gezien als een lustobject dat beschermd moet worden tegen de ongeremde seksuele driften van mannen door zich a-seksueel te verhullen. Terzijde: dit klopt niet met de praktijk van vele sexy moslima’s in Nederland die weliswaar met hoofddoek, maar hooggehakt, met make-up, sieraden, kleurige gewaden en vrolijke blik over straat gaan. Zij gaan dus voorbij aan het doel van hun eigen traditie die hen juist doet besluiten om een hoofddoek te dragen. Een chador voldoet veel beter. Wie in chador gekleed gaat verliest al haar aantrekkelijkheid. Voor de vrouw geldt, volgens de gangbare interpretatie van de islam, dat ze als (aantoonbaar) maagd het huwelijk in moet, verplicht met een moslimman. Voor een man geldt dat niet. Broers moeten letten op het gedrag van hun zussen.

Van een autonoom individu die kan gaan en staan waar ze wil en haar leven naar eigen goeddunken inrichten komt weinig terecht als de druk van de familie met de islam als smeermiddel zo sterk is. In wellicht alle religieuze tradities is er sprake van een dubbele moraal, een voor mannen en een voor vrouwen. De moraal voor vrouwen is strenger en door de mannen opgelegd (34). Eerwraak is een zaak van mannen tegen vrouwen. De liberalen willen individuen, en met name de slachtoffers, de kinderen, de vrouwen, bevrijden uit onderdrukkende tradities. Dat de moslims wel en de orthodoxe gereformeerden en orthodoxe (pijpenkrul) joden niet deze aandacht kregen is een tekort van de liberalen: deze relatief kleine groepen blijven grotendeels uit het zicht van het publieke domein en zijn nogal in zichzelf gekeerd. Een hoofddoek valt op en daarom is dat een casus geworden. Als, bijvoorbeeld, de Scientologists, die ondanks hun naam net zulke irrationele dogma’s aanhangen en gedragsvoorschriften (cursussen en financiële bijdragen) hebben als andere religies, besloten hadden dat alle vrouwen van jongs af aan hun tanden zwart moesten verven dan was er nu een zwarte tanden debat geweest.

In hoeverre kan en moet de overheid zorgen dat kinderen zich kunnen ontplooien tot autonome burgers die zelfstandig kunnen beslissen al dan niet tot een bepaalde levensbeschouwing te komen?(35) Hier zit ook een wrijving tussen enerzijds democratie als een systeem van de meerderheid beslist en de liberale rechtstaat anderzijds die beperkingen stelt aan wat beslist mag worden. Het helpt waarschijnlijk om een wat afstandelijker visie te nemen en om niet direct te kijken naar hoe het zit met de politieke en juridische context. Een literair-filosofisch perspectief houdt in dat je je in andere posities inleeft, een vorm van een gedachte experiment zoals dat bij John Rawls voorkomt. Kun je rationeel willen dat je je niet naar vrije wil zou kunnen ontplooien?(36) Kun je rationeel willen dat je een tweede rangsburger (vrouw, homo, gehandicapte, atheïst) bent? Kun je rationeel willen dat je in een achterstandspositie terecht komt? Stel, je stijgt uit boven de wereld en beziet de wereld vanuit ‘gods perspectief’. Als je je dan inleeft in de verschillende mogelijkheden, door het misschien steeds een poosje te proberen, zou je wellicht inzien dat je in de ene situatie veel meer vrijheid en keuzemogelijkheden hebt dan in andere en dat de ene positie veel plezieriger voelt dan de andere. Dit is allemaal een gedachte-experiment en je moet flexibel willen zijn om dat te doen, maar als je het doet zie je gelijk de onredelijkheid van veel opvattingen, rituelen en gebruiken, waarbij een bepaalde groep beperkt wordt in de vrijheid.

Veel cultureel en religieus gedrag is slachtofferpolitiek, het sanctioneert dat er slachtoffers zijn doordat het via een levensbeschouwing de sympathie beperkt tot een selecte groep (37). Religie, etniciteit, taalgroep, huidskleur zijn factoren die meespelen in de bevooroordeling van de eigen (sub)groep, en vaak lopen verschillende groepen door elkaar. Zo zijn moslims, vaak, antihomo en anti-joods en tegelijkertijd hebben ze een onderdrukkende houding tegenover moslimvrouwen. De moslimcultuur, met andere woorden, draait om het perspectief van de volwassen moslimman die het hoofd is van zijn gezin. De heteroseksuele moslimman staat in een bevoorrechte positie. In verreweg de meeste culturen komen mannen of bepaalde groepen mannen (aristocraten) er het beste vanaf in de zin dat ze meer vrijheden hebben en meer zeggenschap hebben over de levens van vrouwen. De positie van vrouwen in de geseculariseerde westerse samenleving is uniek in de geschiedenis van de mens. Wellicht omdat dit de eerste cultuur is die zich onder het juk van religie heeft weten te ontworstelen.

Vanuit het abstracte perspectief (Rawls noemt het de ‘originele positie’ en ik noemde het zojuist schertsend ‘gods perspectief’) valt in te zien dat het niet rationeel is om voor jezelf a-priori niet de grootst mogelijke keuzevrijheid te willen hebben. Dit is een uitgangspunt dat niet uitgaat van vaste principes, maar van een universeel subjectivisme. Iedereen zou in principe, in gedachten, ieder ander kunnen zijn en zodoende kunnen testen wat je niet zou willen. Daarbij is belangrijk dat tegenstrijdige belangen vermeden dienen te worden. De groots mogelijk vrijheid van het individu mag niet ten koste gaan van de vrijheid van anderen.(38)

De overheid kan twee argumenten aanvoeren voor het beperken van de vrijheid van het individu en het stellen van eisen aan kleding in de openbare ruimte. De overheid kan de vrijheid van het kind beschermen tegen religieuze indoctrinatie door de ouders. Door het hoofddoekje te verbieden op scholen wordt voorkomen dat een religieus geïnspireerd beeld wordt gevormd over vrouwen en seksualiteit. Doordat sommige vrouwen een hoofddoek dragen en anderen niet, wekt dat de suggestie dat er twee soorten vrouwen zijn: kuise islamitische vrouwen en uitdagende westerse vrouwen die hun seksualiteit als het ware te koop aan bieden (39). ‘Krijgen we binnenkort ter verdediging van de wegens verkrachting aangeklaagde man in voorsteden te horen: “Ze heeft erom gevraagd. Als ze niet verkracht wilde worden, had ze maar een sluier of een hoofddoek moeten dragen”? Verkrachting of de hoofddoek.’(40)

Ook kunnen voor bepaalde functies kledingvoorschriften gelden, functies bijvoorbeeld waarbij een uniform wordt gedragen. Als het gaat om overheidsfuncties waarin de overheid als neutraal optreedt dan is het zaak dat het uiterlijk van de gezagsdrager ook neutraal is. Dit geldt zodoende voor beroepen als politieagent en, met name, de rechterlijke macht. Frappant is dat er geen rechters, politici of politieagenten zijn met een mowhawk. Nu betekent een mowhawk, als individueel symbool, zoiets als ‘fuck de staat’ en geeft het misschien uitdrukking aan een al dan niet gearticuleerde anarchistische ideologie, dus dat zou veel kunnen verklaren. In ieder geval moet het uiterlijk van de gezagsdrager zo min mogelijk tekenen vertonen van een bepaalde ideologie of levensbeschouwing. Dus geen zichtbaar kruiskettinkje, geen keppeltje. Wat mij betreft mag een rechter wel sandalen met geitenwollen sokken onder zijn/haar toga dragen. Dat is weliswaar ‘not done’, maar dat is een informele regel waarvoor geen formele ethische argumenten aangedragen (kunnen) worden.

Vanuit liberaal perspectief kunnen hoofddoeken en andere door de ouders verplichte religieuze kleding worden verboden op scholen (al is het in de praktijk moeilijk om de gereformeerde rokken en het taboe op spijkerbroeken te doorbreken). Een verbod op bijzondere scholen, door middel van afschaffing van Artikel 23 van de grondwet, zou veel beter zijn, want dat geeft kinderen een veel grotere vrijhaven weg van de indoctrinatie van de ouders. Op openbare scholen wordt geen specifieke religie opgedrongen en wordt wel geïnformeerd over verschillende soorten religies en levensbeschouwingen. In zoverre de staat optreedt in het belang van alle burgers is het van belang dat het individu dat deze rol vertegenwoordigt geen blijk geeft van zijn/haar specifieke levensovertuiging.

Het is wrang dat het dragen van een hoofddoek verdedigd wordt, door moslims en relativerende met postmodernistische ideeën besmette intellectuelen, met een beroep op het liberale ideaal van tolerantie. De islam is in principe een intolerante ideologie bij uitstek, waarin vrouwen tweederangs burgers zijn en homo’s worden aangeduid als misdadigers et cetera. Djavann beschrijft de hoofddoek als ‘een uiterlijk teken van een godsdienstige gezindheid en ook een symbool van seksuele discriminatie.’(41) Er zijn wellicht verlichte moslims die een liberale interpretatie van de koran voorstaan, maar dat is meer van het gehalte: ‘kijk maar, er staat niet wat er staat’. Een intolerante traditie wil door een tolerante ideologie getolereerd worden. Maar tolerantie heeft grenzen. Tolerantie is geen absoluut ideaal, ander kom je uit bij een anarchie van anything goes. Als tolerantie intolerantie tolereert is het vroeger of later gedaan met de tolerantie en tolereren de intoleranten de toleranten niet langer.

In het debat over de hoofddoek zijn er twee verschillende stramienen te ontwaren. Enerzijds is er het stramien van de politieke filosofie, het liberale debat waarin het draait om hoe groot de vrijheid van het individu zou moeten zijn en over wanneer de overheid de vrijheid van het individu mag beperken. Anderzijds is er de theologische en filosofische zijde waarin het gaat of er redenen zouden kunnen zijn waarom vrouwen een hoofddoek zouden moeten dragen: van wie moet dat en waarom? Dit inhoudelijke debat, deze religiekritiek, wordt liever buiten het publieke debat gehouden. Toch stemmen de conclusies van beide soorten kritiek grotendeels overeen. Vanuit liberaal perspectief moet het individu zoveel mogelijk beschermd worden tegen ideologische indoctrinatie en zodoende moet er voor kinderen ruimte blijven om van levensovertuiging te veranderen, met name omdat religieuze levensovertuigingen de vrijheid van individuen dwars kan zitten. Ook moet de overheid (de frontoffice van de overheid) neutraal lijken, omdat de overheid alle burgers gelijk moet bejegenen. Een atheïst of homo zou niet graag zien dat een overheidsvertegenwoordiger symbolen toont van een overtuiging die niet gediend is van atheïsme of homoseksualiteit. Cliteur pleit bijvoorbeeld voor laïciteit, een rigoureuze scheiding tussen kerk en staat, zoals in Frankrijk het geval is. De overheid moet neutraal zijn. In Frankrijk geldt dat niet alleen voor overheidsinstellingen, maar ook voor scholen. Daarmee kiest Cliteur voor een humanistisch liberalisme in tegenstelling tot een postmodern pluralistisch liberalisme dat ook wel aangeduid wordt als communitarisme of multiculturalisme, waarbij de neutraliteit van de staat gehandhaafd zou worden door de verschillende levensovertuigingen ook binnen het overheidsfunctioneren te laten zien (42). Bij de Engelse politie bijvoorbeeld zijn hoofddoekjes en tulbanden (van Sikhs) welkom. Ik denk niet dat het een goede strategie is om de neutraliteit van de overheid te tonen door uiterlijke kenmerken van religies toe te staan bij overheidsdienaren. Waarom zou een puntmuts met gaten erin dan niet mogen, of een Swastikateken, of een roze driehoek, of een Ichtusteken, of een vignet met ‘I am an atheist’? Het toestaan van religieuze tekens bij overheidsdienaren is een ‘slippery slope’, dat betekent dat er steeds gekeken moet worden welke symbolen wel en welke niet gedoogd worden. Als de hoofddoek is gedoogd, waarom niet de hijaab of de chador?

De relatie tussen religie of een ideologie en gedrag, tradities en gebruiken is niet altijd even duidelijk. In de Koran staat dat de hoofddoek voor vrouwen verplicht is, tenminste dat roept de profeet. Maar over vrouwenbesnijdenis wordt niet gerept. Dit fenomeen komt ook voor buiten de islam, maar het wordt door conservatieve schriftgeleerden wel gepredikt, er is kortom sprake van een positieve correlatie (er zijn mij geen islamitische aanklachten bekend tegen vrouwenbesnijdenis en de mysogene wetten van de Sharia).(43) In plaats van een noodzakelijk causaal verband is er eerder sprake van een correlatiegraad. Religie is niet altijd de eerste oorzaak, maar kan ook een katalysator zijn van oorlog, geweld, onderdrukking, onwetendheid, achterlijkheid. Doordat religies en ideologieën open zijn, in de zin dat een ieder een bepaalde interpretatie kan geven en tevens kan beweren dat andere interpretaties niet de juiste zijn, is er geen één op één relatie tussen religie/ideologie en gedrag. ‘Het is een beetje een kip-ei-discussie in die zin dat het moeilijk vast te stellen is waar de invloed van religie ophoudt en die van sociaal-economische factoren begint. Beide verklaringen lijken complementair. (44)’

Sociaal-economische factoren kunnen een voedingsbodem zijn voor verschillende ideologieën. De rechtvaardiging zit echter in de ideologie, niet in de sociaal-economische omstandigheden. Armoede en sociale ongelijkheid kan een voedingsbodem zijn voor (islamitisch) fundamentalisme, maar het fundamentalistische gedrag dat daaruit voort komt is gebaseerd op de religie. Sociologen en veel opinie-intellectuelen houden de verschillende soorten oorzaken niet goed uit elkaar. Zo ook in het geval van de verhouding islam en vrouw. De eerste indruk is dat islam, net als andere religies, geen positief effect heeft op emancipatie; de positie van vrouwen in islamitische culturen is slechter dan die van mannen. Toch zijn er liberale islamapologeten, waaronder ook vrouwen, die beweren dat de islam een vrouwvriendelijke religie is. Hierbij gaat het om een interpretatie van de bronnen. Anderzijds, kan ook gekeken worden naar islamitische vrouwen die van zichzelf beweren geëmancipeerd zijn. Zo zijn er bijvoorbeeld in Nederland enkele moslima’s actief in de politiek en zijn er tal van jonge moslima’s in het hoger onderwijs, al dan niet met hoofddoek.

Ibn Warraq betoogt in zijn kritische studie van de islam dat de bronnen, waaronder de Koran, niet vrouwvriendelijk zijn, misogyn zelfs, en dat het een farce is te beweren dat het wel zo is. Soms komt het voor dat er met een bepaald begrip iets heel anders bedoeld wordt door verschillende partijen. Als moslims het hebben over de positieve positie van de vrouw en de rol van de vrouw en zij betogen dat dat heel vrouwvriendelijk is en geëmancipeerd, dan is dat een Babylonische spraakverwarring, want dat is niet wat de liberale interpretatie van emancipatie is. Emancipatie is geen versluierde onderdrukking. Een goed behandelde gedetineerde heeft nog steeds geen vrijheid. ‘Islam always considered women as creatures inferior in every way: Physically, intellectually, and morally. This negative vision is divinely sancionted in the Koran, corroborated by the hadith and perpetuated by the commentaries of the theologians, the custodians of Moslim dogma and ignorance.’(45) Het probleem waneer er een dispuut wordt uitgevochten aan de hand van citaten uit zogenaamde gezaghebbende bronnen is dat er vaak contradictoire uitspraken zijn te vinden. Er zijn moslima’s die de Koran vrouwvriendelijk lezen. Daartegenover staan de talloze conservatieve mannelijke islamitische schriftgeleerden die met een beroep op dezelfde bronnen hele andere dingen beweren. Voor een ‘normale’ lezer, iemand die leest wat er staat, blijkt overduidelijk dat de Koran geen feministisch traktaat is.

De hoofddoek maakt deel uit van een vrouwonvriendelijke ideologie. Naast kledingvoorschriften voor vrouwen gaat het om zaken als: vrouwenbesnijdenis, islamitische (informele) wetgeving die vrouwen zeer benadeeld, (huiselijk) geweld tegen vrouwen, uithuwelijking en dergelijke. De islam is een cultuur waarin vrouwen niet veel meer zijn dan de seksslaven (46) van mannen. Een cultuur waarin vrouwen zo geïndoctrineerd zijn, dat ze er binnen liberale democratieën soms ‘vrijwillig’ voor kiezen, zoals het openingscitaat van De Beauvoir laat zien, is een voorbeeld van wat Nietzsche de ‘slavenmoraal’ noemt. ‘The measure of a society’s degree of civilization is the position it accords to women, in which case Islam fares very badly indeed.’ (47) De liberaal John Stuart Mill zag al heel goed in dat vrijheid betekent dat beide sexen gelijkwaardig zijn: ‘I am convinced that social arrangements which subordinate one sex to the other by law are bad in themselves and form one of the principal obstacles which oppose human progress; I am convinced that they should give place to a perfect equality.’(48)

Het hoofddoekjesvoorschrift valt of staat met de erkenning van de autoriteit van de Koran en die berust alleen op traditie, niet op enige redelijke argumentatie. Er kunnen geen ethische plausibele redenen gegeven worden waarom een vrouw een hoofddoek zou moeten dragen. Het hoofddoekje maakt deel uit van een heel complex van religie, waarbij ook eerwraak, vrouwoneerlijke rechtssystemen, taboes op seksualiteit en homoseksualiteit, geweld tegen vrouwen, verbod op abortus en een heel scala meer aan ethisch ongewenste, onrechtvaardige praktijken horen. Moslima’s lijden onder de islam. De islam is een bijzonder vrouwonvriendelijke religie. Verlichting – van moslims in het Westen - door onderwijs is een hoopvolle gedachte, maar religie-memen, het bolwerk van indoctrinatie, zijn sterk. Voorts, omdat de islam net als alle religies onzin is en het mensen niet verrijkt, maar beperkt en zelfs onderdrukt, ben ik tegen de hoofddoek, ook in de privé-sfeer, al is dat vanuit liberaal perspectief niet te verbieden. Toch sluit ik me, hopend op het verdwijnen van alle religie en me bewust van het feit dat een verbod de liberale principes ondergraaft, aan bij Chahdortt Djavann: ‘Weg met de sluier!’(49).


Hoofdstuk uit dissertatie Moraal & religie (werktitel)

22 augustus 2004



Noten:



(1)Koran. Uit: Ibn Warraq, Why I am not a Muslim, p.298.



(2)Simone de Beauvoir, The Second Sex, in: Warraq, p. 314.



(3)Chahdortt Djavann, Weg met de Sluier!.



(4)In Nederland zijn voorbeelden van dergelijke relativistische opiniemakers Marcel van Dam en Piet Grijs (pseudoniem van Kees Fens).



(5)Djavann, p.9.



(6)Zie: Ayaan Hirsi Ali, De zoontjesfabriek.



(7)Ayaan Hirsi Ali, ‘Op zoek nasar wat ons bindt’, tekst lezing 8 maart, Internationale Vrouwendag, discussie-bijeenkomst van Opzij in Amsterdam.



(8)Hirsi Ali, p. 55.



(9)Alaattin Erdal, één van de geïnterviewde meisjes uit een Rotterdams Turks meisjesinternaat met hoofddoekje wil niet in discussie met Hirsi Ali. Op de vraag of Hirsi Ali welkom zou zijn op een discussieavond over integratie, antwoordt zij: ‘Nee, zij stelt zich te extreem op”’. Uit: Annerieke Goudappel, ‘Bescherm de schoonheden’, NRC, 10/11 juli 2004.



(10)Ayaan Hirsi Ali, De zoontjesfabriek, kafttekst.



(11)Pim Fortuyn, Tegen de islamisering van onze cultuur, p.39.



(12)Fortuyn, p.72.



(13)Fortuyn, p.77.



(14)Ik vind ‘waardigheid’ een ongelukkige term (zie mijn behandeling hiervan elders in deze studie), liever zou ik het begrip individuele ‘vrijheid’ gebruiken.



(15)Hirsi Aili, p.17.



(16)Interview met Marjane Satrapi, ‘Een meisjesleven in Iran’, door Liddle Austin in Opzij nr.7/8 2004.



(17)Is Multiculturalism Bad for Women? van Susan Okin Miller is een pleidooi tegen de multiculturele samenleving.



(18)Cathelijne van Vliet, ‘Verkrachting is toch geen misdaad?’, in Opzij, nr.7/8, 2004. ‘Op 4 oktober 2002 werd in Vitry-sur-Seine een Algerijns meisje levend verbrand door een buurtgenoot, aangemoedigd door zijn vrienden. De reden: ze verfde haar haar, droeg make-up en strakke kleren. Bovendien trok ze zich niets aan van de jeugdbendes in de wijk – voor negentig procent islamitisch – en hun ongeschreven wetten. In reactie hierop togen zes meisjes en twee jongens vanuit Vitry langs drieëntwintig Franse steden om aandacht te vragen voor dit en soortgelijk geweld.’ Op basis hiervan werd ‘Ni putes ni soumises’ (vert.: ‘Geen hoeren, geen slavinnen’) opgericht.



(19)Het plegen van diefstallen om aan geld te komen is van een andere orde dan het (groeps-)verkrachten van vrouwen.



(20)Cathelijne van Vliet, ‘Verkrachting is toch geen misdaad?’, in Opzij, nr.7/8, 2004.



(21)Pieter Kottman, ‘Franse aanpak averechts. Intergratie-expert hekelt ‘alarmerende’ moslimrapporten’, in: NRC, 29 juli 2004.



(22)Oftewel: mannen met een meme voor misogynie.



(23)Zie hoofdstuk over memen.



(24)Annerieke Goudappel, ‘Bescherm de schoonheden’, NRC, 10/11 juli 2004.



(25)Er zou kunnen worden betoogd dat religies ook haatzaaiende instellingen zijn of zouden kunnen zijn, al naar gelang de interpretatie van de bronnen. Er zijn in ieder geval genoeg aanknopingspunten voor. De christenen en moslims moeten (in de bronnen en in de geschiedenis) niets hebben van joden, homoseksuelen, dieren, geestelijk gehandicapten, atheïsten, alleenstaande vrouwen (‘heksen’). Volgens deze lijn van argumentatie zou het dragen van alle religieuze symbolen, dus ook de halsketting met het kruisje, verboden kunnen worden. Maar omdat het verband tussen religie en haat zaaien vager is dan bij bijvoorbeeld het Swastika teken prevaleert het pragmatisme en is tolereren veel gemakkelijker.



(26)Controleurs (zoals douaniers, politie en conducteurs) zouden dan ook de vrijheid moeten hebben om mensen te vragen hun hoofdbedekking af te doen, om zo te zien af de persoon overeenkomt met de pasfoto. Dit is voor moslims een gevoelig punt, want het betekent dat gehoofddoekte moslima’s hun haar moeten tonen aan vreemde mannen. De Nederlandse overheid doet er alles aan om problemen niet zover op de spits te drijven. Gedogen en schipperen is dan de strategie.



(27)In de psychologie spreekt men van intrinsieke versus extrinsieke motivatie. Bij extrinsieke motivatie zijn er regels, straffen of maatregelen nodig om een bepaald gedrag gedaan te krijgen. Bij intrinsieke motivatie is er geen externe dwang nodig. Zie hierover bijvoorbeeld: Rita Kohnstamm, Kleine ontwikkelingspsychologie. Deel I. Het jonge kind, hoofdstuk: ‘Hoe leren kinderen?’. Het bestaan van de grote hoeveelheid sloten in onze maatschappij is een markante graadmeter van hoe het met de intrinsieke motivatie om van andermans spullen van te blijven.



(28)Zie hierover het hoofdstuk ‘liberalisme, tolerantie & humanisme’ in deze studie.



(29)Volgens Blackmore hebben memen, in dit geval het meme-plex van de Islam, die zich genesteld hebben bij het zelfbeeld van de persoon een bijzonder geprivilegieerde positie, of anders gezegd: het is een hardnekkig virus. Dat maakt ze heel sterk. Als ik mijzelf moest vastleggen met een begrip wie ik ben dan is niet het eerste dat mij te binnen schiet: atheïst. Eigenlijk wil me niets zo maar te binnen schieten of het moest een hele lijst met begrippen zijn, die dan nog niet mijn hele persoon dekken, want ook wandelen bijvoorbeeld maakt deel uit van mijn beleefde identiteit. Toch maar even een lijstje, in willekeurige volgorde. ‘Ik ben moslim’ versus: ‘Ik ben: Floris, vader, liberaal, seculier humanist, kosmopoliet, atheïst, vegetariër, democraat, ethicus, individualist, Verlichtsadept, vrijdenker, Nederlander, feminist, naturalist, materialist, hedonist, ambtenaar, anti-postmodernist, …’



(30)Djavann, p.52.



(31)Zo verbaas ik me erover dat T-shirts in de mode zijn waarop groot CCCP staat gedrukt. Zelfs zag ik T-shirts met de kop van Mao. Beseffen die dragers en de makers daarvan wel hoe wrang dat is, of is dat de ironie van de ultieme vrijheid: symbolen dragen van onderdrukking? Ten slotte is de stropdas ook een dandy navolging van de strop die gevangenen in Engeland constant moesten dragen zodat ze bij overtredingen gelijk opgehangen konden worden.



(32)Uit: Anneriek Goudappel, Bescherm de schoonheden’, NRC, 10/11/ juli 2004. In de film Mona Lisa Smile komt hetzelfde liberale probleem helder aan bod. De feministische lerares kunstgeschiedenis (Julia Roberts) probeert op een conservatief meisjescollege in de VS in de jaren 1950 de jonge vrouwen autonome vrijheid bij te brengen om ze te helpen te ontkomen aan het geijkte sociale patroon dat zij, als veelbelovende studentes, zodra ze trouwen als huisvrouw in de keuken verdwijnen en zich gaan wijden aan man en kinderen. Een van de veelbelovende studentes die door de lerares gepusht was om verder te studeren, wil dat helemaal niet, ze wil wèl in haar traditionele rol. Sommige mensen hebben nu eenmaal een slavenmentaliteit, dat is iets wat de liberaal moet aanvaarden. Echter, niet iedereen heeft een slavenmentaliteit en niemand mag gedwongen worden slaaf te zijn, al zullen sommigen daar wel voor kiezen. Fortuyn beschrijft hetzelfde fenomeen over de tegenstand voor feminisme door burgerlijke huisvrouwen: ‘Keurige huisvrouwen die betoogden dat ze niet dezelfde rechten wilden als de man en dat ze volmaakt tevreden waren met hun positie als huisvrouw en moeder. […] [anno nu:] zelfs in de meest conservatieve milieus laat een vrouw zich dergelijke pietpraat over haar verheven positie als moeder en huisvrouw niet meer aanleunen en eist zij haar eigen positie op en heeft meneer maar in te binden!’ (Tegen de islamisering van onze cultuur, p.73).



(33)Met name de leden van de commissie Stasi die de Franse overheid geadviseerd hebben het hoofddoekje op scholen te verbieden. Deze commissie is ook in Nederland op bezoek geweest en heeft o.a. gesproken met Philipse en Hirsi Ali. De commissie Stasi uitte zich negatief over het Nederlandse beleid over de multiculturele samenleving, waarin (Islamitische) allochtonen zoveel mogelijk gestimuleerd worden hun eigen identiteit te behouden. De laatste tijd is er in Nederland, wellicht na Fortuyn, sprake van een lichte kentering. Het onderwijs in eigen taal wordt afgeschaft en inburgeringcursussen en taallessen zijn voor alle nieuwkomers verplicht.



(34)De enige uitzondering zijn wellicht matriarchale samenlevingen, maar die zijn uitermate zeldzaam en beperkt.



(35)Het paradoxale is, volgens mij, dat als kinderen in hun jeugd genoeg ruimte wordt gelaten om zich vrij te ontwikkelen en er veel aandacht is voor de kritische rede, er maar een heel geringe kans is dat ze zullen kiezen voor een (beklemmende) religieuze traditie. Er zijn immers ook nauwelijks volwassenen die zich tot een nieuw geloof bekeren. Het aantal autochtone Nederlanders dat moslim is geworden is bijna nihil en die paar gevallen geldt dan meestal dat het vrouwen zijn die met een moslim trouwen en dan (verplicht) moslim worden. Religies en tradities moeten met de paplepel ingegoten worden, anders beklijft het niet.



(36)Met rationeel bedoel ik: serieus, weloverwogen en oprecht. Je kunt wel stoer zeggen dat je het niets uitmaakt om slachtoffer van een roofoverval te zijn, maar als er een grote groep mensen zou zijn die het niets uitmaakt om slachtoffer te zijn, dan verliest mijn hele betoog grond en kan ik me alleen, tegen mijn zin, vasthouden aan Rorty die zegt dat: ook al weet ik dat het misschien niet absoluut waar is, toch geloof ik erin. Als het zo is dat een substantieel deel van de mensen net zo lief slachtoffer als dader is, dan hang ik mijn filosofieambitie aan de wilgen en lees ik alleen nog maar literatuur en misschien schrijf ik zelfs wel een roman. In deze noot leg ik zodoende een archè, een grondprincipe, een empirisch houvast bloot die door sociaal-psychologisch onderzoek bevestigd dan wel weerlegd kan worden. Ik ga intuïtief uit van een bevestiging en het is een verdomd sterke intuïtie.



(37)In de huidige Nederlandse maatschappij zijn de productiedieren het grootste slachtoffer. De strategie om dit te tolereren is vooral om het leed zorgvuldig buiten beeld te laten. Struisvogelpolitiek kan desastreuze gevolgen hebben voor de slachtoffers. ‘Wir haben’s nicht gewusst!’ – Over de dieren in Nederland: er duiken wel met enige regelmaat beelden uit de bio-industrie in de media op, maar mensen kunnen dat toch heel goed negeren. Als er naast de schappen met vlees grote schermen stonden met hoe de dieren behandeld werden, dus wanneer die link tussen wreedheid en voedsel veel directer is, dan zou de impact daarvan wellicht sterker zijn.



(38)Over verschillende liberale omschrijvingen van vrijheid zie: I. Berlin, Two Concepts of Liberty’ en John Suart Mill, On Liberty.



(39)In zwembaden in grote steden zijn er problemen met allochtoonse jongens (Marokkanen, Turken) die meisjes aanranden of zelfs verkrachten.



(40)Djavann, p.58.



(41)Djavann, p.54.



(42)Paul Cliteur, Hoofddoekjes in opspraak’, Moderne Papoea’s.



(43)Hirsi Ali zegt hierover: ‘Het is waar dat het besnijdenisritueel al bestond bij sommige animistische stammen voordat de Islam zijn intrede deed. In bepaalde Keniase clans werden vrouwen besneden uit angst dat de clitoris tijdens de bevalling zo groot zou worden dat het kind erdoor verstikt zou raken. Maar die bestaande lokale gewoonten zijn door de Islam verspreid, versterkt en geheiligd. In landen als Sudan, Egypte en Somalië, waar de Islam grote invloed heeft, is de nadruk op maagdelijkheid heel sterk.’ Uit: De zoontjesfabriek, p.17.



(44)Hans Righart, ‘Moraliseringsoffensief in Nederland in de periode 1850-1880’, in: Harry Peeters, e.a. (eds.), Vijf eeuwen gezinsleven, SUN, Nijmegen, 1988, p.197.



(45)Warraq, p.293.



(46)’A wife should never refuse herself to her husband even if it is on the saddle of a camel.’ Citaat uit de hadith, aangehaald door Warraq, Why I am not a Muslim, p. 298. Warraq citeert in het hoofdstuk ‘Women and Islam’ nog veel meer vrouwonvriendelijke citaten uit de Koran en de hadith.



(47)Warraq, p.321. De positie van vrouwen is volgens mij alleen een indicatie van de mate van beschaving. Er zijn meer indicatoren. De positie van dieren bijvoorbeeld, de islam scoort daar net zo slecht als de joods-christelijke cultuur. Waar het op aankomt is hoe de positie van de zwaksten – in de zin van dat deze groepen nogal eens onderdrukt en geterroriseerd worden in samenlevingen die niet liberaal-democratisch georganiseerd zijn - is. Zijn er onderdrukten in de samenleving en daarbuiten? Wordt er door een dominante ideologie van een groep (mannen) een vorm van terreur uitgeoefend, leed berokkend? Indicatoren zijn de positie van: vrouwen, (productie-)dieren, (geestelijk) gehandicapten, andere rassen, andere etniciteiten, anders gelovigen, ongelovigen, vrijdenkers, homo’s, transseksuelen, libertijnen, intellectuelen en critici, mensen uit een andere streek.



(48)John Stuart Mill, in: Warraq. p. 321.



(49)Kan de auteur van een beoogd wijsgerig-wetenschappelijke dissertatie een politiek gevoelig standpunt innemen? Mag een filosoof, als filosoof, een mening hebben in een normatief publiek debat? Is het niet de taak van de filosoof als cultuurcriticus om op een afstand te blijven en alleen een koele afstandelijke analyse te bieden? Dat is inderdaad het mainstream standpunt in de academische wereld: een strikte scheiding tussen wetenschap (hieronder valt dan ook de wetenschappelijke wijsbegeerte) en opiniestukken. Opinies kunnen worden geuit buiten het academische discours. Ik ben echter van mening dat als je uitgaat van enkele uitgangspunten (i.c. mijn theorie van universeel subjectivisme, zie elders in deze studie) en rationalisme, dat dat er noodzakelijk toe leidt dat je ook normatieve uitspraken kunt doen. Peter Singers werk Practical Ethics is een voorbeeld van een wetenschappelijk wijsgerig (academische) werk waarin, op basis van de normatieve theorie van Singer, allerlei cultuurkritische uitspraken worden gedaan, waaronder een pleidooi voor abortus, euthanasie en vegetarisme. Ethiek is niet alleen (theoretische) meta-ethiek, het is ook toegepaste ethiek. Mijn studie over de verhouding tussen religie en ethiek geeft naast een analyse ook kritiek vanuit mijn liberaalhumanistisch standpunt. Als de kern van wetenschap kritische rationaliteit is, zoals o.a. Popper meent, dan valt wijsgerige cultuurkritiek binnen het kader van wetenschap (en theologie niet).




Floris van den Berg

Floris van den Berg

Links
mailto:F.vandenBerg@sg.uu.nl
Share |

4 Liberales-sessies over Economie

Om het economisch nieuws beter te begrijpen, organiseert Liberales in januari en februari vier sessies over Economie (te Brussel). De sessies behandelen pensioenen, strategisch gedrag, financieringswet en de financiële crisis. Toegang is 3 euro per sessie. Plaatsen zijn beperkt. Inschrijven via deze link. Meer info onder Activiteiten.

Nieuwsbrief

Schrijf je in voor onze wekelijkse nieuwsbrief

Liberales TV

Contact

Andreas Tirez
gsm: +32485 24 46 71
andreas@liberales.be